Profiel: Henk Sneevliet

Onverzoenlijke eenling

De jonge Soekarno bewonderde hem als schrijver en als spreker. In China bewaarde Mao warme herinneringen aan hem. Ook Sun Yat-sen was nauw met hem bevriend. Hij stond op goede voet met Lenin en Trotski en ook Rosa Luxemburg behoorde tot zijn persoonlijke vriendenkring. Toch kennen de meeste Nederlanders Henk Sneevliet hoogstens als naamgever aan een viaduct boven de Amsterdamse ringweg. Voor het overige is de herinnering aan Sneevliet in zijn geboorteland vooral verdrongen, alsof men er zestig jaar na zijn dood voor een Duits vuurpeloton nog steeds geen raad mee weet.

De onverzoenlijke revolutionair Sneevliet stond bij leven al grotendeels alleen; na zijn dood is dat niet veranderd. Lang lag op Sneevliets nagedachtenis een politiek taboe. In sociaal-democratische kringen lag hij er al uit sinds zijn breuk met Troelstra’s SDAP in 1912. Ook in CPN-kringen maakte Sneevliet nu niet bepaald warme gevoelens los: onder Paul de Groot was de officiële lijn dat Sneevliet een «fascist» dan wel «een trotskist» was, terwijl Sneevliet op zijn beurt de Communistische Partij Holland vanwege dier hartelijke relaties met Stalin plastisch aanduidde als de «syfilis van de arbeidersbeweging». Zelfs met de trotskisten kon Sneevliet uiteindelijk niet meer door een deur, zoals het ook tot een politieke breuk kwam met Henriëtte Roland Holst, de schrijfster met wie hij toch zo’n nauwe band had en uit wier werk hij moeiteloos uit het hoofd kon declameren.

Hij werd geboren op 13 mei 1883 als Hendricus Josephus Franciscus Marie Sneevliet in de Rotterdamse wijk Crooswijk. De familie leefde in bittere armoede. Vader Antonie Sneevliet was sigarenmaker. Moeder Hendrikje Macklenbergh, uit Utrecht, kwam uit een gegoede familie die haar huwelijk echter had afgekeurd en alle contacten met het paar had verbroken. Zij stierf drie jaar na zijn geboorte aan tuberculose, waaraan het paar eerder al een kind had verloren. Samen met zijn jongere zusje Christina werd de kleine Henk naar zijn grootmoeder in ’s-Hertogenbosch gebracht, terwijl zijn vader ging werken als gevangenisbewaarder in Roermond en hertrouwde. Omdat de jonge Sneevliet niet kon opschieten met zijn stiefmoeder, bleef hij in Den Bosch, waar hij door twee tantes werd opgevoed.

’s-Hertogenbosch was in die dagen het bruisende middelpunt van het katholieke leven in zuidelijk Nederland. Alhoewel Sneevliet al op jonge leeftijd zou breken met het geloof, zou hij diep van binnen toch altijd een roomse Brabander blijven, zoals hij zelf trouwens ook wel inzag. «Het was een voordeel dat in de harde praktijk van het leven ik niet de poëzie en de schoonheid van het blijde katholieke geloven verloor, zonder dat mij diezelfde levenspraktijk de Rijkdom, de Schoonheid, de Glans van de Religie de sociaal-democratie schonk.» Hij was een man met humor, flamboyant, royaal, zeker geen «socialistische spitsburger», zoals hij vele van zijn Hollandse kameraden zag.

Strenge standsverschillen kenmerkten het leven in de provinciestad. «Ik leefde in letterlijke en figuurlijke zin aan de grenzen van Armoedeland», schreef Sneevliet. «Dicht bij huis de verschrikkelijkheden van de armoebuurt, die ik van nabij kon waarnemen.» Op school ontpopte Sneevliet zich als een uitmuntende leerling. Met speciale steun was het mogelijk dat hij de hbs bezocht, toen nog een unicum voor iemand uit een onbemiddeld milieu.

Sneevliet was niet alleen een goede leerling, maar ook een opstandige. De pastoor zat hem achter de broek omdat hij niet aan zijn religieuze verplichtingen voldeed, terwijl de directeur van de school hem uitmaakte voor de «rotte appel in de mand». Na de hbs was het met het leren gedaan. Sneevliet kwam te werken bij het Staatsspoor in Zutphen, alwaar hij al snel actief werd voor de SDAP en de Nederlandse Vereniging voor Spoor en Tramwegpersoneel. Als in 1903 een grote spoorwegstaking uitbreekt en er bij wijze van represaille vijfduizend arbeiders worden ontslagen, heeft Sneevliet meteen zijn vuurdoop gehad. Zelf blijft hij vooralsnog buiten schot. In 1904 wordt hij stationsambtenaar in Zwolle, waar hij zijn eerste vrouw Maartje Visser leert kennen en ook Henriëtte Roland Holst, die danig onder de indruk van hem is. Tussen Sneevliet en «Tante Jet» ontstond een diepe vriendschap. Alhoewel er ook tussen hen politieke meningsverschillen rezen, bleef Roland Holst Sneevliet, heel zijn leven door schulden achtervolgd, financieel bijstaan.

In 1907 wordt Sneevliet in Zwolle gemeenteraadslid namens de SDAP. Al snel is hij een gevreesd politicus. De notabelen in de Club van Zwolle spreken schande, maar door de arbeiders wordt hij op handen gedragen. Een tegenslag is dat zijn vrouw Maartje hem na twee jaar huwelijk verlaat voor partijgenoot J.A.N. Knuttel, redacteur van het Woordenboek der Nederlandse Taal en gemeenteraadslid van de SDAP in Leiden. «Het was een nederlaag voor de jonge man», aldus zijn biograaf Max Perthus (pseudoniem voor Pieter ’t Hart, een persoonlijke vriend van Sneevliet). «Later waren er nog wel reacties van Henk, die erop wezen dat het nog vele jaren een open wonde is gebleven. Want tenslotte was hij een mens, wiens leven niet alleen door uiterlijke omstandigheden, maar ook door psychologische invloeden bepaald werd.» Sneevliet hertrouwt met onderwijzeres Betsy Brouwer, die in 1911 bevalt van een tweeling, de jongens Pim en Pam.

Als politicus, vakbondsman en pamflettist klimt Sneevliet al snel in de rijen van de SDAP, waar hij aan de uiterste linkervleugel staat. In 1911 bezoekt hij Rosa Luxemburg, in wie hij een geestverwante ziet. Een jaar later is hij betrokken bij grote vakbondsacties als er een internationale zeeliedenstaking uitbreekt. Het brengt hem in conflict met de meer behoudende SDAP-leiding. Net als Roland Holst maakt Sneevliet een eind aan zijn SDAP-lidmaatschap. Pieter Jelles Troelstra probeert hem nog voor de partij te behouden en bezweert hem afstand te houden tot Roland Holst. In een brief aan Sneevliet schrijft Troelstra vrij naar Goethe dat voor «onze eminente schrijfster en dichteres, zodra ze het terrein der politieke vraagstukken betreedt, maar al te veel geldt dat zij ‹stets das Gute will, doch stets das Böse schaft›». De poging mag niet baten. Samen met de schrijfster loopt Sneevliet over naar de veel radicalere SDP, de eerste in een serie van vele breuken en splitsingen in het politieke leven van Sneevliet.

Door zijn faam als stakingsleider krijgt Sneevliet in Nederland al snel geen emplooi meer. Hij is economisch gedwongen te verhuizen naar Nederlands-Indië, alwaar hij als journalist aan het werk gaat bij het Soerabajaasch Handelsblad. Half februari 1913 vertrekt Sneevliet naar de kolonie. Alleen al de reis maakt grote indruk. «Beoosten Suez houden de Tien Geboden op, heeft R. Kipling eens geschreven. Dat wist ik toen nog niet, maar wat ik in Djibouti zag buiten de Europese wijk, heeft me doen ontstellen», schrijft hij.

De kennis die Sneevliet over de kolonie heeft, komt vooral uit de door hem diep bewonderde Max Havelaar. Op Java ontmoet hij een achterneef van Multatuli, E.F.E. Douwes Dekker, wiens verboden Indische Partij streeft naar onafhankelijkheid. Al snel is Sneevliet een van de ijverigste propagandisten voor de Indonesische autonomie. Hij ziet in de zich snel organiserende gelederen van de islamitische beweging in de kolonie — de Sarekat Islam — het meest geëigende instrument voor die losmaking en onderhoudt warme contacten met de leiders van die groepering. Ondertussen zet hij zich aan de oprichting van de communistische partij van Indonesië, de PKI.

Na korte tijd verruilt Sneevliet de journalistiek voor een goed betaalde baan als secretaris van de Handelsvereniging (een soort Kamer van Koophandel) in Semarang. Hij publiceert regelmatig in de plaatselijke pers. Zo verzet hij zich fel tegen de plannen van het comité Indië Weerbaar om Nederlands-Indië sterker te bewapenen, hetgeen volgens hem alleen maar tot meer repressie van de inheemse bevolking zal leiden.

Als in februari 1917 de Russische Revolutie uitbreekt, is Sneevliet diep onder de indruk. Zoals zovelen denkt hij dat het uur van de grote omwenteling is gekomen. Dit sentiment steekt hij ook niet onder stoelen of banken, zodat hij in 1918 wordt aangeklaagd vanwege opruiing in geschrifte. Sneevliets verdedigingsrede duurt negen uur en trekt alom de aandacht. Onder druk van de lokale pers wordt hij ontslagen bij de handelsvereniging. Voor de inlandse bevolking is hij in een klap een begrip, waarna gouverneur Van Limburg Stirum besluit hem als persona non grata uit te wijzen.

De publiciteit trekt de aandacht van Lenin en Trotski, die hem naar Rusland roepen. Vanaf het bordes van het Winterpaleis spreekt Sneevliet de bevolking van Petrograd toe, terwijl Trotski zijn woorden vertaalt.

In Moskou ontmoet hij de Russische Sima, die zijn derde vrouw zal worden. Vanwege zijn ervaring in Nederlands-Indië zien Lenin en Trotski Sneevliet als een ideale vertegenwoordiger in China, waar sinds de val van het keizerrijk een burgeroorlog woedt.

In februari 1921 begint Sneevliet aan zijn lange, moeizame reis, op de huid gezeten door agenten van de Politieke Inlichtingen Dienst. In Wenen belandt hij een paar dagen in de cel en wordt hij uiteindelijk als ongewenst persoon uitgewezen. Op 18 april vetrekt hij vanuit Venetië op een boot naar China. Zijn schuilnaam luidt Maring, wat ook de naam is waaronder hij in China nog steeds bekendstaat.

In China ontpopt Sneevliet zich als een geslepen onderhandelaar. Hij slaagt erin tegenstanders als Sun Yat-sen en Chang Kai-sjek met elkaar te verzoenen. Tevens zet hij zich aan de oprichting van de Chinese Communistische Partij. In de jonge student Mao Zedong ziet hij een politiek talent en het is Sneevliet die Mao naar voren schuift. Regelmatig reist hij naar Rusland om zijn vorderingen te melden.

Als Lenin in 1924 komt te overlijden, breken er ook voor Sneevliet duistere tijden aan. Trotski verliest de machtsstrijd met Stalin en wordt in 1929 uitgewezen naar Mexico. Ook Sneevliet wordt in de Sovjet-Unie tot ongewenst element verklaard. Teleurgesteld richt Sneevliet in 1929 in Nederland de Revolutionair Socialistische Arbeiderspartij op (RSAP), waarvoor hij in 1934 in de Tweede Kamer wordt gekozen. Dat laatste nadat hij in 1933 tot vijf maanden cel was veroordeeld vanwege een artikel over de muiterij op de Zeven Provinciën.

De Moskou-getrouwen van de CPH waren not amused. Sympathisanten van Sneevliet werden regelmatig in elkaar geslagen door communistische knokploegen. Stalins geheime dienst elimineerde na het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog in 1936 aan de lopende band medestanders van Trotski. Ook Sneevliet, die in 1936 Catalonië bezocht en daar de Poum-strijdgroep mede hielp oprichten, stond op de zwarte lijst. Contact met zijn ex-vrouw Sima en hun gelijknamige dochtertje, die in 1934 terug naar Moskou waren gegaan, was niet mogelijk. Sneevliets vriend Ignace Reiss werd in 1937 vermoord in Frankrijk, na kort daarvoor om Sneevliets hulp te hebben gevraagd.

Ook persoonlijk moest Sneevliet in de jaren dertig grote klappen incasseren. In 1932 en 1937 verloor hij zijn beide zonen Pim en Pam. Beide jongens pleegden zelfmoord. In 1937 kwam er een einde aan het kamerlidmaatschap van Henk Sneevliet. In plaats daarvan kwam hij in de Amsterdamse gemeenteraad terecht. Met het naderen van de oorlog kreeg hij herhaaldelijk de kans naar Amerika te gaan, maar telkens wees hij dat van de hand.

In mei 1940, direct na de Duitse inval, dook Sneevliet onder. De Duitsers beschuldigden hem ten onrechte van betrokkenheid bij een complot om Hitler en andere topnazi’s te vermoorden. De RSAP vormde zich om tot het Marx-Lenin-Luxemburg-front, dat onder meer het blad Spartacus uitgaf waarin Sneevliet van meet af aan opriep tot verzet tegen de anti-joodse maatregelen van de bezetter. Geheel trouw aan de internationalistische ideologie probeerde de ondergrondse Sneelvliet-groep in contact te komen met Duitse soldaten die tegen de oorlog waren. In de ogen van andere verzetsgroepen was contact met welke Duitser dan ook sowieso verboden. Ook hier bevond Sneevliet zich weer in een minderheidspositie.

In april 1942 viel het doek. Op hun onderduikadres in Bergen op Zoom werden Henk Sneevliet en zijn vrouw na een lange klopjacht van hun bed gelicht. «Ein besonderer Fang», oordeelde de Sicherheitsdienst. Samen met zeven medestanders werd Henk Sneevliet op 13 april 1942 gefusilleerd op de Leusderheide. Een verzoek van drie Duitse rechters om Seyss-Inquart ertoe te bewegen Sneevliet in leven te houden, zodat hij na de oorlog voor propagandadoeleinden zou kunnen worden ingezet, werd afgewezen.

Sneevliet, die in gevangenschap vermoedelijk zwaar is gemarteld, stierf als een ongebroken man, getuige de beschrijvingen die van zijn laatste uren bestaan. «Tot het laatste ogenblik hoop ik de kracht te bezitten om de Maleise spreuk te laten gelden: Berani Karena Benar — dapper zijn omdat het goed is», schreef hij in zijn laatste brief aan zijn familie. De Duitsers hielden zich overigens niet aan hun belofte dat zijn vrouw zou worden gespaard: direct na de executie van haar man werd Betsy Sneevliet naar Ravensbrück gebracht, al zou zij de oorlog wel overleven.

Na de oorlog kregen Sneevliet en zijn medeverzetsstrijders een eigen monument op de begraafplaats Westerveld te Driehuis, alwaar Sneevliet dicht in de buurt ligt van zijn idool Multatuli. Daar zal op zondag 14 april aanstaande zijn zestigste sterfdag worden herdacht.