Onverbiddelijke bestseller

Zelden zo snel een boek uitverkocht gezien als afgelopen donderdag na de presentatie van Thomas Vaessens’ De revanche van de roman. En dit is niet Dan Brown die onder een Limburgs pseudoniem een spannend detectiveverhaal vertelt waarin de roman uiteindelijk aan het langste eind trekt.

Het gaat bij dit boek ook niet om een aanstormend schrijftalent, of een spannende literaire thriller, maar om een wetenschappelijk werk van de Hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde van de Universiteit van Amsterdam. Hoogleraren Nederlandse Letterkunde schrijven normaalgesproken boeken die na enkele bemoedigende complimenten van vakgenoten geruisloos in de universiteitsbibliotheek worden bijgezet, waar ze af en toe met frisse tegenzin door jonge literatuurstudenten worden opengeslagen. Maar een afgeladen Spui 25 doet vermoeden dat De revanche van de roman een ander lot beschoren is.

Waarschijnlijk heeft Vaessens ooit eens een kwantificeerbare studie gedaan naar boekpromotie, want hij lijkt beter door te hebben dan Paul Sebes hoe je een boek aan de man brengt. De literatuuropvatting die hij in zijn boek naar voren brengt is eenvoudig – engagement, de schrijver moet afdalen uit het literaire universum – en voor een groot deel ook toepasbaar op Vaessens zelf, die als hoogleraar uit het academische isolement stapt om zich actief te mengen in het debat over literatuur. Op dit strijdtoneel, waar normaal schrijvers en critici elkaar de tent uit vechten, lijkt hij zich wonderwel thuis te voelen.

Vaessens riep wat prikkelende dingen in De Groene Amsterdammer, een blad dat door álle schrijvers en álle recensenten wordt gelezen. Zo zei hij dat de romans van Joost Zwagerman ‘toch steeds weer op een interessante manier mislukken’. Of over Doeschka Meijsings Over de liefde: ‘Het belangrijkste wat in die roman gebeurt, is dat ze in het water valt.’ Citaten die je verwacht in een interview met Ilja Leonard Pfeijffer of Gerrit Komrij. Uitlatingen die vragen om een reactie. En daar werd onze redactie dan ook mee overladen. Boze, verontwaardigde reacties, maar…reacties.

Voor het eerst sinds literatuurhistoricus Gerard Knuvelder – die vlak na de Tweede Wereldoorlog in een grote literatuurgeschiedenis precies vertelde welke boeken en schrijvers Nederlanders moesten lezen – durft een ‘literatuurprofessor’ weer te zeggen wat hij belangrijk vindt. Het is ijdel om je zo in het publieke debat te willen mengen, opzettelijk zulke ongenuanceerde uitspraken te doen om je boek onder de aandacht te brengen en ook nog eens in de jury van de Libris Literatuurprijs plaats te nemen om daar precies de boeken te selecteren die in je straatje passen. Maar na en tussen al die literatuurwetenschappelijke kleurloosheid is het wel een enorme verademing.