Onvermoeibaar koolviswijf

De biografie van Joke Smit biedt niet alleen een indringend portret van een strijdvaardige feministe, maar schetst ook een boeiend beeld van een roerige tijd. Smit wilde alle feministen op één lijn krijgen: ‘Háár lijn.’

MARJA VUIJSJE
JOKE SMIT: BIOGRAFIE VAN EEN FEMINISTE
Atlas, 496 blz., € 24,95

Begin oktober verzamelden veel feministen die er in de jaren zeventig toe deden zich in de bovenzaal van uitgeverij Atlas aan de Herengracht voor de feestelijke presentatie van Joke Smit: Biografie van een feministe, geschreven door journaliste Marja Vuijsje. De stemming was geanimeerd. Aan niks was te merken dat sommige van de aanwezige vrouwen elkaar jaren geleden min of meer naar het leven hadden gestaan. Nee, nu liet Hedy d’Ancona zich welwillend fotograferen door Anja Meulenbelt, nipte Marijke Ekelschot aan een glas en stonden aanhangers van De Bonte Was en Paarse September zusterlijk naast Inez van Eijk, medeoprichtster van MVM. Het had iets van een reünie. ‘Op de bijeenkomst (…) blijken veel van de oude tegenstellingen veranderd te zijn in een besef dat we toch vooral samen de vrouwenbeweging vormden’, schreef Anja Meulenbelt in haar verslag op haar weblog.
Dit had Joke Smit moeten meemaken! Het was tijdens haar leven altijd haar doel om feministen aller partijen, partijtjes, clubs en clubjes met elkaar te verenigen, beslist geen sinecure in de gepolariseerde jaren zeventig. Vlak voor haar te vroege dood in 1981 wist ze nog wel een Kamerbreed Vrouwenoverleg van de grond te krijgen, maar een doorslaand succes is deze gelegenheidscoalitie nooit geworden.
Met het artikel Het onbehagen van de vrouw gaf Joke Smit in 1967 het startsein voor de tweede feministische golf in Nederland. Het stuk maakte deel uit van een themanummer van het literaire tijdschrift De Gids. De redactie had Hedy d’Ancona gevraagd om daarin over het vrouwelijk onbehagen te schrijven, maar zij had er geen tijd voor, en bovendien: dat stuk was er al. Haar kennis Constant Kool had niet lang daarvoor een door zijn vrouw geschreven lezing over wat toen ‘het vrouwenvraagstuk’ heette bij haar in de bus gegooid en d’Ancona was onder de indruk geraakt van wat ze las. Namens de Gids-redactie nam ze contact op met Joke Kool-Smit, die haar lezing omwerkte tot een artikel.
Het stuk baarde onmiddellijk opzien, en als je het nu herleest, begrijp je waarom. Het is een goed geschreven betoog, waarin bijna alle aspecten waarvoor de vrouwenbeweging in de jaren die volgden (en soms tot op de dag van vandaag) in actie zou komen de revue passeren. ‘Van “vrije abortus” tot en met gelijk loon en arbeidstijdverkorting’, vat Vuijsje samen, ‘van “roldoorbreking” tot en met goede en goedkope kinderopvang, van betere onderwijskansen voor meisjes en vrouwen tot en met het afschaffen van de kostwinnersvoordelen in de belastingwetgeving.’ En alsof dat niet bijzonder genoeg was, bleef de schrijfster in haar artikel zelf niet buiten schot, zoals destijds gebruikelijk was in dergelijke stukken. De door haar gesignaleerde problematiek betrof haar ook, schreef ze: ze was een lotgenote van de vrouwen over wie ze schreef. Dat was nieuw.
De vele reacties op het artikel sterkten Kool-Smit in het idee dat er een ‘club’ moest komen om de doelen die ze voor ogen had werkelijkheid te laten worden. Ze wilde zich niet, zoals Simone de Beauvoir had gedaan met La deuxieme sexe, beperken tot een boek. Er moest een maatschappelijke beweging komen, anders veranderde er nooit wat. In de invloedrijke vereniging die haar voor ogen stond zouden mannen ook een rol spelen: zij hadden immers ook last van sekserollen. Samen met Hedy d’Ancona, met wie ze nauw ging samenwerken, en Inez van Eijk richtte ze in 1968 Man Vrouw Maatschappij op. Hun doel was tot een eerlijke verdeling tussen mannen en vrouwen te komen van het werk binnens- en buitenshuis. Hun strategie: via de politiek. ‘Wie meer wil dan geweten spelen, heeft een grote partij nodig’, vond de pragmatisch ingestelde Kool-Smit, en ze meldde zich zelf aan bij de Partij van de Arbeid. Ze was bereid tot de lange mars door de instituties, want ze deed ‘liever langzaam’ aan dan dat ze over ‘lijken’ ging. Ze rekende uit dat als alles volgens plan verliep haar doelen rond het jaar 2000 verwezenlijkt konden zijn. Joke Kool-Smit bleef als docent Frans de kost verdienen bij het Instituut voor Vertaalkunde, maar vanaf 1967 werd het feminisme haar echte werk.
Joke Smit (1933), oudste dochter van een christelijke hoofdonderwijzer, liep vanaf haar puberteit zelden helemaal in gelijke pas met de tijd waarin ze leefde. Ze trouwde jong, eind jaren vijftig – maar als ze tien jaar later had geleefd, was dat niet gebeurd, denkt haar ex-man nu. Het werd hoe dan ook een open huwelijk. Ze kreeg volgens plan kinderen en ook hiervoor geldt: tien jaar later was ze er volgens haar ex-man niet aan begonnen, hoeveel ze ook van haar kinderen, een jongen en een meisje, hield. Ze bleef er hoe dan ook fulltime bij werken. Haar moment kwam met de publicatie van Het onbehagen bij de vrouw en de oprichting van MVM. Maar al snel daarna trokken de twintigers met hun ludieke acties meer belangstelling voor hun invulling van het feminisme dan de dertigers van MVM. Vergeleken met de meiden van Dolle Mina leek de degelijke sociaal-democratische Joke Kool-Smit ineens achterhaald en ouderwets, en haar ideeën ook. Op haar beurt kon Smit weinig enthousiasme opbrengen voor de versplintering en de navelstaarderij van de vrouwenbeweging in de jaren zeventig. Ze probeerde alle feministen op één lijn te krijgen, schrijft Vuijsje: ‘Háár lijn.’ Het bleek geen haalbare kaart. Aan het einde van haar leven voelde ze zich gemarginaliseerd en maakte ze zich zorgen over haar plaats in de geschiedenis. Zou ze niet binnen een paar jaar vergeten zijn?
De jaren zeventig waren een turbulente periode in Smits leven. Ze had altijd haast. Vanuit wat ze haar Luthercomplex noemde (wat moest, dat moest) werkte ze onvermoeibaar voor de goede zaak en daarnaast had ze verscheidene gepassioneerde relaties, met mannen en met vrouwen. Haar huwelijk liep in 1974 op de klippen, waardoor ze weer Joke Smit werd, een alleenstaande werkende moeder met twee pubers. Maar ze liet zich niet van haar oervisie afbrengen: via de PVDA moest politiek Den Haag worden veroverd en vervolgens het land, zodat mannen en vrouwen gelijke kansen zouden hebben op de arbeidsmarkt. De beste manier om dat doel te bereiken, was volgens haar door middel van de vijfurige werkdag. De kritiek die ze eind jaren zeventig uitte op de vrouwenbeweging doet her en der nog eigentijds aan. In haar artikel Is het feminisme ten dode opgeschreven? (1978) schreef ze dat vrouwen bleven steken in aangeleerd vrouwelijk gedrag. Door zich in kleine groepjes terug te trekken, lieten ze de kans voorbijgaan een beweging op te bouwen die veranderingen zou kunnen afdwingen: ‘In de maatschappelijke piramide zijn we dus vreemd vertegenwoordigd: veel vrouwen aan de basis, weinig vrouwen in het midden, geen vrouwen aan de top.’
‘Joke hoorde nergens helemaal bij en overal een beetje’, schrijft Vuijsje in een sleutelpassage van haar meeslepende biografie, waarin ze het persoonlijke en het politieke voorbeeldig weet te combineren en al doende een boeiend tijdsbeeld schetst. ‘Haar feminisme was radicaal, haar politieke strategie sociaal-democratisch, haar inborst calvinistisch en haar levenshouding libertair.’ Op de achterflap van de bestseller Hé zus, ze houen ons eronder, de eerste in felroze uitgevoerde bundeling van haar artikelen uit 1972, typeerde Joke Smit zichzelf als volgt: ‘een ontaarde moeder/ een koolviswijf/ iemand die zichzelf geleerd heeft vieze woorden te gebruiken/ iemand die zitting heeft in enkele officiële lichamen en commissies/ een praktizerend nudist (wel liefst in landen waar de zon schijnt)/ iemand die soms verliefd is op een vrouw en ’t dan ook doet, als de ander wil natuurlijk/ een doorgewinterde calvinist (= werkezel, plus de leer en leven horen met elkaar te kloppen)/ een universitaire schoolfrik/ iemand, die wanneer ze Ard Schenk op de tv ziet, zegt: als man wel een lekker hapje en daar lopen er – tenzij homo – niet zoveel van rond in Nederland. Maar kan dat nou wat wezen in bed, met al dat geschaats?’
Zoals de biografie laat zien, was dit zelfportret redelijk accuraat; de manier waarop erop werd gereageerd geeft een aardig beeld van hoe het er in de jaren zeventig binnen het feminisme aan toeging. De tekst kwam Smit namelijk op gepeperde kritiek te staan van haar lesbische zusters die zich hadden verenigd onder de militant aandoende naam Paarse September. Voor hen was lesbisch-zijn niet iets om vrijblijvend mee te koketteren, zoals Smit in hun ogen had gedaan, maar iets dat gepropageerd moest worden als een politieke keuze. Vrouwen die dat niet deden, maar er naast hun man af en toe een vriendinnetje op nahielden, pleegden verraad aan de zaak. En waren dus geen goede feministen, ook al heetten ze Joke Smit.
In september 1980 bleek ze longkanker in een vergevorderd stadium te hebben. Samen met haar laatste partner, geestverwant Jeroen de Wildt, zestien jaar jonger dan zij, besteedde ze de tijd die haar restte typerend genoeg niet aan vrienden en familie, maar aan het afronden van artikelen en projecten en het regelen van haar nalatenschap. Er was nog zoveel te doen en ze hield graag de teugels in handen.
Vlak voor haar zelfgekozen dood op 19 september 1981 dicteerde ze een brief aan Jeroen de Wildt, waarin ze zes feministen van verschillende stromingen vroeg bij de begrafenis haar kist te dragen, als symbool van eenheid. Alleen haar voormalige minnares Anneke van Baalen bedankte voor de eer (waarom vermeldt Vuijsje helaas niet, wellicht was dat ook niet meer te achterhalen: Van Baalen stierf in 1997).
Op 24 september 1981 werd ze begraven op Zorgvlied. De tekst op haar grafsteen was ook van eigen hand: ‘Joke Smit, feministe’, en daaronder: ‘Zusters, weest moedig, scherpzinnig, eendrachtig.’ Het uitdoven van het feministische elan heeft ze niet meer hoeven meemaken.