Profiel: Martin Walser

Onverkrampt zwaargewicht

«Niemand begrijpt mij. Niemand durft mij werkelijk te begrijpen.» Hoe vaak heeft de controversiële Duitse schrijver Martin Walser (1927) deze woorden niet verzucht nadat een van zijn boeken, essays of speeches leidde tot heftig tumult over de vraag hoe zijn land moet omgaan met het zwaar belaste verleden? Walser heeft met zijn nieuwste roman Der Tod eines Kritikers meer dan ooit tevoren dwars over het Duitse geweten heen gewalst. Althans, dit effect heeft hij bereikt nog voordat zijn roman onder ogen is gekomen van het brede lezerspubliek. Het schandaal was reeds geboren toen de Frankfurter Allgemeine Zeitung vorige week na lezing van het manuscript een voorpublicatie weigerde en een van de hoofdredacteuren, Frank Schirrmacher, het besluit in een open brief aan Walser als volgt motiveerde: «Dit boek is een document van haat vol antisemitische clichés.» Zonder één letter in het boek te hebben gelezen, betoogden critici dat Walser dit keer écht te ver was gegaan.

Martin Walser is als schrijver de hemel in geprezen. In de vele controverses die hij achter zich heeft liggen, kreeg hij altijd veel lof vanwege zijn moed «om de verlammende werking van de herinnering aan de catastrofe van Hitler-Duitsland te doorbreken». Maar nu heeft de beroemde en veel gelauwerde schrijver, met een ruim oeuvre van tien romans, toneelstukken en honderden essays, zelfs de steun van zijn trouwe aanhangers, zoals tot voor kort ook Schirrmacher, verloren. Het uitgebroken nationale debat in de Berliner Republik toont andermaal hoe sterk gepolariseerd de politieke cultuur is — links en rechts verwijten elkaar morele chantage van het geweten — en hoe het nazi-verleden daarin een open zenuw blijft.

Waar zit de pijn in dit boek dat, als het binnenkort zal uitkomen bij Suhrkamp Verlag, niet meer de kans krijgt onbevangen te worden gelezen? Afgaand op de Duitse pers blijkt het ogenschijnlijk onschuldige plot te worden uitgelegd als een uiterst beladen sleutelroman.

Het verhaal handelt over de moord op de gevierde stercriticus André Ehrl-König. Deze spreekt Duits met een lichte Jiddische tongval en heeft joodse voorvaderen, onder wie slachtoffers van de holocaust. Een bekende schrijver wordt verdacht van de moord op de criticus. Aan het einde van het boek blijkt Ehrl-König niet te zijn vermoord maar heeft hij zich slechts dood gehouden om zich te kunnen verpozen met zijn geliefde.

Schirrmacher zegt niet anders te kunnen dan het relaas te interpreteren als een perverse afrekening met de Pools-joodse literatuurpaus Marcel Reich-Ranicki, van wie iedereen in Duitsland weet dat diens hele familie is omgekomen in de vernietigingskampen van het Derde Rijk. «Het is een moordfantasie op een overlevende van de holocaust», zegt hij. «De lust tot denigreren is helaas evident.» Helemaal afstotend vindt Schirrmacher de zin die de kettingrokende, amper Duits sprekende vrouw van de criticus uitspreekt: «Gedood worden past toch niet bij André Ehrl-König.» Schirrmacher: «Tegen de achtergrond van het feit dat Marcel Reich-Ranicki de enige overlevende van zijn familie is, vind ik de zin, die gedood worden of overleven tot een karaktertrek maakt, schandalig (…). Van de weinige mensen die de opstand in het getto van Warschau hebben overleefd, leeft nog maar een fractie van een fractie. Twee van hen, die dus tegen alle waarschijnlijkheid nog in leven zijn, zijn de thans 82-jarige Marcel Reich-Ranicki en zijn vrouw Teofila. Begrijpt u dat wij een roman die erom draait dat deze moord in fictie alsnog wordt gepleegd, niet afdrukken? Begrijpt u dat wij de hier verhuld terugkerende stelling dat de eeuwige jood onkwetsbaar is, geen forum zullen bieden?»

Een criticus in de Frankfurter Rundschau stelt in zijn artikel met als titel «Tod eines Autors» dat de kern van het hele boek is dat «Walser een matrix heeft uitgewerkt die de door schuld en schande neurotisch gestoorde Duitse ziel direct in verband brengt met een samenhang tussen individuele en collectieve moordfantasie. Daarmee is het een smakeloos en gevaarlijk boek geworden.»

In andere stukken wordt breed uiteengezet hoe Walser in zijn eerdere boeken persoonlijke vetes uitvocht door bestaande mensen op een herkenbare positieve dan wel negatieve manier als romanfiguren neer te zetten. In zijn fictieve wereld zet Walser de werkelijkheid naar zijn hand. Dit kokette spel raakt vaak aan de grens van directe vernedering en verraad. De geraffineerde wijze waarop hij in enkele boeken een diepere dreun van persoonlijke rancune afgeeft, verklaart ongetwijfeld de ongekend emotionele reacties die hij met zijn werk weet op te wekken. In sommige boeken en essays verstrengelen persoonlijke animositeit en rancune zich met grotere inhoudelijke vraagstukken.

De auteur reageerde vorige week in opperste verbazing op wat hij nu weer had losgemaakt. In een radio-interview zei hij: «Ik word weer eens niet begrepen. Ik had nooit, nooit, nooit kunnen denken dat dit boek met de holocaust zou worden verbonden. Wat ik heb geprobeerd is een beeld te schetsen van de benauwde, incestueuze wereld tussen schrijvers, uitgevers en critici. Niets meer en niets minder.»

Zijn naïeve opstelling wekt minstens zoveel woede als de strekking van zijn geschrift. Bij iedere rel wordt hem verweten dat een zwaargewicht als hij met een belangrijke publieke functie zijn woorden zorgvuldiger zou moeten kiezen. Maar behoedzaam opereren is juist waarin Walser geen zin heeft. Het gaat hem om de autonomie als auteur en individu en niet om de morele voortrekkersrol die veel intellectuelen in zijn land zo lang hebben gespeeld. Zijn directe presentatie, zoals hij vooral aan de dag legt in essays en spreekbeurten, vormt bovendien bewust onderdeel van zijn strijd tegen wat hij noemt de «de bevoogding van de moraal die in een wurgende greep wordt gehouden door het holocaustverleden». Volgens Walser wordt «Auschwitz gebruikt als morele knuppel in een hedendaagse politieke en intellectuele strijd». Hij wil af van het idee dat elk zogenaamd conservatief geluid onmiddellijk door kritische linkse intellectuelen wordt vertaald als een poging het bruine verleden te vergoelijken en uitingen zijn van een nieuwe fascistoïde politiek. Daarmee schaart Walser zich onder een groep pragmatische intellectuelen zoals Peter Sloterdijk en Botta Straus, die de toon hebben gezet in de jaren negentig. Zij rekenen luid en duidelijk af met de dominante links-liberale consensus van de generatie ’68 onder leiding van Jürgen Habermas, die met haar moralisme en utopisme de pretentie had exclusief te waken over het loodzware, naoorlogse Duitse geweten, en de beschermer was van de nieuwe democratie en de morele fundamenten van de Bondsrepubliek.

Walsers bekendste controverse is zijn dispuut uit 1998 met de toenmalige president van de Centrale Joodse Raad van Duitsland, Ignatz Bubis. In zijn dankwoord bij de aanvaarding van de vredesprijs van de Duitse boekhandel sprak Walser over de «instrumentalisering van onze schande voor eigentijdse doeleinden», en betoogde dat de eindeloos herhaalde beelden van de concentratiekampen een uitnodiging zijn tot wegkijken. Bubis betichtte hem na afloop van «morele brandstichting». Hij zou een nieuw nationalisme propageren dat verlost is van het slechte geweten. De bevrijding daarvan loopt volgens Bubis uit op een ontkenning. Walser zegt dat het precies omgekeerd is: hij wil absoluut niet de ellende van de holocaust ontkennen of relativeren. Maar hij vraagt zich af hoe men de vrijheid van geweten kan verdedigen tegenover de routine en dwang van het herdenken. Het geweten is volgens hem een private aangelegenheid — «iedereen is uiteindelijk met zijn geweten alleen» — en wordt door de publieke bekentenissen van schuld en boete misvormd. «Er is ook zoiets als de banaliteit van het goede, de dwang van de goede bedoelingen», zei hij als omkering van de Hannah Arendt-uitspraak «de banaliteit van het kwaad». «Men rijdt een tijdje mee met de schuld-en-boete-trein, omdat men zich verplicht voelt om mee te rijden, maar tijdens de reis denkt men aan andere zaken.» Het ritueel van herdenken is onderhevig aan inflatie. Tegen over monumentalisering van de schande stelt hij een privatisering van het herdenken. Hij vindt dat zijn land langzamerhand in de fase is gekomen waarin het normaal met zichzelf en het verleden moet kunnen omgaan.

Van Martin Walser kan niet worden gezegd dat hij in zijn lange loopbaan als schrijver, essayist en publiek spreker het verleden heeft ontkend. Zijn hele oeuvre kan zelfs worden gezien als een poging om werkelijk te willen doorgronden waarom Duitsland in 1933 massaal achter Hitler aanholde.

Zijn eigen kleinburgerlijke achtergrond in de zuidelijke grensstreek hanteert hij bij zijn zoektocht als een prototypische nazi-voedingsbodem. Geboren in 1927 als zoon van een herbergier in Wasserburg am Bodensee beleefde hij de oorlog zoals de meeste gewone Duitsers. Hij bezocht de middelbare school en nam vanaf zijn zestiende deel aan de verplichte Arbeits- und Wehrdienst. Maar ook sneuvelde zijn broer en zag hij hoe zijn diepreligieuze moeder met overtuiging toetrad tot de NSDAP. Later heeft hij in zijn boek Ein springender Brunnen (1998) de omstandigheden beschreven waaronder zijn moeder tot deze keuze kwam. Ook in andere boeken probeert hij gewetensvol de wereld van de verliezers zorgvuldig uiteen te zetten.

Paul Scheffer zegt daarover in een essay in de bundel Gegijzeld door het verleden: «Zijn denken over Duitsland is gevormd door een genegenheid voor de verliezer die hij in zijn essays en in zijn literaire werk heeft getoond. De belangrijkste romanfiguren van Walser zijn helemaal geen helden, maar mensen die kommervol door het leven gaan. De verliezers zijn van alle tijden, maar hun levensverhaal is opgenomen in de grotere geschiedenis van een natie die het onderspit heeft gedolven. Zoals we weten wordt de geschiedenis geschreven door winnaars. Het is bijna een standaardformulering in het werk van Walser. Degenen die aan de foute kant van een historische afrekening terechtkomen, wordt het recht tot spreken ontzegd. Ze hebben verloren, maar zijn nog in leven, dus wat hebben ze te klagen?»

Scheffer stelt dat de vereenzelviging van Walser met de verliezers te maken heeft met zijn eigen bekendheid met de lagere middenklasse. Walser benadrukt telkenmale afkomstig te zijn uit de kleinburgerij. Dat is volgens Walser weliswaar de historisch doorslaggevende klasse, maar het is een klasse zonder identiteit die zichzelf uitbuit. De klasse bestaat volgens hem uit «mensen die altijd te veel werken, die hun leven eigenlijk nooit in het heden doorbrengen maar altijd iets najagen».

Walsers boeken worden bevolkt met dit soort kleine lieden die slachtoffer worden van omstandigheden. Zoals Scheffer schrijft: «Walser probeert in zijn romans en essays het verhaal van de verliezer te schrijven, om zo een gevoel van eigenwaarde onder de puinhopen vandaan de redden. Zo creëert hij ruimte voor verhalen van gewone mensen die niet worden overwoekerd door morele waarheden die van latere datum zijn.»

Zijn vertelperspectief wordt echter niet door iedereen gewaardeerd. In 1998 vroeg Reich-Ranicki zich verbijsterd af hoe hij romans kon schrijven over zijn jeugd in Hitler-Duitsland zonder nadrukkelijk te verwijzen naar Auschwitz. De openlijke vijandschap tussen de criticus en de schrijver, tussen de twee elkaar bestrijdende «pausen van de literatuur», dateert al van veel vroeger. Eind jaren zeventig ontwikkelde Walser grote weerstand tegen de linkse conventies en reflexen. Tot dan toe gold hij als lid van de Gruppe 47 als een uitgesproken linkse schrijver, die zich net als zijn collega Günther Grass liever bezighield met internationale politieke thema’s.

Zonder duidelijke aanleiding ontpopte hij zich steeds meer tot iemand die zich ging richten op de problematiek van de Duitse natie en zorgvuldig aftastend zocht naar een nadere invulling van de omstreden begrippen «volk», «Heimat» en «nationalisme». Tegen de stroom in opperde hij voorzichtig zich als Duitser ongemakkelijk te voelen in het kunstmatig gedeelde land. In die tijd was iedere verwijzing naar Wiedervereinigung nog een taboe. Maar ook besefte hij dat zijn geworstel met de Duitse deling en het oorlogsverleden niet onproblematisch was. Hij zei: «Elke Duitser van mijn generatie heeft een gestoorde relatie met de werkelijkheid. Dat geldt voor zowel de verliezers als de slachtoffers van de oorlog.»

Walsers verdienste is altijd geweest dat hij met zijn geroer in het verkrampte geweten de Duitsers dwong ook te voelen hoe het antisemitisme heeft geleid tot massavernietiging. Maar de rücksichtslose wijze waarop hij nu lijkt wraak te nemen op de joodse cultuurcriticus zal heel Duitsland hem niet in dank afnemen. Wat bij iedere vorm van verwerken van het verleden overeind blijft, is dat voor de slachtoffers van de holocaust de Duitse werkelijkheid vele malen wranger is gebleken dan voor de verliezers.