Regisseur Andrea Breth op de Ruhr Triennale

Onverbiddelijke schoonheid

Op 20 augustus start de Ruhr Triennale, een festival in theaters en monumenten van industriële archeologie. Centrale gast is regisseur Andrea Breth.

De Vlaming Gerard Mortier (Muntschouwburg Brussel, Salzburger Festspiele, nu Opéra Bastille, Pa rijs) is er in 2002 mee begonnen: de Ruhr Triennale, een festival dat zich voornamelijk afspeelt in industriële bunkers binnen het Duitse Ruhrgebied. Als artis tiek leider werd hij in 2004 opgevolgd door de theateranarchist Frank Castorf. Dat werd geen succes. Nu is een oude rot uit het Duitse theater voor een paar jaar zijn opvolger: Jürgen Flimm (1941). Hij werkt in de lijn van oprichter Mortier. Met een paar Nederlands/Vlaams/Duitse accenten in de programmering. Zoals Im Wunderschönen Monat Mai, van dirigent Reinbert de Leeuw, performer/zanger Barbara Sukowa en het Schönberg Ensemble (werk van Kagel, Schubert, Schumann en De Leeuw zelf). En de voorstelling Fort Europa, op een tekst van Tom Lanoye, in de regie van Johan Simons (eerder dit jaar in Wenen en Utrecht getoond).

Als centrale gast in zijn eerste festival koos Jürgen Flimm voor Andrea Breth, sinds 1999 huisregisseur bij het Weense Burgtheater. Van haar zijn in de Ruhr Triennale twee ensceneringen te zien, Emilia Galotti (Lessing) en Maria Stuart (Schiller), en twee verfilmde regies. Er is ook een uitgebreid publieksgesprek met de regisseur. Breth (Darmstadt, 1952) moet een gerichte keuze van Flimm zijn. Ze is een Fremdkörper in de «modische» trends binnen het Duitstalige toneel. Gewilde, geforceerde actualiseringen zijn Breth vreemd. Ze is in haar werk hartstochtelijk dienstbaar aan de tekst, aan herlezing van de oorspronkelijke schriftuur. Breth leest haar klassiekers goed. En ze conceptualiseert of interpreteert niet. Ze luistert naar de stemmen in de toneelfamilies die ze om zich heen verzamelt.

Het concept van een voorstelling van An drea Breth bestaat uit de afwezigheid van een dwingend idee. Dat leidt tot voorstellingen waarin onverbiddelijke schoonheid wordt ge koppeld aan glasheldere zeggingskracht. Aan het eind van de repetitieperiode weet niemand meer van wie welke vondst kwam.

Breth is bij uitstek een ensembleregisseur. Een van haar recente wapenfeiten is Schillers Don Carlos in Wenen. Die voorstelling wordt overal in Europa uitgenodigd – ook naar de Ruhr Triennale – maar ze kan buiten Wenen, vanwege de theatertechnische eisen, nergens anders gespeeld worden dan in… Wenen.

Op naar Wenen dus, naar de tempel van het West-Europese klassieke toneel, het Burg theater aan de statige Dr. Karl Lueger-Ring, ge noemd naar de antisemitische burgemeester in de dagen van Freud en Schnitzler tijdens de voor-vorige eeuwwisseling. Met in onze bagage een aantal versies van Schillers drama. Want bezoek je een voorstelling van Don Carlos, Infant von Spanien dan is de eerste vraag: wélke Don Carlos? Tussen 1782 en 1787 maakte Schiller di verse versies, de langste beslaat 7527 versregels, goed voor ruim een etmaal toneel. Schrappen is dus noodzaak. Maar waar? En hoe? En met welk effect? Want er is ook nog de discussie over de vraag of Don Carlos een familiedrama dan wel een historisch-politiek epos over de Tachtig jarige Oorlog is. En dan is er nog de door Schiller zelf gecreëerde verwarring dat hij helemaal geen tekst voor het toneel maar een leesdrama voor bij de open haard heeft geschreven.

Van dat laatste is in de regie van Andrea Breth overigens niets te merken. Ze heeft de bijna 220 jaar oude tekst zo goed als nieuw herlezen en brutaal geënsceneerd. Het stuk zou bij haar net zo goed – en misschien zelfs wel beter – Don Philipp kunnen heten: het overslaande hart van de ongelukkige Spaanse kroonprins klopt bijna vier uur lang in de reusachtige slagschaduw van de Spaanse koning, zijn vader en kwelgeest, Philips II, die op zijn beurt wordt verteerd door de herinnering aan zijn grote vader, Karel V.

Don Carlos is begin twintig als hij zich verlooft met de Franse koningsdochter Elisabeth van Valois. Koning Philips besluit haar tot zíjn vrouw te maken, een politiek huwelijk. Carlos moet binnen één etmaal tegen zijn ex-verloofde opeens «moeder» zeggen, iets wat hij niet kan. Zijn boezemvriend, de markies van Posa, net terug uit de opstandige Nederlanden, brengt hem op het idee zijn vader te vragen Carlos het bevel over het Spaanse leger in Vlaanderen te geven, ver weg van zijn geliefde. Philips II weigert. Die taak is aan hertog Alva toebedeeld. Posa trekt de aandacht van de koning, die hem na een lang gesprek vrije toegang tot zijn werkvertrekken toestaat, teneinde te rapporteren hoe de relatie tussen Carlos en Elisabeth zich ontwikkelt. Dan begint Posa te complotteren in de driehoek Carlos, Elisabeth en de prinses van Eboli, Philips’ minnares. Inzet: Carlos alsnog in Vlaanderen te krijgen om een rol te spelen in de vrijheidsstrijd aldaar. Het wordt Posa’s dood. De koning draagt zijn zoon over aan de Inquisitie.

In het programmaboek bij de voorstelling Don Carlos van het Weense Burgtheater staat een boeiend essay over de Spaanse koning als superbureaucraat. Philips II (1527-1598) was een van de machtigste heersers van zijn tijd. Zijn rijk strekte zich uit van Noord-Amerika en Chili tot aan de Filippijnen, van de Nederlanden tot in Napels. Voor het besturen van dat rijk was een immens bureaucratisch netwerk opgezet, waar een archief van dossiers bij hoorde. Voor dat archief werd een burcht gebouwd, Simancas, in de buurt van Valladolid, het enige staatsarchief ter wereld dat sinds de zestiende eeuw compleet bewaard is gebleven. De decor ontwerper van de Weense Don Carlos in de regie van Andrea Breth, Martin Zehetgruber, liet zich voor zijn vormgeving door dat intrigerende feit inspireren. Op een groot draaitoneel dat vrijwel permanent in be weging is, bouwde hij een labyrintische ruimte vol vergaderkamers, eetruimtes, een sauna, een plantenkas, gangen vol archiefkasten. Door dit bureaucraten doolhof fietst Philips’ jongste dochter op een driewieler, en de protagonisten van Schillers koningsdrama verdwalen erin.

Centraal staat Philips II (gespeeld door Sven-Eric Bechtolf). In veel ensceneringen van dit stuk werd de Spaanse koning getoond als oude man, meer de opa dan de vader van Carlos. Op het moment van de handeling is Philips echter 42 jaar, een raspoliticus in de kracht van zijn leven. Zijn tweede vrouw Elisabeth (hier gespeeld door Johanna Wokalek) telt de helft van zijn jaren. Philips is jaloers op Carlos, de vader heeft de zoon de omgang met zijn vrouw/moeder/ex-verloofde verboden. Philips wordt omringd door hielenlikkers die hem, machiavellist en dossiervreter, als het de ja knikkers uitkomt wezenlijke informatie onthouden. En die – evenzeer als het hun uitkomt – tijdbommetjes laten ontploffen. Een van die tijdbommen is het vermoeden dat Philips’ jongste dochter, kroonprinses Clara Eugenia, het meisje dat door het archief driewielert, misschien niet door hém maar door Carlos bij Elisabeth is verwekt. Dat roept een cholerische woede in de koning op, die tot een van de mooiste scènes van deze Don Carlos leidt.

Plaats van handeling: de slaapkamer van Elisabeth. Philips zit bij zijn slapende dochter. Dan betreedt Elisabeth de ruimte. Ze ruikt gevaar, waant haar jonge dochter niet veilig. Er volgt een handgemeen om de dochter, Philips sluit het kind op in een archiefkast, fietst pesterig een rondje op haar kinderdriewieler en begint een keiharde jaloeziedialoog met zijn vrouw. Zij vecht terug, haalt de dochter uit de archiefkast, verwondt de koning met een scheermes, en vlucht met het kind. De scène, waarin veel handelingen voorkomen die Schiller nooit heeft bedacht, is schrijnend: het machtswoord van de man tegenover een symbolische overwinning van de vrouw. Breth over Philips’ jonge koningin: «Ze heeft zich dit huwelijk totaal anders voorgesteld. Ze is moeder natuurlijk, maar ook een gepassioneerde jonge politica. Ze wil deelnemen aan het spel, maar ze moet zich aan Philips’ huisregels on derwerpen. Door dat dilemma belandt ze in het complot van Posa.»

De markies van Posa (hier gespeeld door Denis Petkovic) wordt in Don Carlos vaak neergezet als een romantische idealist, die bij wijze van spreken achter zijn eigen rug om verward raakt in het spinnenweb van de Grote Politiek. Niet bij Andrea Breth, die weinig geloof hecht aan romantische idealisten. Het is wonderlijk wat er met dit personage Posa in deze enscenering van Don Carlos gebeurt, nadat hij is geïntroduceerd als Carlos’ boezemvriend. Philips dwaalt in een doorwaakte nacht door zijn kasten met hangmappen, op zoek naar het dossier van een «waarlijk mens». Hij vindt de Akten Posa en laat de markies bij zich brengen. Dat levert bij Breth een fraaie scène op. Terwijl Posa orakelt over de koning als potentiële be schermer van de vrijheid van denken en meningsuiting schilt Philips grijnzend een sinaasappel, vierendeelt de inhoud en eet die langzaam op. In de ogen van Posa schittert de geilheid: zó dicht in het centrum van de macht is hij nog nooit geweest. Philips is op een cynische wijze geïntrigeerd: hij heeft eindelijk «de mens» gevonden die hij zocht, weliswaar een kwebbelende kwezel, maar wel de eerste in zijn omgeving die níets voor zichzelf vraagt. Philips zal Posa gaan gebruiken, tot de dood erop volgt. Andrea Breth: «Open kaart spelen is hier niet aan de orde. Het gaat om het virus van de macht. Zit je in het systeem van de machtigen, dan begint dat systeem je op te zuigen, te verteren, te veranderen en te manipuleren.»

Het bewegend labyrint van de macht op het draaitoneel van Martin Zehetgruber draait in deze voorstelling op den duur dol. Posa is een ongeleid projectiel geworden en moet dood. Prinses Eboli en de jonge koningin Elisabeth worden gemarginaliseerd. Blijft het probleem van Don Carlos (hier wat bleekjes gespeeld door Philipp Hauss). Hij smeedt plan na plan, niet wetend dat hij achter de feiten aan loopt. De koning weet, zeker nadat het Spaanse volk uit sympathie voor de kroonprins geprobeerd heeft het paleis te bestormen, niet meer hoe hij zijn zoon moet temmen. Dan komt de grote (vaak geschrapte) scène tussen Philips II en de Kardinaal Groot-Inquisiteur. Breth toont hier wie er werkelijk aan de touwtjes trekt (met meer dan een knipoog naar de filmtrilogie The Godfather). Actrice Elisabeth Orth, een vrouwelijke veteraan van het Burgtheater, speelt ijskoud en steriel de Kardinaal, in zwart kostuum met vilten hoed en aktetas. Philips legt de geestelijke het probleem van de onbeheersbare Carlos voor. Bestaat er een nieuw geloof waarin de schizofrenie van de zoon kan worden geëlimineerd? Nee, antwoordt de Kardinaal. Er bestaat slechts het oude geloof, waarin dat probleem heel goed kan worden aangepakt. Dan buigt Philips voor de geestelijke macht, waarop hij als seculiere vorst geen enkele greep heeft. Hij levert zijn zoon over aan de Inquisitie (de Stasi, de Gestapo, de CIA, de maffia?). En hij doet dat met de zinderende slotzin van de voorstelling: «Kardinaal, ik heb het mijne gedaan. Doet u het uwe.»

Duisternis, stilte, huivering. Bijna vier uur hebben de Weners om mij heen zich sissend, grommend, fluisterend afgevraagd of je dít met Schillers klassieker kunt doen. Ze gaven zich gewonnen. En geef ze eens ongelijk. Michael Skasa sloot zijn recensie in het Duitse weekblad Die Zeit in een staccato geschreven tekst af met: «Glasklare Theaterkunst. Gefühls verwirrung. Denkvergnügen.»

Daar heb ik niets aan toe te voegen.

Don Carlos: www.burgtheater.at. Op de Ruhr Triennale in september zal in het portret van regisseur Andrea Breth Don Carlos niet te zien zijn, wel de filmregistratie van de voorstelling door Peter Schönhofer. Van Breth zijn wel op de Triennale te zien: Schillers Maria Stuart en Lessings Emilia Galotti. www.ruhrtriennale.de