Onverwoestbaar monter

De teksten van Fritzi Harmsen van Beek komen niet alleen voort uit nieuwsgierigheid, maar zijn voor een belangrijk deel ook pogingen om een alom dreigende chaos te bezweren.

F. Harmsen van Beek, In goed en kwaad. Verzameld werk. € 22,50

Wat gedichten te maken hebben met de levens van hun makers is een omstreden kwestie. Dichters weten vaak niet hoe en waarom ze iets geschreven hebben en lezers zijn daar niet bij geweest, bovendien gaan de meeste gedichten – goddank – niet over de belevenissen van hun schepper. Doorgaans verdient het dan ook aanbeveling nodeloze kennis over ’s dichters jeugdjaren, broodwinning en seksuele gewoontes niet bij de lectuur te betrekken: het helpt niets en leidt alleen maar af. Er zijn echter dichters bij wie je er niet omheen kunt, ofwel omdat ze zelf te pas en te onpas hun leed aan de grote klok hangen, ofwel omdat ze door andere factoren een zekere faam hebben verworven, informatie die je als lezer niet meer kunt uitschakelen.

Fritzi ten Harmsen van der Beek (1927-2009), of Harmsen van Beek, zoals ze prefereerde, behoort tot de laatste categorie. Haar poëzie en proza kunnen beslist niet autobiografisch genoemd worden, maar al vóór haar debuut in 1965 had wat er over haar verteld werd mythische trekken. Als dochter van de man die Flipje van Tiel had bedacht, erfde zij een aanzienlijk fortuin dat ze er samen met haar broer in hoog tempo doorheen joeg. Van 1954 tot 1971 woonde ze in de vervallen villa Jagtlust in Blaricum, waar het ‘alle dagen feest’ was, om met Remco Campert te spreken, die enkele jaren met haar getrouwd was. Het wilde leven uit die periode is, niet geheel tot genoegen van de betrokkenen, in 1998 uitvoerig geboekstaafd door Annejet van der Zijl. In 1971 verhuisde Harmsen naar het Groningse Garnwerd, waar ze tot haar dood een teruggetrokken leven leidde, hoewel ook daar de drank bleef vloeien en de ‘verloofdes’ kwamen en gingen. Haar laatste boek verscheen in 1975.

Voor het eerst is het mogelijk haar oeuvre te overzien, waarvan een aanzienlijk deel nooit eerder in boekvorm was verschenen. Het vroegste gedicht dateert van 1958 en stond in Tirade, de laatste twee poëtische fragmentjes stammen uit de jaren negentig, maar het overgrote deel van haar productie kwam tot stand tussen 1960 en 1975. Twee dichtbundels, Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten (1965) en Kus of ik schrijf (1975) omsluiten twee moeilijk te definiëren proza­boeken, Wat knaagt? (1968) en Neerbraak (1969). Daarnaast maakte ze naam als tekenaar en illustratrice, publiceerde ze kunstbeschouwingen in Vrij Nederland en droeg ze proza bij aan Maatstaf.

De omvang van het verzameld werk moge respectabel zijn, toch berust de reputatie van Harmsen van Beek als literator vrijwel geheel op haar debuutbundel, een boekje van nog geen veertig pagina’s, dat terecht nog steeds als geniaal geldt. Ook al is veel van Harmsens proza redelijk genietbaar en staat er in Kus of ik schrijf nog wel een enkel leesbaar gedicht, ik denk dat we het verzameld werk vooral moeten zien als context van of commentaar bij Geachte Muizenpoot.

De eerste tekst uit Neerbraak is programmatisch. ‘Een duizendpoot zag ik, in de badkamer, waar zo’n dier natuurlijk niet hoort, en gratie Gods dat is tederheid, zo’n duizendpoot die zijn toch al geringe gewicht verspreidt over al die voetjes. Dit nu is een neerbraak. (Bedenkende vooral dat bijna iedereen duizendpoten repulsief vindt.)’ Dit zijn op z’n minst ongebruikelijke openingszinnen, alleen al doordat de zinsbouw strijdig is met de gangbare regels en het woord ‘duizendpoot’ maar liefst drie keer voorbijkomt. Kenmerkend is meteen de nieuwsgierige aandacht voor het heel kleine en de ontroering die daarmee gepaard gaat. Even later legt Harmsen nader uit wat ze met haar schrijven beoogt. Het is niet de bedoeling, zegt ze, stukjes proza op te voeren ‘zo stampmogelijk opgevuld met allerlei emotionele rommel’. Nee in een echte ‘neerbraak’ moet zich ‘zo kies mogelijk een geheime prikkel tot emotie’ verbergen, ‘die ’s lezers gemoed ontvankelijk maakt voor opvattingen (…) die afwijken van of zelfs tegenovergesteld zijn aan zijn eigen manier van denken’. De neerbraak is ‘de neerslag van een gedachte’, zo geformuleerd ‘dat een (voor)oordeel wordt doorbroken bij de lezer’. Ontregeling, daar gaat het om, zodat de lezer met geheel nieuwe ogen naar de werkelijkheid gaat kijken en ontroering ondervindt waar hij het niet zou verwachten.

Dat is een fraai uitgangspunt, en het suggereert dat de auteur min of meer methodisch op pad gaat om de zintuigen te verrassen en vooroordelen te bestrijden. Andere teksten doen echter vermoeden dat Harmsens teksten niet alleen voortkomen uit nieuwsgierigheid, maar voor een belangrijk deel ook pogingen zijn een alom dreigende chaos te bezweren. In Wat knaagt? schrijft ze: ‘Het komt nooit meer goed want er is geen begin aan of geen einde, het is onhanteerbare afbraak, sloping en ondermijning, langzame vervuiling, verwording, verdwijning zwakjes, dood doodstilletjes, amper bewijsbare aanwijzingen.’ Wat kunnen we doen? ‘Het nietsbeterwetende onzelf trachten te zijn in de chaos. En ordenen, reinigen, ruimen. Tegen beterweten in. Ruimen tot de dood er op volgt.’

Harmsens werk is de ‘neerbraak’ van een leven als ongeleid projectiel, dat te midden van alle chaos met gretige verwondering blijft registreren hoe alles naar de knoppen gaat, en tegen de klippen op naar tederheid blijft verlangen. Dat is al zichtbaar in het surrealistische gedicht waarmee ze debuteerde, waarin haar ‘worgengel’ aan het woord is:

kom

kom bij mij

kom in tot mijn

bekommering, kom in

mijn koele kale kamer,

de verlaten kamer waar de

valse vleugels van gazellen

gazig zijn aan glas

Het blijkt ook uit haar kortste gedicht, een haiku uit 1993: ‘reiziger, indien/ u ooit een krekel hoort die/ help roept: dat ben ik’.

Het bezweren van de wanorde is niet overal gelukt, zeker niet omdat Harmsen, wellicht aangespoord door bewonderaars, haar hang naar het bizarre is gaan cultiveren, hetgeen niet zelden ontaardde in gewilde nonsens. Met name Kus of ik schrijf lijdt aan een vrijwel totaal gebrek aan greep op de materie. Bij regels als deze vraag ik me werkelijk af wat een uitgever er ooit in gezien heeft:

Ha! Botgriet. Weet jìj wat dàt is? Ik

niet, voor ik er eentje onder neus kreeg

ende vroege aan Majordomus of Führganger,

oder Oberober of zoiets, of hij hem of

háár, maar zulde wouwe halveren.

Hoewel Fritzi Harmsen zichzelf misschien als een geestverwant van James Joyce beschouwde, herinnert dit gelul ongemakkelijk aan de ­laatste pennenvruchten van Cornelis Bastiaan ­Vaandrager, uit de jaren dat hij knettergek was.

Nee, ook na de publicatie van dit verzameld werk zal Harmsen de dichter van één ­meesterwerk blijven. Zeventien van de negentien gedichten in Geachte Muizenpoot bestaan uit strofen van twee regels, waarbij de zinnen, die vaak een uiterst losse structuur vertonen, zich niets lijken aan te trekken van het strofisch keurslijf. De spreker fabuleert erop los en bekreunt zich op het eerste gezicht niet om samenhang:

Heren,

die ons een toevlucht geweest zijn van geslacht

tot geslacht’zij allen zijn vormloze dieren. Wie

weet nog waar zij aarzelen, schuwen, waarin zij

vluchten? Zij zijn ooghaarlozer dan ganze­roeren

en de schepselen waarmee zij zich verweren licht-

zinniger dan plankton.

Het duurt even voor je in de gaten krijgt dat het gedicht een poging doet de historisch en evolutionair belaste verhouding tussen mannen en vrouwen te becommentariëren. De meeste mannen die in de bundel voorbijkomen wekken een weinig verheffende indruk, maar dat geldt misschien evenzeer voor de vrouw die op de meeste pagina’s aan het woord lijkt te zijn. Voorzover er hoop is, valt die eerder bij dieren dan bij mensen te vinden.

Al in het eerste gedicht laat Harmsen zien dat de mensheid zich ten onrechte als de kroon op de schepping beschouwt. ‘Wat een ding en ben ik in goed en kwaad?’ Het antwoord is ontluisterend: ‘In oorsprong omhoog gevallen maar groeiend lager/ en ondermaanser steeds zich vermoeiend en kwijtend/ van stoeten ritseldingen die eerder als vleugel-/ reuzen boven hun hemel hieven’. De mens is zich gaan realiseren dat hij een hulpeloos dier is en heeft zijn metafysische pretenties moeten opgeven. ‘Hoe een ding en ben ik zo zoekgeraakt?’ Voor die verlorenheid bestaat geen doeltreffende oplossing:

Waar nu dan te berusten dan in uitgestrekte

weerzinnige vervreemding of in anders welke

beddingen van onbegrip zal ik mij ontvouwen

Met name in het vierluik dat de bundel afsluit laat Harmsen op pijnlijke wijze zien dat filosofie en christelijk geloof hun beloften niet hebben kunnen waarmaken. In het eerste hoofdstuk van deze ‘poëtische avonturen van Polsmofje en het poesje Fik’ stelt de kater vast dat zijn meesteres in het café nog wel even werk zal hebben ‘met vriend, verloofde/ of wat mag het zijn, jenever, bier en brandewijn’. Wanneer Polsmofje stombezopen thuiskomt, vreest ze de morgen niet meer te zullen halen en citeert ze de laatste woorden van Sokrates, die na het drinken van de gif­beker opmerkt dat hij nog een haan aan Asklepios verschuldigd is, blijkbaar als offer om de god te bedanken voor het feit dat hij nu van het leven genezen is. Bij Harmsen staat het er zo: ‘o God, vergeven ben ik, haal mijn vrienden, speelgenoten,// echten en onechten, dat ik hun de hanen geven kan en hemelen…’ Nadat mevrouw haar roes heeft uitgeslapen verrijst zij als Christus uit de dood, juist op het moment dat de bestelde hanen arriveren:

Toen nu bleek, dat de verlate

hanen voor de esculapen tevergeefs waren gekomen, traden

zij aan te kraaien van verontwaardigingen Polsmofje

werd Lucas indachtig en de beschrijvingen van het ver-

raad van zoveel anderen en sleepte zich naar buiten en

weende zeer.

‘Und weinete bitterlich’, zoals de evangelist in de Matthäus-Passion zingt. Aan de ene kant maakt Harmsen duidelijk dat de verheven idealen van Plato en het Nieuwe Testament onrealistisch zijn, tegelijkertijd plaatst de ogenschijnlijke banalisering het dronkemansverhaal op een hoger niveau. Is de roes niet een vorm van sterven? Mag het aanbreken van een nieuwe dag niet altijd als een wonder worden beschouwd, dat de hoop biedt met een schone lei te kunnen beginnen? En is de alcoholist die met een kater opstaat niet iemand die steeds zichzelf verloochent?

Dat er in Geachte Muizenpoot existentiële thema’s worden aangesneden is evident, maar de grootsheid van het boekje schuilt vooral in de vorm ervan, of liever: in de toon. ‘Haar spreken was een superieur soort ouwehoeren met vreemde overgangen en wilde associaties,’ schreef Jan Fontijn ooit na een bezoek aan de dichter, ‘alsof er sprake was van een ononderbroken stream of consciousness’. Meermalen is opgemerkt dat de onnavolgbare stijl van Gerard Reve in hoge mate schatplichtig was aan het lucide gepraat van Harmsen.

Nergens is zij beter op dreef dan in het titelgedicht, dat is opgezet als een brief aan een zekere ‘Muizenpoot’. Het is een hartverscheurend gedicht, juist doordat het in zijn bizarre details ook zo onweerstaanbaar grappig is:

Hoe gaat het met U, met mij goed. Wel is alles heel

vervelend, als ik voorover lig gebed in mijn gedachten

aan U en ben ik ook heel eenzaam. En onderga de lente

als een flauwte. Dit is mij nu zo vaak al overkomen dat

ik er de klad van in mijn wezen heb en dat tussen het

afgerukte vlees der hyacinten de verplegers van die

bloemen knielen voor vreemdelingen. (Dit heb ik zelf gezien

vanuit de trein naar Haarlem.)

In dit gebed, als we het zo mogen noemen, transformeert een treinreis langs de bollenvelden tot een psalm van wanhoop en overgave, die desondanks, waarschijnlijk door de nuchtere observaties, iets onverwoestbaar monters uitdraagt. Daarom is Fritzi Harmsen van Beek een heel groot dichter.

Uit: Vreemde excuses

Haar brieven naar huis worden steeds vreemder. Lees dit nu bijvoorbeeld.

Lieve Pappie en tante Helen,

Het was in de tijd dat ik nog dier was. Ik had toen geen bloot vel. Jullie denken natuurlijk wat heeft dat er nu mee te maken, maar ik geloof wel degelijk dat het allemaal om reden van mijn vel is dat ik hier nu moet zitten en ook die ­verschrikkelijke geschiedenissen met Jaap en Nico en met Jacques en Harry en Wilfred en Cokkie en kleine Binkie en meneer Bienbelt, alles een kwestie van herinnering aan mijn toenmalig oud vel.

Het was dus in de tijd dat ik nog dier was. Ik had toen haast geen bloot vel. Ik moet daar steeds weer opnieuw aan denken, omdat het mij voorkomt dat ik toen nooit nakend was of slechte dingen deed, net of daar een soort verband tussen zou kunnen bestaan, weten jullie trouwens dat dokter Wildervank gezegd heeft dat ik niet slecht ben, ook nooit geweest? Daar kijken jullie wel van op zeker, ik ook trouwens, vooral omdat ik hier toch vastgehouden word omdat ik mij zo vreselijk heb gedragen.

Nu goed, ik was dus een dier, maar veel ­herinner ik mij daar niet van. Het is allemaal erg vaag. Later zijn er allerlei dingen gebeurd, (die ik nog zal uitleggen), die mij duidelijk ­hebben gemaakt wat voor soort dier ik was, maar uit die tijd zelf weet ik niet veel meer. In ieder geval was ik erg elegant en zacht, vooral onder mijn buik en aan de binnenkant van mijn voorpoten. Daar groeit niet het sterkste haar, maar wel het liefste. En het meest zindelijke.

Of dit, uit Langs de vloer:

Onbeschrijflijk schoon en wonderbaarlijk zijn de ondervindingen der kruipende dames. Als verloofdes niet zo onvaak kropen zou een wereld voor ze opengaan.

De bizarre feeërie van het tot in het onherkenbare uiteengevallen gewone, van bv. de tot niet meer te identificeren pootjes, vleugeltjes, rompjes, oogjes uiteengevallen huisvlieg, die door de kamer vloog, zoëven nog zo begaafd en vrolijk, alsof zonder mysterie, dat noemen wij dames, die vegen en kruipen willen poëzie.

Ongetwijfeld heeft ook het stoffen zijn charme, en tot op zekere hoogte het dweilen. Hoewel er bij de toepassing van nat een hoop moois onherroepelijk verloren gaat. Het heeft iets liefdeloos, dweilen. Iets ambitieus in die zin dat het resultaat en de éclat van dat resultaat de hele ­handeling als bezigheid terug dringen op een secundair plan, waarbij van verdieping of wezenlijke concentratie dus geen sprake kan zijn. Het is een mentaliteitskwestie, een elementaire geschiedenis.