Onvolledig landschap

Jef Aerts
Voor je er bent
De Bezige Bij, 63 blz., € 16,50

Jef Aerts (1972) is een meester in het weglaten. Wat ontbreekt maakt hij pijnlijk aanwezig. In zijn debuutbundel Voor je er bent schetst hij een leven dat zich niet duidelijk laat aftekenen. Het bestaat uit indrukwekkende momenten, kortstondige inzichten en een groot besef van wat er niet is.

De dichter stelt zich in het gedicht Uitzicht aan zee de vraag hoe je een vrouw moet schilderen die zich achter het landschap heeft verstopt. Hij maakt een aanzet tot het schilderen van het landschap tot in detail, maar de vrouw blijft zich verschuilen.

je ziet alleen wat duinen wiegen

een haas spurt weg, visdiefjes

maken salto’s, een lichaam drukt zich

hoorbaar in rul schelpenzand

De wereld sluit zich als een mal om de vrouw, en de dichter die net als de lezer de vrouw moet missen, kan niet anders dan deze restvorm beschrijven. De vrouw heeft wellicht de haas op de vlucht doen slaan en het is misschien haar lichaam dat het knerpende geluid maakt in het schelpenzand.

Wat aan het uitzicht ontbreekt, doop je

in de inkt, wrijft in trage vegen

het papier tot een gezicht

dat in herinneringen op je toe loopt

terwijl de golfslag verstilt

tot het eb en vloed van lakens

Het gedicht is een schilderij geworden waarin het beeld van de vrouw wordt opgeroepen. De vrouw wordt als een onvolledige herinnering, iemand van wie je eerst de naam en dan het gezicht vergeet. Het laatste woord van het gedicht doet vermoeden dat de vrouw niet zomaar een passant was, of in ieder geval een passant met wie het bed is gedeeld. Het maakt de vrouw die er eerst helemaal niet is, om dan toch te vervagen en uiteindelijk als wazige vlek in trage vegen aan te komen lopen, iemand van vlees en bloed.

Het gedicht vraagt er dan om nog eens gelezen te worden, en het landschap dat de vrouw moet missen wordt er alleen maar leger van. Het landschap kan dan ook gezien worden als de omgeving die door de dichter gedeeld werd met de vrouw. Hij is uiteindelijk zelf het landschap dat deze vrouw moet missen.

Ook in het openingsgedicht van de bundel, Wat een landschap is, blijkt het landschap vele gezichten te hebben.

Zo laten we ons verdwalen

in wat een landschap is

met uitgedoste heuvels

een deken tussen bloemen

en jij die met een hoed

de koude weg wil

drukken

we luisteren naar

hoe we kraken

in de hoeken van het gras

terwijl we languit

op de rug

het land meetbaar maken

voor onze rusteloze vingers

die zwermen naar

wat verdwijnt

in de richtingen

van vogels.

In de gedichten van Aerts is het vaker zo dat wat ergens op lijkt, verwordt tot waar het op lijkt. Deze dichter zou nooit schrijven: ‘het landschap is als een deken’. Hij laat de deken het landschap zijn, zodat je als lezer in grenzeloze, licht absurdistische taferelen verzeild raakt. De dichter zal ook nooit zeggen wat er precies aan de hand is. Het is onduidelijk waar de mensen in het bed dat ook een landschap is last van hebben. Het is zelfs onduidelijk of de mensen in het bed wel ergens last van hebben. Als je ze voorstelt in een landschap, dan is het ‘kraken in de hoeken van het gras’ onheilspellend. Rusteloze vingers wringen in het rustieke tafereel. Maar als het gekraak en de beweeglijke vingers een rol spelen in bed, dan is het een heel ander verhaal.

Deze gelaagdheid wordt al aangekondigd in de titel van de bundel. ‘Voor je er bent’ lijkt aan te geven dat de dichter tegen zichzelf heeft gezegd: ‘Je bent er nog lang niet.’ Voor het zo ver is, heeft hij nog iets te zeggen. En wat de dichter wil zeggen is een volledige bundel. Maar wanneer aan het slot van de bundel een kind het gedicht in springt, blijkt dat het wachten concreter is.

Een kind springt door het raam, tuimelt

op de lakens, slaat een kussen op je nek

tot overal waar zon zit, kindervoetjes dansen

Zodra de dichter zich realiseert dat het maar een beeld is, een fantasie, laat hij op z’n Aerts niet het beeld maar het kind uiteenvallen:

maar zodra je denkt ik

denk het, valt het kind in stukken

stuift als vogels uit het raam

De dichter hoort zich vervolgens huilen met de stem van het kind. En wat eerst over een verloren jeugd van de dichter leek te gaan, en een dichterschap in wording, kondigt nu ook de geboorte aan van een kind: ‘het kind draagt je naam en al weet je het/ zo goed nu, toch duurt het nog een tijdje/ voor je er bent.’ Het leven dat Jef Aerts schetst bestaat niet alleen uit wat er niet meer is, maar ook uit wat nog komen moet.