Onverstand

Miroslav Krleza, Op de rand van het verstand. Vertaling L. van Vlijmen, uitgeverij Prometheus. 204 blz., f34,50.
Onverstand “Antipolitiek is verwondering”, schreef Gyorgy Konrad in een essay uit 1982, toen het Hongaarse communisme nog aan de macht was. De anticommunist Konrad weigerde echter partij te kiezen voor “de kapitalistische uitbuiting”. De schrijver neemt het alleen op voor zichzelf, uit zelfbehoud. Hij handelt vanuit de eigen verantwoordelijkheid. Zijn antipolitieke verwondering richt zich op het ongewone, groteske of zelfs zinloze in de maatschappij. “Hij weet dat hij een slachtoffer is maar wil dat niet zijn.”

Deze overpeinzingen kunnen als motto fungeren bij de roman Op de rand van het verstand (1936) van Miroslav Krleza (1893-1981), de in Zagreb geboren nonconformistische schrijver die als eenling het gevecht met de censuur aanging. Op de rand van het verstand is het eerste boek van Krleza dat ik heb gelezen. Zijn naam kwam ik al eerder tegen in de essays van Dubravka Ugresic. Zij noemt hem in een adem met Konrad en Kis. Ik kan haar alleen maar gelijk geven. Krleza is een openbaring.
Ugresic citeert in De cultuur van leugens een essay van hem over de “kleinburgerlijke liefde voor de Kroatische natie”. De zelfvoldane liefde voor Kroatie, schrijft Krleza al in 1935, is hinderlijk, “maar bij dronkenschap is ze provocerend”. Elke uiting van liefde van de Kroaten, die jammeren over hun eigen lot, is “belachelijke en onechte wartaal”. In de oorlog komt de ware aard van de mens boven, zijn domheid die het dagelijks leven grotendeels bepaalt. Maar de oorlog heeft dezelfde uitwerking op de menselijke domheid als een onweersbui op paddestoelen: “Ze rijst als een spookbeeld uit het niets op, overal om ons heen.”
Op de rand van het verstand gaat over die domheid, vermomd als hypocrisie, vleierij, leugen en bedrog. De mensen misbruiken elkaar, stelen gedachten en geld, spuwen op de hand waaruit ze eerder gevreten hebben en zitten vol bijgeloof en vooroordelen “zoals een strozak volgestopt is met stro”. De wereld is een panopticum van vampiers.
De grootste schurk wordt in Op de rand van het verstand, dat midden in de jaren dertig speelt in een naamloze Kroatische provinciestad, gesymboliseerd door Domacinski, handelaar in nachtspiegels, voorzitter van de industrielenvereniging en voor velen de vleesgeworden Vooruitgang. De ik-figuur van Krleza’s roman is jarenlang juridisch adviseur geweest van de industrielenvereniging. Hij was discreet, min of meer onzichtbaar en anoniem. Totdat hij, in een onbewaakt moment, de waarheid over zijn werkgever mompelt, als die tijdens een feestje voor de zoveelste keer vertelt dat hij in 1918 vier ordinaire dieven op zijn terrein heeft “neergeknald als honden”. Moord, oordeelt zijn adviseur: “Het is allemaal misdadig, immoreel.”
Die woorden vellen zijn vonnis. Iedereen laat hem vallen als een baksteen. Maar de adviseur weigert zijn woorden in te slikken. Hij wenst zich nooit meer te conformeren aan de cultuur van leugens. Hij groeit uit tot de idioot van de hele affaire. Het proces van uitstoting en de manier waarop de ex-adviseur zich op straat, in de rechtbank en in de gevangenis verdedigt is een adembenemend misdaad-en-strafverhaal, geschreven op een toon die zowel cynisch als betrokken is. De ex-adviseur kiest de weg van de meeste weerstand en weigert zich een levensbeschouwing te verschaffen, die al te vaak intolerante gedachtenbouwsels zijn die al eeuwenlang “als meikevers over de hele wereld uitzwermen”. Hij is geen politicus (politiek is “de coefficient van de machtsverhoudingen”) maar een moralist, niet in de zin van bekrompen zedenpreker: “Voor mij is de moraal een kwestie van goede smaak. De enige maatstaf voor het verstand schijnt mij de vorm te zijn. Een gebrek aan goede smaak is hetzelfe als een gebrek aan verstand…”
Krleza, voorspeller en criticaster van de Balkan- oorlog, verdient het net zo bekend te worden als Konrad en Kis.