David Foster Wallace, The Pale King

Onverveelbare cowboys

In zijn postuum uitgegeven ‘unfinished novel’ The Pale King beschrijft David Foster Wallace een groep accountants. Ze houden zich staande dankzij een uniek talent: ze zijn immuun voor verveling.

‘Nu komt er dus nooit meer een nieuw boek, nooit meer zo'n rake, ontroerende, visionaire blik op de tijd waarin we leven’, schreef ik ruim tweeënhalf jaar geleden in het In Memoriam voor David Foster Wallace. Op 12 september 2008 maakte Wallace (nog maar 46 jaar) een einde aan zijn leven. Jarenlang had hij gewerkt aan een nieuwe roman, 'the long thing’, zoals hij het zelf noemde, maar het lukte hem niet om het boek af te maken. Het nieuws van Wallace’s zelfmoord liet een onpeilbare leegte achter. En zo voelt het nog steeds, ook al ligt er nu dan toch een allerlaatste roman, The Pale King, 'an unfinished novel’ zoals de titelpagina vermeldt, samengesteld uit nagelaten hoofdstukken en fragmenten door zijn redacteur Michael Pietsch.

In het werk van Wallace duiken af en toe vanuit het niets 'geesten’ op. Zo wordt in The Pale King de jonge vader Lane Dean op zijn werk bezocht door de geest genaamd Blumquist (een belastingambtenaar die zonder dat zijn collega’s het opmerkten vier dagen lang dood aan zijn bureau kon zitten). Lane Dean is net begonnen met zijn nieuwe baan op een regionaal belastingkantoor in Peoria, in het Midwesten van Amerika, en de ongelooflijke saaiheid van zijn werk valt hem meer dan zwaar: 'Hij had het gevoel alsof er een soort groot gat, een enorme leegte, door hem heen viel en bleef vallen zonder ooit de grond te raken’, 'in zijn hoofd het geluid van papier dat doormidden wordt gescheurd, telkens opnieuw’. Hij ervaart zijn werkzaamheden als zó onbetekenend en zinloos dat de gedachte dat hij dit dag in, dag uit moet doen hem drijft tot zelfmoordfantasieën. Dan komt Blumquist langs ('een wat oudere vent (…) riekend naar haarolie en etenswaar’) om Lane uit te leggen dat het extreme verveling is waar hij aan lijdt - dat hij niet de enige is, dat iedereen daaraan lijdt, om hem heen. Alleen niemand praat erover… Biedt dat troost? Nauwelijks, maar Lane wordt wel, al is het maar voor even, bevrijd uit de benauwende gedachte dat deze ellende alleen hém treft.

Het is eigenlijk een gek verschijnsel in het werk van Wallace, deze 'ghosts’, want Wallace is in wezen een hyperrealistische schrijver, en dat laat weinig ruimte voor dergelijke magische kunstgrepen. Dus wat hebben ze te betekenen? De geesten manifesteren zich op momenten van diepe wanhoop, als een personage zich geen raad meer weet. Het zijn vaderlijke figuren, die met kalme, wijze woorden een karakter komen troosten dat dreigt te worden verzwolgen door een ondraaglijke situatie. Ze dringen door in de gesloten gedachtewereld van hun gesprekspartner en geven enige contour aan de onuitsprekelijke leegte en eenzaamheid waarin iemand bijna wegzinkt. De goedmoedige geesten vertegenwoordigen naar mijn gevoel de tijdelijke troost die fictie kan bieden, de functie die literatuur kan vervullen: dat je wordt toegesproken op momenten waarop je dacht volledig te zijn teruggeworpen op jezelf. Dat je weerklank vindt en dat er plek blijkt in je eigen hoofd voor de stem van de ander, en niet alleen voor je eigen gedachtekronkels. De bezoekjes van deze geesten vormen zo bezien de kern van waar het in de verhalen van Wallace telkens om draait: het besef dat you are, perhaps, not alone.

Het werk van Wallace is ontzettend geestig, maar ook ongelooflijk droef. Een droefheid die zich inderdaad een gat boort door je hele wezen en die bodemloos lijkt. Zo ook The Pale King. Of beter gezegd: Wallace lijkt in The Pale King die bodem eindelijk in zicht te hebben gekregen. (Al is dat een conclusie die in het licht van zijn zelfmoord eigenlijk geen stand houdt.)

Hoe te leven? Hoe de 'hopelessness of adulthood’ te verdragen? Hoe de dagelijkse realiteit te doorstaan, die nu eenmaal niet een aaneenrijging is van louter hoogtepunten? Dat zijn kernvragen die Wallace al aan de orde stelde in het boekje This Is Water, dat na zijn dood haastig werd uitgegeven, en eigenlijk een lezing is die Wallace in 2005 hield voor pas afgestudeerde studenten. 'Some thoughts… about living a compassionate life’ is de ondertitel, en het leert de studenten dat het allerbelangrijkste in het (volwassen) leven is je te kunnen richten op wat echt belangrijk is, dat dat moeite kost, en dat het weinig te maken heeft met zaken die slechts instant bevrediging opleveren voor jezelf. Het gaat om 'being able truly to care about other people and to sacrifice for them, over and over, in myriad petty little unsexy ways, every day’.
Die op zich weinig opzienbarende boodschap komt veel harder aan tijdens het lezen van The Pale King, als langzaam tot je doordringt dat het geen weg te wuiven wandtegelwijsheid is, maar misschien wel waar.
Waarom zijn we toch zo slecht in staat om te accepteren dat het leven zich niet elders, later, op een leuker moment afspeelt, maar hier en nu, recht onder onze neus? We zijn als de twee pubervissen in de anekdote waarmee Wallace zijn lezing begint: een oudere vis zwemt langs en vraagt ze vriendelijk: 'How’s the water?’, waarop het ene jonkie het andere verbaasd aankijkt en zegt: 'What the hell is water?’

Infinite Jest (1996), het meer dan duizend pagina’s tellende werk waarmee Wallace zijn status als literair genie verwierf, was een roman waarin de fase van de adolescentie centraal stond, waarin werd uitgemeten op welke talloze manieren we onszelf proberen te verliezen (in verslavingen, vermaak), onze aandacht proberen af te leiden van wat er werkelijk toe doet. In The Pale King concentreert Wallace zich op volwassen worden, op wat dat eigenlijk inhoudt. Hij kiest daarvoor een locatie die het summum van saaiheid is: een belastingkantoor in the middle of nowhere, waar een legertje ambtenaren in dienst van de IRS (de Amerikaanse belastingdienst) zich door stapels formulieren worstelt aan hun sneue 'tingle desks’. Voor Lane Dean vertegenwoordigt deze plek niets minder dan de hel: 'hell had nothing to do with fires’, nee: 'Lock a fellow in a windowless room to perform rote tasks just tricky enough to make him have to think, but still rote, tasks involving numbers that connected to nothing he’d ever see or care about, a stack of tasks that never went down, and nail a clock to the wall where he can see it, and just leave the man there to his mind’s own devices.’ Geen wonder dat Lane Dean de neiging krijgt om tijdens de koffiepauze 'rondjes te rennen en met zijn armen te flapperen en brabbeltaal uit te slaan en tien sigaretten tegelijkertijd in z'n mond te steken als was het een panfluit’. Want wie kan een dergelijke monotonie wél verdragen zonder gek te worden?

Shane Drinion kan dat. En iemand als Toni Ware. En David Cusk, of 'Irrelevant’ Chris Fogle. Deze personages beschikken blijkbaar over essentiële eigenschappen die hen in staat stellen verveling te verdragen. Ze zijn 'unborable’, onverveelbaar. Zo kunnen ze zich allemaal lange tijd en op een intense manier ergens op focussen, en ook heel bewust kiezen waaróp ze hun aandacht richten, zonder afgeleid te (willen) worden. Dat maakt hen uitermate geschikt voor een nieuw te vormen elitekorps binnen de IRS.

Het maakt ook dat ze kunnen worden gezien als de nieuwe helden van het moderne leven: wie immuun is voor verveling bezit een toverkracht waarmee de gruwel van dagelijkse sleur en saaiheid kan worden bezworen. Niet voor niks neemt Wallace precies dit type onder de loep. Accountants zijn de nieuwe cowboys, zo predikt een IRS-medewerker in het boek: in een wereld waarin alles al min of meer af is, genoeg feiten zijn gegenereerd en grenzen vastliggen, gaat het erom het bestaande in goede banen te leiden - te kunnen ordenen, patronen te zien, te filteren.
De roman speelt zich grotendeels af in het midden van de jaren tachtig, wat Wallace de gelegenheid geeft een scharnierpunt in de recente geschiedenis te analyseren. De hoofdpersonen zijn eigenlijk allemaal mannen (en vrouwen) die volwassen werden in de 'decadente’ jaren zeventig, in een post-idealistisch decennium dat steeds meer gedomineerd werd door een denken in life-styles. Hun vaders daarentegen waren degelijke mannen wier 'lichaam gemaakt leek om een pak te dragen’ - conventioneel, pro-establishment, en met een werkethos dat voortkwam uit een gevoel van burgerplicht: iedereen moet nu eenmaal zijn steentje bijdragen. Hun zonen hebben een heel andere mentaliteit, zijn op drift, op zoek naar zichzelf, en hebben moeite zich te committeren. Hoe 'bevrijdend’ is het dus geweest om los te breken uit de conformiteit waarin hun vaders gevangen zaten?

Al in Infinite Jest heeft Wallace het dubbelzinnige genoegen van deze vrijheid om te doen wat je wilt scherp in beeld gebracht en benadrukt dat er een onderscheid is tussen een 'freedom from’ en een 'freedom to’. Je bevrijden van vastgeroeste denkbeelden is misschien goed, maar als je vervolgens niet weet hoe je die vrijheid moet benutten, omdat je geen keuzes kunt maken, niets meer hebt om die keuzes op te baseren, ben je 'like a piece of paper on the street in the wind’, of een afgevallen boomblaadje, dat dan eens hierheen, dan weer daarheen wordt geblazen - een beeld dat in beide romans terugkomt. Het is een ongerichte vrijheid die door Wallace wordt geassocieerd met 'loneliness’, een gevoel van onthechting, waar hij in bijna al zijn verhalen een remedie voor probeert te vinden.

In deze postume roman lijkt hij daar heel dicht bij in de buurt te komen. De helden in The Pale King hebben wilskracht. Hebben ontdekt dat: 'If I wanted to matter - even just to myself - I would have to be less free, by deciding to choose in some kind of definite way. Even if it was nothing more than an act of will.’

Wallace-personages hebben altijd een 'quirk’, iets bizars - zoals David Cusk, die in het openbaar zulke extreme zweetaanvallen krijgt dat zich druppels vormen die bijna hoorbaar van zijn voorhoofd op de grond landen, of Toni Ware, die in staat is minutenlang niet met haar ogen te knipperen (en daarom op latere leeftijd een speciale bril nodig heeft met sproeimechanisme om haar ogen te bevochtigen). Maar deze bizarheid heeft hen al vroeg geleerd om vol te kunnen houden; de coping-mechanismen waarmee ze trauma’s en tegenslagen hebben verwerkt, blijken enorm veel nut te hebben in een volwassen leven dat eveneens lijkt te gaan om volhouden, doorzetten, niet vluchten, focussen.

Werk, bijvoorbeeld, is niet altijd leuk. Ronduit ondraaglijk wordt het om op je werk te zitten (dag na dag na dag) als je zoals Lane Dean elke minuut, elke seconde gaat tellen. En op een ander niveau: het hele leven wordt ondraaglijk als je beseft dat elke dag die voorbijgaat nooit meer terugkomt, dat 'alles in brand staat, een traag opkruipende brand, en we allemaal minder dan een miljoen ademhalingen verwijderd zijn van een vergetelheid die totaler is dan we ons ook maar durven proberen voor te stellen’.
Het besef van dit langzaam uitdoven, de existentiële angst dat alles toch zinloos is omdat je uiteindelijk toch doodgaat, is de 'deeper type of pain’ waar in The Pale King over wordt gefilosofeerd. Iedereen heeft er last van, maar niemand wil erbij stilstaan. De moderne mens vlucht in allerlei vormen van verstrooiing om er maar niet aan te hoeven denken. In 'the long thing’, zijn laatste, onvoltooide levenswerk, heeft Wallace geprobeerd om in kaart te brengen waar deze angst uit voorkomt, of die angst er altijd al is geweest (waarschijnlijk niet), en of er misschien een manier is om te leven mét dit besef. Of dat überhaupt vol te houden is.

Slechts voor sommigen, is daarop het antwoord dat het boek lijkt te bieden.
Wallace heeft lang geworsteld met dit werk waarin zulke basale, wezenlijke onderwerpen worden aangeroerd. Dat hij het zelf niet heeft gered, dat zijn depressies hem uiteindelijk de baas werden, lijkt elke hoop en troost die het boek biedt weg te blazen. Maar het zou oneerlijk zijn om The Pale King op die manier te lezen.

Ik zie het liever zo: Wallace als goedmoedige geest die met dit nagelaten werk nog eenmaal aan zijn lezers is verschenen. En met zijn boek de leegte, die nu eenmaal de kern vormt van het bestaan, een omvang en omtrek weet te geven die hem hanteerbaar maakt. Of, indien niet hanteerbaar, dan op z'n minst herkenbaar. Dat is troostrijk, dat is het magische van literatuur, van briljante literatuur zoals The Pale King, gecreëerd door geniale geestverschijningen die opklinken als een stem in je eigen hoofd. Een stem die zegt: ik weet het, het is verschrikkelijk, en moeilijk, en soms onverdraaglijk. Maar: 'Look around you.’ Je bent niet de enige.


Nicoline Timmer promoveerde op, onder meer, het werk van David Foster Wallace. Haar proefschrift Do You Feel It Too? verscheen in 2010 bij Rodopi (388 blz., € 79,-)