Onverteerbare alledaagsheid

Van vernietigingskamp Sobibór, waar tussen 1942 en 1943 minstens 170.000 joden werden vermoord, bestonden geen beelden. Totdat onlangs een verzameling opdook uit het privé-archief van SS’er Johann Niemann.

Op het terras van het ‘nieuwe casino’ in de vroege zomer van 1943. Vanaf links: Heinrich Unverhau, Rudolf Kamm, vermoedelijk Fritz Konrad, Willi Wendland en Johann Klier. Veelvuldig moesten op bevel van de Duitsers ook joden musiceren en dansen © Het Niemann Album

Het is november 1939, de Tweede Wereldoorlog is nog maar nauwelijks begonnen, wanneer SS-Scharführer Johann Niemann zich vervoegt bij Hitlers Nieuwe Kanselarij aan de Volkstraße in Berlijn, voor een speciale, geheime opdracht. Hij heeft geen idee wat hem te wachten staat, net zomin als een vijftal andere uitverkoren leden van de Waffen-SS die de voorgaande jaren, net als Niemann, dienst hadden gedaan als bewakers in concentratiekampen. Pas in de loop van de dag zou duidelijk worden wat er van hen werd verwacht: uitvoering geven aan een missie die op dat moment hun voorstellingsvermogen nog te boven moet zijn gegaan. Zij zouden de praktische uitvoerders worden van een ondenkbare massamoord.

Eerst kregen ze een propagandafilm te zien over patiënten in psychiatrische inrichtingen, vervolgens kregen ze een verhaal te horen hoe zwaar deze Ballastexistenzen, deze ‘nutteloze monden’, als dor hout op de samenleving drukten. Hun werd verteld dat om zich te versterken, een volksgemeenschap, zeker in tijden van oorlog, het recht of zelfs de plicht had zich hiervan te ontdoen. De geheime ‘Rijksaangelegenheid’ waarvoor Niemann en zijn kameraden waren geselecteerd betrof de massamoord op psychiatrische patiënten, geestelijk en lichamelijk gehandicapten en sociaal zwakkeren, een campagne die de geschiedenis is ingegaan als het nazistische ‘euthanasieprogramma T4’, vernoemd naar het in Tiergartenstraße 4 gevestigde hoofdkantoor.

Op het moment dat hij wordt ingezet voor T4 is Johann Niemann, een boerenzoon uit Oost-Friesland, niet ver over de grens bij Groningen, nog maar 26 jaar oud. De voorgaande acht jaar had hij, overtuigd nationaalsocialist, carrière gemaakt als bewaker, eerst in regionale kampen, en later in het nieuwe, grote concentratiekamp Sachsenhausen, vijfendertig kilometer ten noorden van Berlijn. Daar werd hij opgenomen in de commandostaf, verantwoordelijk voor de interne bewaking. Vervolgens werkte hij korte tijd op Vogelsang, een opleidingskamp voor de nazi-elite, dat fungeerde als visitekaartje van het regime.

Toen hij werd opgeroepen zich te melden bij Hitlers Kanselarij, was hij, naar het oordeel van zijn superieuren, weltanschaulich gefestigt: al vroeg lid geworden van de partij, ‘raszuiver’ getrouwd, uit de kerk getreden, doordrenkt van de nazistische ideologie en als leidinggevende bewaker gehard in de praktijk. Niemann was, anders gezegd, klaar voor een actieve rol in het proces dat in het najaar van 1939 in gang werd gezet, de eerste grote stap op de duistere weg waarop het nationaalsocialisme vanaf het begin had gezinspeeld: de fysieke vernietiging van alle bevolkingsgroepen die werden beschouwd als een bedreiging van de raciale zuiverheid van de Duitse volksgemeenschap. Een eerste stap, want het ‘euthanasieprogramma’ vormde zowel in tijd als in de uitvoering de opmaat van de industriële massamoord op joden, Sinti en Roma en andere minderwaardig geachte groepen, voorbereid en uitgevoerd door dezelfde personen, onder wie Niemann.

Niemanns loopbaan markeert de verschillende stadia van deze vernietigingspolitiek. Samen met de andere SS’ers die eind 1939 waren geselecteerd was hij verantwoordelijk voor de bediening van de gaskamers; ze experimenteerden met automotoren en gascilinders, met de ovens waarin de lichamen werden verbrand, ze perfectioneerden de moordtechnieken en de inrichting van de ruimtes, met het doel de moord op tienduizenden patiënten uit inrichtingen en, iets later, ook ‘arbeidsongeschikten’ uit concentratiekampen efficiënter te maken. En vanaf eind 1941 brachten ze hun ervaring als praktische uitvoerders van de industriële massamoord over naar drie grote, speciaal opgezette vernietigingskampen in Oost-Polen, eerst naar Belzec, vervolgens naar Sobibór en Treblinka.

In deze uitrol van de nazistische vernietigingspolitiek ontpopte Niemann zich als een talent. Hij werd ervoor beloond en maakte promotie, om in de herfst van 1942, nog geen dertig jaar oud, te worden aangesteld als plaatsvervangend commandant van Sobibór. Daar werden tussen mei 1942 en oktober 1943 tussen 170.000 en 185.000 joden vermoord, waarvan 34.295 Nederlandse. Niemann zelf zou het kamp echter ook niet overleven: bij een opstand van gevangenen, op 14 oktober 1943, werd hij als eerste gedood. Kort daarop werd het kamp ontmanteld.

Johann Niemann verzamelde ondanks het 'Bilderverbot' honderden foto’s, óók van de kampen waar hij had gewerkt

Niet alleen Sobibór, ook Treblinka en Belzec werden in die herfst van 1943 van de kaart gewist. De nazi’s stelden alles in het werk om de sporen uit wissen van de kampen die het werkend hart hadden gevormd van Aktion Reinhard, de codenaam van de operatie om alle joden in het door Duitsland ingenomen deel van Polen om te brengen. Volgens recente berekeningen van Lewi Stone, een mathematisch bioloog uit Australië, was dit de grootste, snelste en meest ‘efficiënte’ moordcampagne uit de hele menselijke geschiedenis: 99,9 procent van de twee miljoen weggevoerde joden en vele duizenden Roma en Sinti werden in korte tijd vermoord. Niets zou de mensheid aan Sobibór mogen herinneren, geen gevangene zou mogen overleven. Wie bij de operatie was betrokken, had een zwijgplicht; er mochten geen foto’s worden genomen.

Uiteindelijk slaagde het plan om de massamoord te doen vergeten niet. Ten eerste wisten 57 gevangenen, vrijwel allemaal ontsnapt bij de opstand, de oorlog te overleven, en op basis van hun getuigenissen zou de geschiedenis van het kamp stukje bij beetje worden gereconstrueerd, onder meer door de Nederlandse overlevende Jules Schelvis. En er komt, ook vandaag nog, nog steeds materiaal bij, onder meer door archeologisch onderzoek. Of wanneer iemand zijn zolder opruimt, zoals de kleinzoon van Johann Niemann, die ondanks het Bilderverbot honderden foto’s bleek te hebben verzameld, óók van de concentratiekampen waar hij had gewerkt. Daarvan zijn er 62 die betrekking hebben op Sobibór, een onvoorstelbaar groot aantal wanneer we ons realiseren dat er tot nu toe slechts twee foto’s van het kamp waren overgeleverd.

De 361 foto’s in Niemanns verzameling zijn in de eerste plaats te beschouwen als het beeldverslag van zijn carrière. Ze tonen hem op de plaatsen waar hij was aangesteld, het dagelijks leven met collega’s, een bonte avond, een wandeling, een geposeerd portret als SS Hauptscharführer te paard, maar ook een excursie, met echtgenotes, naar Berlijn en Potsdam. En er zijn foto’s van zijn begrafenis, een betrekkelijk groots eerbetoon gezien het late tijdstip in de oorlog. Maar in de verzameling zitten ook zeldzame overzichtsfoto’s van Sobibór, met name van het Vorlager, waar het Duitse kamppersoneel woonde.

Bijzondere foto’s dus – maar dat is er niet aan af te zien voor wie niet weet wat zich afspeelde op honderd meter van de plek waar je SS’ers, in de zon, een spelletje schaak ziet spelen. Doodgewone foto’s, voor wie de namen van deze mannen niet kent en niet weet waar hun werk uit bestond. Want van de wreedheden in de concentratiekampen, de ‘euthanasie’ in de moordinrichtingen en de massamoorden in de vernietigingskampen is in de verzameling niets terug te vinden. Anders gezegd: de foto’s ontlenen hun bijzondere betekenis niet aan wat ze tonen, maar waarnaar ze verwijzen.

En zo gebeurt in Het Niemann Album precies het omgekeerde van wat het cliché wil – het cliché dat steevast van stal wordt gehaald als het over foto’s gaat. Deze foto’s zeggen niet meer dan duizend woorden, maar er zijn vele duizenden woorden nodig om de beelden te laten spreken. En dat laatste gebeurt in elf uitvoerige en goed onderbouwde artikelen, waarin de ontwikkelingen, gebeurtenissen en plaatsen waarmee Niemann was verbonden worden toegelicht en met elkaar verbonden. Pas na lezing van die geschiedenis zijn we bij machte achter de foto’s een andere werkelijkheid te zien dan de levensloop van een officier, die zich met volle overtuiging en op professionele wijze in dienst stelde van de zuivering van de volksgemeenschap en nieuw veroverde gebieden in het Oosten. Pas dan zien we achter de foto’s de gruwelijke wreedheden opdoemen die deel uitmaakten van de wordingsgeschiedenis van de nazistische eliminatiepolitiek.

Maar dat is niet alles. Er kleeft nog een ander aspect aan die ogenschijnlijke normaliteit van de taferelen op de foto’s van vrolijk muzikaal vertier, een toeristisch uitstapje naar Potsdam en keurig geklede heren bij het T4-moordcentrum Bernburg. De foto’s doen denken aan de verzameling in het in 2007 gepubliceerde Höcker Album, gewijd aan het dagelijks leven van officieren en administrateurs in het concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz. Ook dat album was doortrokken van een pijnlijke alledaagsheid: ze ogen zo vertrouwd, deze beelden, maar we weten tegelijk dat schijn bedriegt.

Precies daardoor roepen deze foto’s een ongemakkelijk, schurend gevoel op, een gevoel dat wordt gevoed door de bijna ondraaglijke gedachte dat Johann Niemann en zijn moorddadige compagnons ook ‘gewone mensen’ waren, die van een biertje hielden, van hun hond, hun partner en kinderen, die stukjes opvoerden en muziek maakten in het buurthuis – ook al stond dat buurthuis in een kamp waar mensen gemarteld werden of massaal de gaskamers in werden gejaagd. Een alledaagsheid die onverteerbaar is.