Onvertaalbaar (2)

In de jaren twintig en dertig van deze eeuw, toen de lelieblauwe viooltjes enigszins waren uitgebloeid, ontdekte men, ook te onzent, eindelijk de radicale Heinrich Heine, de dichter van De Silezische wevers en de schrijver van het voorwoord tot Lutetia, waarin zo trefzeker de ondergang van de ‘oude, romantische wereld’ wordt beschreven.

Het leidde tot voortreffelijke vertalingen van prozawerken als Das Buch le Grand (Nico van Suchtelen, Koos Schuur), de Memoiren des Herrn von Schnabelewopski (Fred van Amerongen en Alfred Kossmann) en bovenal het Zur Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland (H.L. Mulder), inclusief het in 1852 toegevoegde voorwoord waarin de stervende, maar nog altijd strijdlustige schrijver erkende dat hij God ten onrechte dood had verklaard: ‘Het deïsme leeft, het is springlevend, het is niet dood, en van de moderne Duitse filosofie had het wel het minste te vrezen. Die stoffige Berlijnse dialectiek krijgt geen hond achter de kachel vandaan, ze kan zelfs geen kat ombrengen, laat staan een God. Ik erken daarom onomwonden dat alles wat in dit boek betrekking heeft op het grote probleem God, even onjuist als onbezonnen is.’
Met Heines poëzievertalingen bleef het echter treurig gesteld.
Leest en huivert!
Gerard den Brabander, in vier regels Deutschland, ein Wintermärchen:
'In de droevige maand November was ’t, de dag werd troebel, het lover, het werd de bomen ontrukt door de wind, toen stak ik naar Duitsland over.’
Arthur Kooyman, in vier regels Lyrisches Intermezzo: 'Hoor ik het liedje klingelen, het was eens mijn liefstes zang, dan wil mijn borst openspringen, van een wilde, pijnlijke drang.’
Dimitri Alexander Bobbe, in vier regels van dezelfde gedichtencyclus: 'Wanneer ik in jouw ogen kijk, neemt alle pijn en leed de wijk; Wanneer ik kus jouw lieve mond, dan word ik helemaal gezond.’
En bovenal Seth Gaaikema, de Heinrich Heine van Groningen en ommelanden. Ik wil de man niet nodeloos krenken, hij bedoelt het allemaal ongetwijfeld tamelijk goed, het eindresultaat van zijn herdichtingen is echter van dien aard dat Heine, artistiek gezien, andermaal op zijn martelende matrassengraf wordt teruggeworpen: 'Wat ben je boos, wel potverdorie! Toch kan het mij niets schelen. Als ik jouw boos gezichtje zie vind ik je om te stelen. Er is niets meer dat ik zeggen kan, spreekt bits je rooie mondje. Gebruik het slechts voor kussen dan, dan troost ik mij wel, hondje.’
Dit is geen vertaling van Heinrich Heine, dit is geen parafrase van Heinrich Heine, dit is een moordaanslag op Heinrich Heine, gepleegd door iemand die van de ogenschijnlijk zo luchthartige, maar in werkelijk uiterst problematische kunstenaar niets heeft begrepen.