Onverwerkt verleden

FRITS BOLKESTEIN is weer op communistenjacht. Ook ‘fellow-travellers’ als staatssecretaris Tommel moeten er nu aan geloven. De D66-bewindsman kreeg onlangs de wind van voren. Bolkestein noemde hem een ‘politiek onbenul’, omdat Tommel als vice-voorzitter van de Vereniging Nederland-DDR had gewerkt aan het normaliseren van de betrekkingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Duitse arbeidersparadijs van Honecker.

In een interview in Het Parool van 15 november jl. kondigde Bolkestein en nieuwe kruistocht aan tegen iedereen die zich op enigerlei wijze zou hebben ingezet ten bate van het wereldcommunisme. Een en ander zal moeten uitmonden in Bolkesteins nieuwe boek, Onverwerkt verleden, dat begin volgend jaar verschijnt bij uitgeverij Prometheus. Volgens Bolkestein wordt in Nederland met twee maten gemeten, zo lezen we in Het Parool in het artikel ‘Bolkestein roept communisten ter verantwoording’. Het Parool parafraseert de VVD-leider: 'Iemand die ooit iets te maken heeft gehad met de NSB werd daar de rest van zijn leven op aangekeken, terwijl de communisten nooit om verantwoording is gevraagd voor hun verdediging van een systeem dat in wreedheid allerminst onderdeed voor het nazisme. Bolkestein zelf zegt: “Nogal wat toonaangevende intellectuelen stonden - zoals dat toen werd genoemd - genuanceerd tegenover het communisme. Nu lopen ze met een pakje boter op het hoofd.”’
Maar hoe zit het eigenlijk met Bolkesteins eigen cryptocommunistische verleden? Hoeveel stalinistische boter heeft hij zelf op het hoofd? Deze kwestie werd verleden jaar voor het eerst aangestipt, onder meer in Vrij Nederland, dat ambassadeur Van Walsum citeerde, een studievriend van Bolkestein die meende dat de VVD-leider in zijn jonge jaren 'zich door de Russen het hoofd op hol liet brengen’.
BOLKESTEINS medestudent Hugo Brandt Corstius schreef als Piet Grijs op 28 september 1996 in Vrij Nederland een column over de pro-communistische koers die Frits Bolkestein tijdens zijn voorzitterschap van de Amsterdamse studentenverenmiging Asva zou hebben gevaren. Grijs schreef: 'Veertig jaar geleden, op 7 november 1956 om precies te zijn, moest hij (Bolkestein - rz) als voorzitter van de Asva een emotionele Asva-vergadering rustig zien te houden die na het Russische ingrijpen in Hongarije op actie aandrong. “Het bestuur”. zo citeer ik uit een verslag uit die tijd, “kreeg van vele zijden verwijten te horen over haar wel wat erg geserreerde houding. (…) Of de portee van deze verwijten wel tot de voorzitter was doorgedrongen, viel te betwijfelen, toen hij aan het einde verklaarde, deze vergadering "opgelucht te sluiten”. “Waarom”, zo vroeg ik die avond aan Dick Dolman, die met Bolkestein in het Asva-bestuur zat, “relativeert Frits alles en wil hij niet dat de Asva duidelijk positie tegen de Russische invasie kiest?” “Omdat”, antwoordde Dick, “hij nog weleens een snoepreisje naar Polen of Praag wil maken en hij dus vriendjes moet blijven bij de communistische bestuurders van de studentenverenigingen aldaar.”’
Een intrigerende column, die echter niet geheel feitelijk juist blijkt te zijn. Tenminste, Dick Dolman, ex-Tweede-Kamervoorzitter, laat weten dat Bolkestein op dat moment nog helemaal geen Asva-voorzitter was. Dat was Eric Jurgens, de latere minister in het kabinet-Den Uyl. Dolman: 'Bolkestein werd net even later voorzitter en is dat tot 1958 geweest.’ Maar over zijn uitspraak over Bolkesteins vermeende snoepreisjes met communistisch geld zat Piet Grijs er niet ver naast, aldus Dolman: 'Ik zat zelf ook in het Asva-bestuur, als afgevaardigde van Politeia, maar ik heb me altijd verre gehouden van dat soort reisjes. Ik was daar heel fel op tegen, zoals zo velen. Het staat me inderdaad nog wel bij dat Bolkestein daar wat minder fel op was.’
Eric Jurgens wordt in de steek gelaten door zijn geheugen: 'Pardon, maar dit is veertig jaar geleden, u kunt niet van me verlangen dat dat me alemaal nog helder voor de geest staat.’
ER ZIT NIETS ANDERS op dan af te dalen in de archieven van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, alwaar de Asva haar massieve documentatie heeft opgeborgen. In een der vele dozen van het archief blijkt zich inderdaad een forse map met correspondentie over Bolkesteins Praagse expeditie te bevinden. En inderdaad, de voorgenomen expeditie van Asva-bestuurslid Frits Bolkestein naar het vierde congres van International Union of Students (IUS) blijkt zowel in Amsterdam als in andere universiteitssteden voor grote consternatie te hebben gezorgd. Bolkestein heeft het bij diverse gelegenheden doen voorkomen alsof hij zijn Praagse expeditie beleefde in de hoedanigheid van een reeds geharnaste anticommunist. In het recent verschenen boek Het brein van Bolkestein (een, gegeven de titel, overigens verontrustend dun werkje) refereren auteurs Ad Maas, Gerard Marlet en Rutger Zwart er ook aan. 'Volgens eigen zeggen ging Bolkestein omdat het “belangrijk is de argumenten van je tegenstanders te kennen”.’
In 1956 vonden andere studenten echter dat Bolkestein zich met zijn bezoek aan Praag leende voor een propaganda-actie. Eigenlijk wilde Bolkestein, in samenspraak met de praeses van de Asva Eric Jurgens, naar Praag namens de overkoepelende Nederlandse Studentenraad (NSR). Maar dat ging niet door, zo blijkt uit een brief van 24 juli 1956 van R. van den Berg namens die NSR aan Asva-praeses E.C.M. Jurgens:
'Weledelgeboren heer, Uw brief van 17 juli waarin u vermeldde dat de Asva besloten heeft een waarnemer te sturen naar de IV World Student Congress deed vermoeden dat de Asva niet voldoende op de hoogte was met de redenen waarom de NSR, zoals tijdens de laatste raadsvergaderingen besloten is, geen goedkeuring kan verlenen aan een Nederlandse afgevaardigde naar Praag. Ik zou hierbij een beroep op u willen doen om de gedachten van de NSR over deze kwestie met nog meer vuur aan uw Stadgenoten kenbaar te maken.
Het zou betreurenswaardig zijn indien de eensgezindheid van de Nederlandse studenten verstoord zou worden, vooral wanneer het hier betreft een uitnodiging van een organisatie van wie het overduidelijk is dat zij de grondslagen van onze samenleving ontkent en ondermijnt.
De NSR zou het bijzonder op prijs stellen indien de Asva zich nogmaals zou bezinnen op de vraag of de Nederlandse studenten gebaat zullen zijn wanneer uw afgevaardgde het congres bezoekt. Houdt u voor ogen dat de integriteit van het Nederlandse standpunt t.a.v. van het Communisme en de IUS niet om persoonlijke of oppurtunistische redenen in gevaar gebracht dient te worden.’
De brief van Van den Berg is een antwoord op een schriftelijk verzoek van Asva-voorzitter Jurgens, gedateerd 17 juli 1956, om het conflict over de voorgenomen Asva-expeditie bij te leggen. 'Het komt niet ondienstig voor wanneer u met de heer Bolkestein, onze Praagvaarder, een onderhoud zoudt hebben opdat hij gegeven dat hij toch derwaarts gaart, voldoende op de hoogte wordt gesteld van de point of view van de NSR.’
Van de politieke consequenties van de solovlucht van Bolkestein naar Praag trekken zij zich echter niets aan, getuige het schrijven dat Jurgens op 16 juli 1956 deed uitgaan naar president Jiri Pelikan van de IUS. Daarin is geen sprake van omstredenheid. Het enige probleem, aldus Jurgens, is financieel van aard: 'The only difficulty still to surmount is of purely financial a character. You were kind enough to suggest that if this were the only obstacle, you would be happy to be of help in overcoming it.’
IN PRAAG WACHTTE een volle week van vergaderingen en bijeenkomsten. Het is een soort Studenten Internationale, met uiteenlopende activiteiten, variërend van de presentatie van het nieuwe Studentenliederenboek, demonstraties van de nieuwste studentendansen, tot eindeloze series redevoeringen. Vanwege tijdgebrek, zo meldt Bolkestein in zijn rapport, neemt hij alleen maar deel aan de sessies over het kolonialisme, alwaar hij speciaalnota neemt van een Bulgaarse afgevaardigde die protesteert tegen discriminerende praktijken 'bij het toekennen van de delegatiestatus tegen volksdemocratieën als de Deutsche Democratische Republik, Albanië, N.-Korea, N.-Vietnam en Mongolië’.
Van enige veroordelende teksten ten opzichte van het communisme was bij de spreker uit Amsterdam geen sprake. Integendeel, Bolkestein blijkt volgens zijn eigen verslag van zijn inbreng tijdens de debatten juist te hebben aangedrongen op depolitisering van de discussie. Citaat uit de ultrakorte speech, tegelijkertijd het hoogtepunt: 'The student council of Amsterdam would be of the opinion that the raising of problems of purely political a character will only impede the relatism of such cooperation as may achieved on practical activities.’ Nee, retorisch talent had de jeugdige Frits toen nog niet, en zijn Engels was het ook niet helemaal.
Met andere woorden, Bolkestein brak daar in Praag een lans voor het bijleggen van de politieke tegenstellingen teneinde op meer praktische gronden tot samenwerking en uitwisseling van ideeën over te gaan. Kortom: precies het gedachtengoed van de heer Tommel bij de Vereniging Nederland-DDR. Kleeft de vraag: was Frits Bolkestein dan ook 'een politiek onbenul’?
In het verslag ten bate van het thuisfront kijkt hij in ieder geval met vreugde terug op het gebodene. 'Men heeft mij vaak gevraagd in hoeverre ik in Praag vrij was in mijn gedragingen. Hierop kan ik antwoorden dat ik, althans voor zover ik kon nagaan, niet werd gevolgd of bespioneerd en dat ik elke plaats heb bezocht die ik voornemens was te bezoeken. Bij mijn talloze gesprekken met de communistische studenten van Oost-Europa, de onderwerpen waarvan varieerden van Beria tot Lysenko, werd ik terzijde gestaan door mijn tolk, die candidate van de communistische partij was en voortreffelijk Nederlands sprak. Het vertalen deed zij naar vermogen accuraat, voor zo ver ik kon nagaan. Door de Poolse delegatie werd ik uitgenodigd na afloop van het congres een week naar Polen te gaan, welke uitnodiging ik echter wegens tijdgebrek heb moeten afslaan. Deze losse opmerkingen besluit ik met te zeggen dat de materiële verzorging niets te wensen overliet, en dat ook de culturele programma’s zeer de moeite waard waren, ofschoon ik niet kan appreciëren dat Mozart wordt gezongen door een koor in sportkostuum.’
ZO BLIJKT DAT Frits Bolkestein in 1956 - nota bene het jaar van de genadeloos onderdrukte Hongaarse opstand - in veel sterkere mate een fellow traveller is geweest dan het 'politieke onbenul’ Tommel. Onder vlammend protest van bijkans de gehele Nederlandse studentenbeweging bezocht hij een congres van een club die wijd en zijd bekend stond als een communistische mantelorganisatie. (Het volgende jaar zou het Asva-bestuur overigens te vuur en te zwaard de activiteiten van de IUS gaan bestrijden. Het deed er toen alles aan om het bezoek van een Amsterdamse student aan een door de IUS georganiseerd schaaktoernooi te verijdelen, omdat 'iedere samenwerking met deze vanuit Moskou geleide jeugdorganisatie moet worden afgewezen’.)
Terwijl de Nederlandse studentenbeweging Bolkestein waarschuwde voor de propagandistische diensten die hij met zijn bezoek aan Praag verrichtte ten bate van het communistische systeem, zette Bolkestein alles op alles om toch te kunnen gaan. Hij nam zelfs geld van de communisten aan. Eenmaal gearriveerd nam hij zonder enige kritische noot deel aan de debatten, en liet zich fêteren met het geld dat over de onvrije ruggen van de Tsjechische kleine man en vrouw bij elkaar was geschraapt.
Staatssecretaris Tommel kan opgelucht ademhalen. Hij staat niet meer alleen.