Peter Drehmanns, Erfsmet

Onversneden eikel

Peter Drehmanns

Erfsmet

Contact, 254 blz., € 23,90

In Erfsmet probeert Peter Drehmanns ons ervan te overtuigen dat zijn roman zeer dicht tegen de werkelijkheid aanschuurt. Zijn held heet Peter Drehmanns. Hij is schrijver, lijdt aan liefdesverdriet en algehele wanhoop en hij onderzoekt het leven van zijn oudoom, de priester en bijna-bisschop Joseph Maria Petrus Hubertus Drehmanns, die leefde van 1882 tot 1959 en in Brazilië overleed. Hij was daar geestelijk leidsman van de Bruiden van Jezus, een groep idealistische lekenzusters. Deze opzet is zo overtuigend uitgewerkt dat ik via Google maar eens naar die Drehmanns gezocht heb en daar alleen een biografie aantrof van ene Joseph Hubertus Drehmanns (1843-1913), die bisschop van Roermond was en vlak voor zijn overlijden van zijn vriend kardinaal Van Rossem te horen kreeg dat paus Pius X tevreden was over hem en zijn clerus, maar die nooit in Brazilië was. Ben ik er toch weer ingetrapt. Ik had het kunnen weten: wanneer schrijvers je wijs proberen te maken dat het allemaal echt gebeurd is, «echt waar», is het tijd de stoplichten op rood te zetten.

Drehmanns is er overigens goed in geslaagd van die oudoom een overtuigende priester te maken, bovendien laat hij zo ongeveer de hele familie Drehmanns opdraven, ook zijn «eigen» ouders, wat de indruk van authenticiteit nog eens danig versterkt. Hij introduceert ons in debatten die in de eerste helft van de vorige eeuw binnen de rooms-katholieke kerk gevoerd werden, citeert uit zeer geloofwaardige documenten en weet op sommige momenten zelfs een ontroerend beeld van een priester op te roepen die zonder dat hij precies wist waarom in ongenade viel bij het Vaticaan en die daarom naar Brazilië vertrok om daar zijn idealen van de grond te krijgen. Hier is Drehmanns op z’n best. Hij laat de verbazing over, ja zelfs de waardering van dit leven van de ik-figuur mooi doorschemeren. Hij vlucht niet in al te gemakkelijke schimpscheuten op de rooms-katholieke kerk, waartoe iedere mindere schrijver die wil scoren zich maar al te gemakkelijk kan laten verleiden en waar we alleen geeuwend onze schouders over op kunnen halen. We krijgen een raak beeld van binnenuit, ingekleurd via minutieuze beschrijvingen en gevoelige inleving. Geen vlucht dus in aanvallen die achteraf, nu we beter weten, altijd doel treffen en waar we verder ook niks mee kunnen. Met de genereuze nieuwsgierigheid waarmee de ik-figuur de lekenzusters in Brazilië tegemoet treedt, laat Drehmanns zien dat hij zich niet wil opstellen als een socioloog met in zijn achterzak een of ander uitgekauwd wereldbeeld, maar als een schrijver die zijn schrijversblik wil aanscherpen.

De ik-figuur raakt er steeds meer van overtuigd dat het op het eerste gezicht «zinloze» leven van dat al lang vergeten familielid in de grond veel meer de moeite waard is dan zijn eigen leven. En hier grijpt Drehmanns zijn zelf geschapen gelegenheid aan ons een blik te gunnen in het nogal getroebleerde bestaan van de ik-figuur Drehmanns, die zwelgt in gekanker, megalomane praatjes en zelfmedelijden. We hebben te maken met een onversneden eikel en lul debehanger. Die fictie-Drehmanns weent, schreeuwt en tobt wat af over zijn laatste geliefde die hem verlaten heeft en die natuurlijk het beste neukte van iedereen en zich nu «vol laat spuiten» door een ander. Ik dacht hierbij: nou zeg het is me wat, omdat de ik het hele boek door geweldig opsnijdt over zijn honderden meisjesveroveringen. En dan nu ineens gaan lopen piepen over liefdesverdriet? Laat je nakijken joh! Zoiets dus. Ik begrijp natuurlijk heel goed dat Drehmanns door dit soort kunstgrepen juist een scherp inkijkje wil geven in het duistere zielenleven van zijn antiheld. Hij heeft een held willen maken zoals we die kennen uit Ik heb altijd gelijk en Nooit meer slapen van W.F. Hermans. Rancune, doodsdrift, geestelijke leegte en wanhoop. En het moet gezegd: alleen deze vergelijking al pleit in Drehmanns’ voordeel.

Ook in stijl bestaat er een sterk contrast tussen de beschrijvingen van het leven van de vergeten oudoom, waarbinnen een merkwaardig geserreerde stilte hangt, en die van het leven van de ik. Drehmanns zoekt het bij dit laatste in een voortzwiepende, af en aan stromende opeenvolging van lange zinnen, tussenzinnen, geschreeuw en gekanker. Veel grote woorden, geloei en gebrul. «Hier heb ik heel wat afgeneukt en in talloze meisjes lichamen rondgezworven, maar nu ben ik hier om me te verdiepen in een vent die hem zijn hele leven nergens in heeft gehangen, nu ben ik hier omdat ik de liefde niet kan consumeren daarginds, God wikt en beschikt, de ploertige souteneur.» Misschien is het allemaal wat te veel van het goede, maar beter dit dan futloze beschrijvingen. Ik moest er vaak bij lachen, vooral ook omdat Drehmanns de stijlfiguur van de overdrijving te pas en te onpas inzet. Het bijna tastbare verlangen om zijn zinnen te laten meanderen, golven en borrelen, kortom om een schrijver te willen zijn, is zeer te waarderen. Na zijn vuistdikke roman Gemaskerd land uit 2002 laat Drehmanns nu zien dat hij de fase van de avontuurlijke en niet al te diepzinnige schelmenroman ver achter zich heeft gelaten.