Opera

ONVERBIDDELIJK VOORTEKEN

OPERA Kát’a Kabanová

Deze opera van Janácek uit 1923 werd de eerste decennia moeizaam geaccepteerd buiten Tsjechië. Pas in 1951 brak de dirigent Charles Mackerras de Britse weerstand en het duurde tot 1959 voordat De Nederlandse Opera haar eerste Kát’a Kabanová produceerde. In beide gevallen ging het niet om het oorspronkelijke Tsjechische libretto, maar om een Duitse vertaling van Max Brod, vriend en biograaf van Kafka. Voor wie de dno-uitvoering uit 2000 (nu op reprise) ziet is deze trage acceptatie moeilijk te begrijpen: Kát’a Kabanová is, zoals Brod terecht schreef, een opera ‘uit de dieptes van het hart’.

Janáceks Kát’a is de Russische pendant van Flauberts Emma Bovary. Beiden zijn gevangen in een verstikkend plattelandsmilieu en zitten opgescheept met een ei van een man. Maar waar Madame Bovary’s zucht naar ontsnapping toch altijd iets pathetisch heeft, sleept deze Kát’a Kabanová je volledig mee in haar beklemming. Dat laatste is vooral te danken aan de Britse sopraan Amanda Roocroft, die frustratie in haar stem weet te laten klinken, en die vanaf de eerste noten invoelbaar maakt dat haar noodlottig einde nadert. Memorabel is de nachtelijke ontmoeting met haar minnaar. In de armen van Boris kent Kát’a een kort moment van geluk maar bezegelt ook haar lot: wanhoop om dit overspel drijft haar uiteindelijk tot zelfmoord.

De enscenering bestaat uit een kale houten omlijsting. Af en toe opent deze doodskist en geeft zicht op de vogels, die symbool staan voor Kat’a’s hang naar vrijheid. In dit sobere decor leidt dirigent Yakov Kreizberg het Nederlands Philharmonisch Orkest knap door de vele stijl- en tempowisselingen. Zowel Janáceks geliefde volkswijsjes als de meer symfonische stukken gaan het orkest goed af. Roocroft en Kreizberg voelen elkaar goed aan; de explosies van zang en muziek grijpen moeiteloos in elkaar met als culminatie een knallende slotscène, waarin Kát’a zich in de Wolga stort. Deze Wolga heeft een mooie rol in Janáceks opera: hij slingert zich door het verhaal als onverbiddelijk voorteken van Kát’a’s dood.

Leos Janácek, Kát’a Kabanová. De Nederlandse Opera, tot 21 maart