Onverdraagzaamheid treft de samenleving als geheel

Zo snel kan dat dus gaan. Een paar jaar terug werd er met een verveeld schouderophalen gereageerd op het Zwarte Piet-debat. We hadden wel belangrijkere zaken aan ons hoofd. En zie nu. Zelfs de Verenigde Naties bemoeien zich ermee.

Afgelopen week riep de VN-commissie CERD, die zich met racisme bezighoudt, de Nederlandse overheid op om een actievere rol te spelen bij het terugdringen van slavernijkarikaturen in Zwarte Piet. Maar Zwarte Piet was niet het enige punt van zorg dat de CERD aanstipte in haar tweejaarlijkse rapportage over Nederland. Er werd ook gewezen op xenofobie in de politiek, racistisch geweld tegen joden en moslims, racistische spreekkoren in voetbalstadions, discriminatie op de arbeidsmarkt, etnische profilering door politie en ga zo maar door. Op al deze punten kan de Nederlandse overheid volgens de CERD nog winst boeken.

Het is goed dat Nederland af en toe op zijn broek krijgt van een buitenlandse of binnenlandse anti-racismeorganisatie. Maar wat vertelt de CERD ons eigenlijk dat we niet al weten? Het ontbreekt in Nederland niet aan inzicht in racistische en discriminerende tendensen. Bijna geen enkel ander land houdt dat zo goed bij. Mede op basis van die informatie kunnen organisaties als de CERD zulke harde noten kraken over Nederland. Twee jaar geleden gebeurde dat ook al door de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI).

Inzicht in de omvang en aard van racisme en discriminatie is dus niet het probleem in Nederland, ook het initiëren van beleid daarop niet. Bureaucratisch weten we er heel goed mee om te gaan. Maar oprechte morele betrokkenheid, zeker in de politiek, is die er ook? Zie premier Rutte. Hij zal vast antidiscriminatoir beleid steunen, maar waar is zijn doorleefde besef dat Nederland in moreel opzicht achterblijft als het sommige inwoners op basis van hun achtergrond structureel achterstelt? Dit jaar gaf hij allochtone jongeren het advies om discriminatie op de arbeidsmarkt te overwinnen door zich ‘in te vechten’. Dat kun je alleen zeggen als de pijn van de gediscrimineerde je niet raakt, je niet treft in je gevoel voor rechtvaardigheid.

Niet alleen Rutte maakt zich schuldig aan zo’n laconieke houding. De CERD merkte het ook op bij de rest van de landelijke overheid. Antidiscriminatoir beleid werd heus wel opgetuigd, maar had niet de hoogste urgentie. Veel beleid wordt ook overgelaten aan gemeentebesturen die er niet helemaal op toegerust zijn. Niemand die zijn eigen morele zielenheil verbindt aan de strijd tegen racisme en discriminatie.

Dat kun je doortrekken naar andere bestuurslagen en instituten. Beleid genoeg om discriminatie en racisme tegen te gaan – bij politie, scholen, uitgaansleven – maar waar zijn de mensen die over dit probleem spreken als een collectief falen? Die antidiscriminatoir beleid niet beschouwen als corveewerk onder aan het lijstje prioriteiten?

Afgelopen maand ging een filmpje viral van een Duitse nieuws-lezeres die tv-kijkers opriep om zich te laten horen tegen racistische geweldplegers die het gemunt hadden op vluchtelingen. Het was geen makkelijk vertoon van morele superioriteit. Er sprak uit haar woorden een morele lotsverbondenheid: aanslagen treffen niet alleen vluchtelingen, ze treffen de hele Duitse samenleving. De actie van de nieuwslezeres werd in Nederland met veel gejuich ontvangen.

Dat is veelzeggend. We rapporteren discriminatie en racisme redelijk minutieus in Nederland. Bureaucratisch hebben we het probleem in een houdgreep. Maar over onverdraagzaamheid spreken alsof het een affront is tegen de hele samenleving is een houding die we iets minder gecultiveerd hebben.