ZEEV STERNHELL

Onverzoenlijke denkrichtingen

Zeev Sternhell, The Anti-Enlightenment Tradition. € 35,10

Dat de Israëlische historicus Zeev Sternhell een diepe haat koestert jegens duisterlingen die zich op grond van allerlei irrationele denkbeelden superieur wanen aan mensen uit andere groepen is meer dan begrijpelijk. In 1935 geboren in Polen overleefde hij de shoah alleen omdat een Poolse katholiek hem valse papieren bezorgde. Zijn moeder en zuster werden vermoord. Als linkse zionist en prominent lid van Vrede Nu wekte hij de haat van ultraorthodoxe kolonisten, die in 2008 een mislukte bomaanslag op hem pleegden.
Hij geldt als een van de belangrijkste historici van het fascisme, waarbij hij zich vooral heeft gericht op de intellectuele wortels van deze ideologie, die hij hoofdzakelijk situeerde in het Frankrijk van de Derde Republiek. In The Anti-Enlightenment Tradition, dat oorspronkelijk in 2006 in het Frans werd gepubliceerd, plaatst hij deze denkbeelden in een traditie die teruggaat tot het begin van de achttiende eeuw en die zich fel verzet tegen de ideeën van de Verlichting.
Sternhell is zeker niet de eerste die aandacht besteedt aan denkers als Vico, Herder, Burke, Renan en Sorel, die allen kritiek hadden op het rationalisme en het universalisme van de Verlichting. Deze intellectuele traditie wordt vaak aangeduid als de Counter-Enlightenment, en hoewel hij de term niet heeft bedacht was het met name Isaiah Berlin die deze beweging diepgaand heeft bestudeerd. Volgens Berlin had de Verlichting geen oog voor de irrationele drijfveren van de mens, voor het feit dat allerlei menselijke waarden met elkaar kunnen botsen, en voor de realiteit dat die waarden in verschillende culturen verschillende prioriteit kunnen hebben. Het begrip ‘Tegen-Verlichting’ heeft de connotatie van 'tegenwicht’. Een deel van de kritiek op de Verlichting zou kunnen dienen om bepaalde schaduwzijden van de Verlichting zichtbaar te maken en zou een noodzakelijke correctie kunnen vormen op het overspannen rationalisme en universalisme van de Verlichting.
Sternhell wil hier niets van weten, en gebruikt dan ook het begrip 'Anti-Verlichting’, waarmee hij wil aangeven dat het hier gaat om onverzoenlijke denkrichtingen. Niet alleen keert hij zich tegen de achttiende- en negentiende-eeuwse critici van de Verlichting, ook opent hij de aanval op twintigste-eeuwse auteurs die van mening waren dat althans een deel van die kritiek zinnig is geweest. Zo moet zijn landgenoot Jacob Talmon, die heeft gewezen op de relatie tussen het Verlichtingsdenken en het twintigste-eeuwse totalitarisme, eraan geloven. Diens werk en dat van Berlin plaatst Sternhell in de context van de Koude Oorlog, waarmee hij suggereert dat hun motieven eerder politiek dan wetenschappelijk van aard waren.
Ook de progressieve Ierse historicus en politicus Conor Cruise O'Brien krijgt ervan langs, omdat hij in zijn biografie van Edmund Burke heeft geschreven dat veel van diens kritiek op de Franse Revolutie nog altijd relevant is en er lijnen zijn te trekken van de Franse jakobijnen naar de Russische bolsjewieken. Sternhell noemt hem in één adem met Ernst Nolte, de Duitse filosoof die, na aanvankelijk baanbrekende studies over het fascisme te hebben gepubliceerd, het nazisme steeds meer is gaan vergoelijken. En ideeënhistoricus Quentin Skinner krijgt een veeg uit de pan omdat hij aan de wieg zou hebben gestaan van het postmodernisme, dat het bestaan van universele waarden en rationaliteit volledig ontkent. Dat Sternhell doordraaft wordt duidelijk als hij schrijft dat de kloof tussen Ernst Cassirers positieve boek over de Verlichting en Carl Beckers The Heavenly City of the Eighteenth Century Philosophers even groot is als die tussen 'de universiteitscampus in New England en het concentratiekamp Dachau’.
Elke kritiek op het rationalisme en universalisme van de Verlichting, hoe voorzichtig en subtiel ook, moet volgens Sternhell uiteindelijk wel ontaarden in obscurantisme en het afwijzen van universele mensenrechten. Maar hoe zit het dan met het marxisme, dat toch duidelijk een kind van de Verlichting was? Heeft dat dan niet geleid tot de gruwelijke praktijk van het communisme? Hoewel Sternhell in zijn boek zowel het marxisme als het stalinisme noemt, brengt hij ze - anders dan Talmon, Berlin, O'Brien, Nolte en John Gray - nergens met elkaar in verband. Waar hij alle nadruk legt op de continuïteit tussen de Verlichtingscritici en het nationaal-socialisme veegt hij hier een andere continuïteit onder het tapijt, zoals hij evenmin oog heeft voor de relatie tussen het Verlichtingsdenken en de opkomst van het negentiende-eeuwse racisme.
In het onlangs verschenen The Drawing of the Mark of Cain (Amsterdam University Press) laat sociaal-historicus Dik van Arkel duidelijk zien dat het christendom weliswaar een lange antisemitische traditie kende, maar dat het vooral de aanvallen van Voltaire en andere Verlichtingsdenkers op het christendom waren die de weg vrijmaakten voor de gedachte dat er superieure en inferieure rassen waren. Volgens de kerk hadden alle mensen dezelfde voorouders en mochten joden en andere ongelovigen niet gedood worden, omdat men hoopte dat zij zich uiteindelijk toch tot het christelijk geloof zouden bekeren. Voor racistische antisemieten maakte dit echter niets uit en had vooral het inferieure 'joodse ras’ eigenlijk geen reden van bestaan.
Een dergelijk verband past echter niet in het rigide schema van Sternhell, zodat de notoire antisemiet Voltaire en de joodse zelfhater Marx rustig hun plekje op de heldengalerij behouden, terwijl serieuze historici worden geassocieerd met rabiate racisten en massamoordenaars.

ZEEV STERNHELL
THE ANTI-ENLIGHTENMENT TRADITION
Yale University Press, 532 blz., € 35,-