Politionele acties

Onverklaarbare geluiden drongen ons Jappenkamp binnen

Deze week zeventig jaar geleden startte Nederland met de Eerste Politionele actie, een poging om de Indonesische republiek met geweld te vernietigen. Onderhandelingen over een vreedzame overgang waren vooral mislukt door de Nederlandse onderschatting van de aanhang van de nationalisten, blijkt uit de memoires van Wim Wertheim en Hetty Wertheim-Gijse Weenink.

Wim en Hetty Wertheim op eerste standplaats Zuid-Sumatra (1931).

15 augustus 1945
Niet kunnen slapen. Ik besef nu dat honger gek kan maken. Midden in de nacht komt Saar op onze kollong (brits) en zegt ‘’t is vrede!’ ‘Toe, schei uit’, we kennen die praatjes nu wel.

17 augustus 1945
Ineens van alles dubbele porties. Ongelooflijk! Er hangt wat in de lucht. ‘s Avonds ontzaglijk veel lawaai buiten het kamp. Of er kermis is. En telkens harde stemmen door de loudspeakers. Wat zou dat zijn? ‘Och, het is een inlands feest’, zeggen mijn kampgenoten. Nee, inlandse feesten zijn over het algemeen naar ons idee juist erg stil. Ik wil horen wat er gezegd wordt. Ben ’s avonds naar het gedèk (de omheining) gegaan en heb lang staan luisteren, maar het was toch te ver, ik kon het niet verstaan. Maar dat er iets bijzonders aan de gang is, geloof ik vast.

Dit zijn dagboekfragmenten van mijn moeder uit het kamp ADEK, waarin ze samen met mij en mijn zus en broertje verbleef. Het kamp was gebouwd voor koelies, arbeiders die waren geworven voor de tabaksplantages op Sumatra. We waren daar met 2.500 vrouwen en kinderen opgesloten, per zaal zo’n honderd. Op de houten britsen langs de wanden had ieder een slaapplaats van vijftig centimeter breed. De laatste maanden in ADEK waren zwaar. Op 31 juli 1945 moesten we zeven uur in de tropenzon staan, omdat Indonesische bewakers waren ontsnapt in kleren van onze kampgenoten. De Japanners sloegen de opgepakte Indonesiërs voor onze ogen tot bloedens toe om uit hen te krijgen met wie van ons zij die kleren hadden geruild voor eten – en dat lukte uiteindelijk. Hadden we toen maar geweten dat onze bevrijding zo dichtbij was.

Wat mijn moeder in haar dagboek beschrijft, is intrigerend. Ze verstond, sprak en schreef uitstekend Indonesisch maar kon de woorden uit de luidsprekers niet verstaan. Toch voelde ze instinctief aan dat er een historische gebeurtenis plaatsvond: om tien uur die ochtend van de zeventiende augustus 1945, twee dagen na de Japanse capitulatie, stonden Soekarno en Hatta met een groepje medestanders op de voorgalerij van het huis waar Soekarno na zijn jarenlange gevangenschap en verbanning was komen te wonen, vlakbij het ADEK-kamp. In de voortuin was een bamboestok geplant met daaraan een rood-witte vlag – het verboden symbool van de onafhankelijkheid – die de nacht tevoren haastig in elkaar was genaaid. Soekarno las met Hatta aan zijn zijde een korte verklaring voor van een papiertje. De festiviteiten zouden tot diep in de avond duren.

Een zitting van de landraad omstreeks 1910

Het dagboek van onze moeder gaat verder:

22 augustus 1945
We horen dat we nog een poos in de kampen moeten blijven. Onze commandante wilde de Hollandse vlag hijsen, maar dat mocht niet. ‘De bevolking is niet te vertrouwen’, wordt er gezegd. Hoe stiller we ons houden, hoe beter. Is dat nu vrede? En waar blijven onze mannen? Leven ze nog?

30 augustus 1945
Eindelijk berichten van het Rode Kruis. Goddank, Wim leeft! Maar de man van Ans is dood, ook die van Mia, ook die van Judith. Oh, wat een ontzetting allemaal. (…) Hoe kunnen we nu feestvieren? En we moeten in het kamp blijven. Onder bescherming van de Japanners (…) ze zijn plotseling van vijand tot beschermer en vriend geworden.

31 augustus 1945
We lezen in een Maleise krant, die eindelijk is binnengekomen, dat Soekarno en Hatta op 17 augustus een Indonesische Republiek hebben uitgeroepen. De meesten van ons maken zich alleen maar boos of vrolijk over dit ‘belachelijk gedoe’: ‘Straks zullen onze mannen daar wel gauw een einde aan maken’, zeggen ze. Dát was dus de stem door de loudspeakers op die avond van de 17de augustus geweest. Dát was dus het ‘inlandse feest’ waaraan geen aandacht werd geschonken!

Mijn ouders waren in de jaren dertig om economische redenen naar Indië gegaan. De economische crisis in Nederland had gemaakt dat de kolonie nog een van de weinige plekken was waar je als net-afgestudeerde jonge man een baan kon vinden. Ze aanvaardden in eerste instantie de koloniale verhoudingen als een gegeven, zo blijkt uit hun memoires en dagboeken. Ze verkeerden weliswaar in Nederland in progressieve kringen, ze maakten bijvoorbeeld samen muziek bij het gouden jubileum van de promotie van Aletta Jacobs in 1929, maar ook daar was men nog overtuigd van de redelijkheid van de blanke overheersing over de gekleurde volkeren.

Op de boot naar Indië werden ze geïndoctrineerd door terugkerende verlofgangers die hen waarschuwden voor stelende Indonesische bedienden en hen op het hart drukten vooral afstand te bewaren. Toen ze bij aankomst in Tandjoeng Priok, de haven van Batavia, verwelkomd werden door een oude oom die daar getrouwd was met een Indo-Europese, betrapte mijn moeder zich erop dat ze heel even had gehoopt dat hun nieuwe bootvrienden het gezelschap van getinte neven en nichten niet hadden opgemerkt.

Op hun eerste standplaats op Zuid-Sumatra zorgde hun onbevangen houding tegenover de Indonesiërs en de Indo-Europeanen echter al snel voor pijnlijke botsingen met de rassenmuren en nam hun twijfel toe. Mijn vader werkte voor de landraad voor de berechting van Indonesiërs. Zijn groeiende verontrusting over de verschillen tussen deze landraden en de rechtbanken waarvoor de Europeanen moesten verschijnen, besprak hij met mijn moeder die ook juriste was. Hun ogen werden verder geopend toen mijn vader in 1936 hoogleraar werd aan de Rechtshogeschool van Batavia. Ze kregen te maken met Indonesische intellectuelen die sympathieën koesterden voor de onafhankelijkheidsbeweging. Bij ons thuis ontvingen ze elke veertien dagen een tiental Indonesische studenten en mijn vader zei tegen mijn moeder: ‘De goede studenten zijn vrijwel allemaal nationalist!’

Mijn moeder werd lid van de ‘Hutspotclub’, een vrouwenclub die gemeenschappelijke maaltijden organiseerde. In het bestuur waren de drie ‘rassen’– Indonesiërs, Chinezen en Europeanen – gelijkelijk vertegenwoordigd en tijdens de maaltijden moest men zoveel mogelijk ‘dooreengehutst’ plaatsnemen. Aanvankelijk vonden de Europese vrouwen het vanzelfsprekend dat de avonden geleid werden door een Hollandse, maar toen ‘van oosterse zijde’ gevraagd was dit bij toerbeurt te doen, gaf men daar tenslotte aan toe.

Mijn vader werd in 1941 benoemd in de Commissie-Visman, die bestond uit drie Nederlanders, drie Indonesiërs en een Chinees, die zich moest bezighouden met staatsrechtelijke hervormingen in de verre toekomst, na de bevrijding van het moederland in Europa. ‘De Indonesische leden zijn handelbaar’, concludeert hij in zijn memoires. ‘Anders zouden zij niet in de commissie zijn benoemd. Het zijn stuk voor stuk bekwame mensen. Maar geen mensen die een scherp standpunt innemen. Dit hebben zij in de koloniale bureaucratie geleerd.’ Het uiteindelijke rapport inventariseert de wensen die leefden bij de verschillende bevolkingsgroepen over de toekomstige staatsinrichting van Indonesië. Alle wensen? Nee, de opvatting ‘Indië los van Holland’ werd niet vermeld. Mijn vader schrijft daarover na de oorlog: ‘De criticus van 1946 denkt met schaamte aan een in 1941 geplaatste handtekening.’

Los van elkaar zijn mijn ouders pas in de kampen tot de conclusie gekomen dat het Indonesische volk recht had op onafhankelijkheid, zo hebben zij altijd benadrukt. Allereerst speelden hun eigen ervaringen met vernedering, racisme, onrecht en honger in de Japanse kampen een rol. Zij wilden dat anderen niet aandoen. Daarnaast scherpten de kampen hun geest. Ze lazen boeken die door gevangenen het kamp mee ingenomen waren en onderling werden geruild en discussieerden met hun medegevangenen. Onder hen leerde mijn vader vooral veel van de socialisten Bernard van Tijn en Jaap de Haas, die beiden de Indonesische onafhankelijkheid aanhingen.

De eerste had hij leren kennen als secretaris van de Commissie-Visman en de tweede had als kinderarts belangrijk werk gedaan voor de gezondheidszorg in Indië. Ook sprak hij met de toen nog linkse Jacques de Kadt, die ervan overtuigd was dat Indonesië na afloop van de oorlog onafhankelijk zou worden. Mijn vaders twijfel of Indonesiërs nu al in staat waren een staat te besturen, wuifde De Kadt zelfverzekerd weg: ‘Och, misschien zullen ze het niet zo goed doen, maar wat zou dat? In Zuid-Amerika zijn er heel wat republieken waar de zaken niet al te best gaan – maar het zijn toch onafhankelijke staten.’

Het uitdelen van het eten, getekend door Marijke en Anne-Ruth Wertheim © Uit: ‘De Gans eet het brood van de eenden op, mijn kindertijd in een Jappenkamp op Java’ (1994)

Half september 1945 kwamen mijn vader en zijn goede vriend Jaap de Haas tot de conclusie: ‘Onder de Nederlanders heerst de vaste overtuiging dat de Indonesische republiek niets anders is dan een Japans maaksel om de geallieerden, en in het bijzonder ons Hollanders, dwars te zitten. Maar wij zijn er allebei van overtuigd dat de situatie veel gecompliceerder is. De republiek was door Soekarno en Hatta, op aandrang van een groep jonge nationalisten, al enkele dagen na de capitulatie geproclameerd, juist om tegenover de geallieerden de schijn van Japanse machinaties te vermijden. Wel waren er enkele hooggeplaatste Japanse militairen geweest die uit sympathie voor het Indonesische onafhankelijkheidsstreven bij de proclamatie enige clandestiene steun hadden verleend – maar daarmee was de republiek nog geen Japanse creatie!’

Op 30 augustus 1945 liepen mijn vader en een vriend weg uit hun kamp bij Bandoeng en ze reisden met de trein naar Batavia. Later vertelde hij altijd glunderend dat zoiets in warrige tijden helemaal niet moeilijk is, ze waren gewoon de poort uitgelopen en de Japanners hadden het nakijken gehad. Ze richtten in allerijl het Bataviase Rode Kruis op en achterhaalden waar hun vrouwen en kinderen zaten. Op 9 september zag ik hem opeens bij ADEK aankomen op een gammele fiets, je hoorde de trappers kraken. Hij had een korte broek aan, wat je nu een T-shirt zou noemen en slippers aan zijn blote voeten en we herkenden elkaar meteen. Al gauw mochten wij zelfs om de beurt een weekend bij hem logeren in het huis van de Chinese vrienden waar hij gastvrij onderdak had gekregen in hun garage. Niet lang daarna vond mijn vader voor ons gezin een tijdelijke woning aan de Javaweg. Ons eigen huis was tot en met de elektriciteitsdraden leeggeroofd. Er was intussen ook contact gelegd met onze familie in Holland, die natuurlijk ontzettend blij was dat wij de oorlog hadden overleefd.

Over zijn eerste indrukken in Batavia schrijft mijn vader in zijn memoires: ‘Het stadsbeeld van Batavia was in de drieëneenhalfjaar dat ik opgesloten was geweest nogal veranderd. Maar in de eerste weken van september waren het meest opvallend de antikoloniale opschriften, aangebracht op muren en trams, meestal in het Engels. Zij waren duidelijk bedoeld om, wanneer geallieerde troepen zouden landen, deze duidelijk te maken dat herstel van de koloniale verhoudingen door het Indonesische volk niet gewenst werd.’

Slaapplaats, getekend door Marijke en Anne-Ruth Wertheim © Uit: ‘De Gans eet het brood van de eenden op, mijn kindertijd in een Jappenkamp op Java’ (1994)

Half november 1945 had mijn vader een bespreking met de persoonlijke afgezant van de Nederlandse minister van Overzeese Gebiedsdelen, waarin hij ervoor pleitte contact te leggen met Soetan Sjahrir, de aanstaande premier van de Republiek Indonesië. ‘Ik zet uiteen dat met het aan het bewind komen van het kabinet-Sjahrir een unieke gelegenheid is geschapen voor onderhandelingen, en dat Nederland deze kans met beide handen moet aangrijpen’, schrijft hij in zijn memoires. ‘Ik betoog waarom de facto erkenning van de Republiek mijns inziens politiek onvermijdelijk is. Ik dring erop aan, dat men Sjahrir, nog vóór zijn kabinet aanstaande zondag (25 november) met het republikeins vertegenwoordigend lichaam wordt geconfronteerd, vérgaande tegemoetkomingen op politiek gebied in het vooruitzicht zal stellen, teneinde zijn positie tegenover terroristen en extremisten te versterken. Dit zal niet makkelijk vallen, daar in deze novembermaand persoonlijke contacten tussen Nederlanders en Indonesiërs vrijwel onmogelijk zijn geworden.’ Mijn vader krijgt de opdracht te proberen contact op te nemen met Sjahrir.

Op een warme novembermiddag speelde ik met mijn zus en broertje aan de achterkant van ons huis in Jakarta. De aarde was warm en vochtig en heel geschikt om er een groot kasteel van te bouwen. We lieten steentjes die ridders voorstelden heen en weer rennen en schreeuwden lekker hard naar elkaar. Plotseling kwam onze moeder naar buiten lopen. Ze fluisterde ons toe dat er een Indonesiër op bezoek zou komen en omdat niemand dat mocht weten, zou hij zijn auto in de achtertuin parkeren. Beduusd zaten we op de stoep van de galerij en vroegen ons af of ons kasteel gespaard zou blijven. Een zwarte auto kwam met grote vaart de oprijlaan inrijden, maakte een scherpe bocht naar links de achtertuin in en… stopte vlak voor ons kasteel. Soetan Sjahrir stapte uit en werd snel mee naar binnen genomen.

De non-conformistische intellectueel Sjahrir had een grote aanhang onder jongeren. Hij was een linkse socialist en antifascist die altijd had geweigerd om met de Japanners samen te werken en daardoor was hij voor de Nederlandse autoriteiten de enige aanvaardbare gesprekspartner aan nationalistische kant. Hij had kort in Nederland gestudeerd, waar hij bevriend raakte met socialisten als Jef Last, Sal Tas en Jacques de Kadt, die niets moesten hebben van de sociaal-democratische SDAP die bevolkt werd door ‘champagne drinkende hypocrieten’. Hij kreeg een relatie met Maria, de vrouw van Tas, en zij volgde hem naar Indonesië waar de geliefden een islamitisch huwelijk sloten. Hand in hand liepen ze door Medan, allebei in traditionele kleding. Dat was meer dan de blanke Nederlanders aan konden en Maria werd na vijf weken op de boot naar Nederland gezet. Het stel zou elkaar pas na de Tweede Wereldoorlog weer zien.

Sjahrir werd kort daarop vanwege zijn nationalistische redevoeringen geïnterneerd in het beruchte strafkamp Boven-Digoel op Nieuw-Guinea, dat met opzet midden in het ondoordringbare oerwoud was gebouwd, waar het wemelde van de malariamuggen, en daarna jarenlang verbannen naar de afgelegen Banda-eilanden, van waaruit hij lange, literaire brieven schreef aan Maria. Al op 21 februari 1936 getuigde hij daarin van zijn vooruitziende blik:

‘Van één ding ben ik zeker: dat deze koloniale regering en, meer nog, de koloniserende Nederlanders er eens spijt van zullen hebben dat ze nooit een politiek van grote lijnen, van verre perspectieven hebben gevoerd, aangepast aan de moderne, veranderende wereldstructuur, dat ze nooit en nooit, zelfs maar één moment aan bewuste, culturele politiek voor de Indonesische bevolking hebben gedacht! Ik voor mij ben ervan overtuigd dat deze kortzichtigheid, deze befaamde Hollandse ‘degelijkheid’ en het gemis aan verbeelding en durf zich van nu af aan zullen gaan wreken. (…) Tenslotte zullen ze natuurlijk die richting toch op moeten, maar dan zal het ook wel te laat zijn. Als banneling kan ik alleen maar zeggen: we zullen zien.’

Sjahrir was ook kritisch over de onafhankelijkheidsbeweging zelf. De pure nationalisten hadden volgens hem een gebrek aan ‘open-mindness en ze moeten zich bevrijden van achterdocht, haat en hun minderwaardigheidscomplex’. Pas dan kon er gelijkwaardigheid ontstaan. Al snel zag hij de opkomst van het fascisme als de grootste bedreiging van de wereldvrede.

In 1938 stelde hij in een open brief dat ‘op het moment dat de oorlog in de Pacific komt, de volksbeweging zal moeten samenwerken om het land te verdedigen’. Om dit te bereiken moest de Nederlandse autoriteit een deel van de macht overdragen aan de volksbeweging. Ze moest de beweging als een gelijkwaardige bondgenoot beschouwen.
Sjahrir en mijn vader hadden verschillende gemeenschappelijke vrienden en kennissen en het gesprek verliep voorspoedig.

Mijn vader schrijft over dit bezoek: ‘Wij lopen door naar mijn werkkamer. De staatsman, nu premier, blijkt in wat ik hem vertel hogelijk geïnteresseerd. Hij kan uiteraard op geen van de vragen definitief antwoorden zonder zijn kabinet te raadplegen. Maar zijn reactie is niet bij voorbaat negatief, en hij wijst de mogelijkheid van onderhandelingen niet a priori af. Het gesprek, dat meer dan een uur duurt, komt op de terreur, waarmee ik door mijn Rode Kruiswerk in nauwe aanraking kom. Sjahrir toont zich ontsteld door wat ik hem vertel – had van de omvang van het verschijnsel geen idee. Mijn contact met Sjahrir was, vooral voor hem, niet ongevaarlijk. Nog op 21 november was een aanslag gepleegd op Moh. Roem, een gewezen student van mij en medewerker van Sjahrir, misschien door extremistische elementen die tegen onderhandelingen met de Nederlanders waren; Roem was toen ternauwernood aan de dood ontsnapt.’

De volgende ochtend volgt echter de domper. Hij schrijft daarover: ‘De volgende ochtend vroeg klim ik op de fiets en rijd naar het paleis, om verslag uit te brengen. In twee woorden moet ik de inhoud van een gesprek van een uur weergeven. Enigszins uit het veld geslagen voldoe ik aan het verzoek maar veel geloof in mijn zending heb ik niet meer.’ Na nog wat blijken van onverschilligheid van de kant van de Nederlandse gezagsdragers, stelt mijn vader teleurgesteld vast dat zij zijn medewerking bij het uitvoeren van hun politiek kennelijk niet meer nodig hebben. ‘Zo eindigde mijn eerste en laatste politieke missie.’ Begin 1946 keerden we terug naar Nederland.

Het Proklamasi-monument in 2016 © Bregje Wertheim

Het contact tussen Sjahrir en de Nederlandse autoriteiten is echter gelegd. Moeizame gesprekken en onderhandelingen volgen. In de brochure Nederland op den Tweesprong verzucht mijn vader: ‘En zoo maakt de regering het Sjahrir telkens weer haast onmogelijk om zijn oppositie duidelijk te maken dat het toch zin heeft met de Hollanders te onderhandelen. Is men in bepaalde kringen nog steeds huiverig voor den socialist Sjahrir? Beseft men dan nog steeds niet, dat als Sjahrir wegvalt, er niets in de Indonesische maatschappij overblijft, waarmee men als Hollander zaken kan doen?’

Uiteindelijk leidden de gesprekken op 15 november 1946 tot de overeenkomst van Linggadjati, waarbij Nederland beloofde het gezag van de republiek over Java, Madoera en Sumatra te erkennen, waarbij de republiek onderdeel zou worden van de Verenigde Staten van Indonesië, die onderdeel zouden worden van de Nederlands-Indonesische Unie, onder leiding van de Nederlandse koning. Het compromis was vanaf het begin aan beide zijden omstreden en op 20 juli 1947 zegde Nederland het verdrag op. Een dag later startte de zogenaamde eerste politionele actie, waarmee de afscheiding van Indonesië daadwerkelijk ontaardde in een oorlog.


Gebruikte literatuur

  • Rudolf Mrázek: Sjahrir: Politics and Exile in Indonesia (1994)
  • Wim Wertheim en Hetty Wertheim-Gijse Weenink: Vier wendingen in ons bestaan, Indië verloren, Indonesië geboren (1991)
  • W.F. Wertheim: Nederland op den Tweesprong: Tragedie van den aan traditie gebonden mensch (1946)
  • W.F. Wertheim: Indonesië, van vorstenrijk tot neo-kolonie (1978)
  • Sutan Sjahrir: Indonesische Overpeinzingen, Amsterdam (1966)
  • Anne-Ruth Wertheim: De Gans eet het brood van de eenden op, mijn kindertijd in een Jappenkamp op Java (1994)

Een bewerkte vertaling van dit stuk is verschenen op de Indonesische historische site Historia. Een Engelse vertaling is hier te vinden.