Onvertaalbaar (1)

Er zijn, ook in Nederland, bibliotheken vol Heine-vertalingen voorhanden, die voornamelijk bewijzen dat Jacques Presser de dichter niet ten onrechte ‘deze onvertaalbare’ heeft genoemd.

Heine balanceerde, anders dan zijn collega’s Goethe en Schiller, permanent op de rand van ironie en sentimentaliteit, hij grossierde in dubbele bodems, waardoor men nooit zeker weet of hij niet bezig is de lezer in de maling te nemen. Voor de gietijzeren ernst van Goethe en Schiller is altijd wel een Nederlands equivalent te vinden. Maar hoe vertaal je Heines ‘Auf Flügeln des Gesanges…’?
Niet met: 'Op vleug'len des lieds, o mijn zoete, draag ik u verlangend voort…’ (anon., 1843). Laat staan met: 'Op vleug'len van dit liedje, mijn liefje, neem ik je mee…’ (Seth Gaaikema, 1981).
Of hoe vertaal je het smartelijke 'Lass die heil'gen Parabolen…’?
Bijvoorbeeld met: 'Spaar ons al die bijbelsprookjes en die vrome kletstraktaten - Antwoord op de barre vragen, zonder er omheen te praten.’
Jazeker, dat klinkt al een stuk beter, maar deze versie is dan ook van Marko Fondse, met Peter Verstegen een der weinige Heine-vertalers die de dichter niet pleegt te versuikeren, al lopen ook zij, zèlfs zij, regelmatig met hun kop tegen de muur.
Met name de huisbakken negentiende eeuw kon absoluut niet met Heine uit de voeten. De sociaal-kritische kant van de dichter werd geheel genegeerd en zijn ironie werd met Hollandse klompen de vaderlandse klei ingetrapt.
Zie hoe D. Dorbeck het gedicht 'Du bist wie eine Blume’ vernielde: 'Gij zij mij als een hofbloem, zoo rein, zoo lief, zoo schoon; Ik stare u aan - en weemoed - kiest zich mijn hart ter woon.’ Ook C.P. Tiele meende zich heel wat te kunnen permitteren: 'Gij zijt gelijk een bloeme, zoo rein en schoon en goed; Ik zie u aan met vreeze(en met beklemd gemoed.’ Om maar te zwijgen van J.J.L. ten Kate: 'Gij zijt een Roosje der valleien, zoo schuldeloos, zoo schoon, zoo goed: Ik zou bij ’t denkbeeld kunnen schreien, dat zooveel glas verwelken moet.’ Naar die man heeft de gemeente Amsterdam nota bene nog een straat vernoemd, terwijl aan Heinrich Heine tot op heden nog geen doodlopende steeg is gegund!
De meeste van de Heine-vertalingen zijn zo deerniswekkend slecht, dat de bewering over ’s dichters diepgaande invloed op het negentiende-eeuwse Nederland in feite dwars op de feiten staat, constateert Richard Mooren, die 'Heinrich Heines Wirkung in Holland’ (1930) heeft bestudeerd.
De echte Heine was in Nederland een vreemdeling. Wat J.J.L. ten Kate en zijn rijmelende handlangers aan Heine ontleenden, was op zijn slechtst immers een wee soort gevoeligheid.
'De realist Heine, de revolutionair en scepticus’, zegt Mooren, 'heeft in Nederland pas veel later voet aan de grond gekregen.’