De gevolgen van het lerarentekort

Onvoorbereid voor de leeuwen geworpen

Stagiairs staan onder grote werkdruk, het aantal langstudeerders is ongekend en lerarenopleidingen verkeren in financieel zwaar weer. Wat een oplossing zou moeten zijn voor het lerarentekort blijkt een valkuil voor de jonge docent.

Zes klassen, in zes verschillende jaarlagen. Het is even slikken voor wiskundedocent Maria als ze aan het begin van schooljaar 2019-2020 haar eerste lesrooster onder ogen krijgt. Ze stapt meteen naar de schoolleiding. Alles is nieuw, het kost al zoveel tijd om alle ballen in de lucht te houden, kan ze niet een paar dezelfde vmbo-klassen krijgen? Maar er is niets meer aan te doen, ze zal elke les afzonderlijk moeten voorbereiden.

Het is een verhaal dat veel beginnende docenten herkennen. Na haar specialistische bètastudie volgde Maria een universitaire lerarenopleiding: een snelle route naar het onderwijs. Een jaar later begint ze aan haar eerste onderwijsbaan. ‘Ik vond het extreem zwaar, het was een heel steile leercurve. Ik had bovendien een examenklas die veel extra verantwoordelijkheid met zich meebrengt. Als een van weinige docenten was ik blij toen door corona de eindexamens niet doorgingen. Ik was er gewoon niet klaar voor.’

Inmiddels staat Maria bijna twee jaar voor de klas en is haar twijfel nog niet weg. ‘Het is zó leuk om het lampje te zien branden bij leerlingen, maar ik denk ook vaak genoeg: is dit wat ik wilde?’ Ze weet dat het begin het zwaarst is, en geeft zichzelf vijf jaar om erachter te komen of het docentschap echt bij haar past.

Al tijden kampt het voortgezet onderwijs met een dramatisch lerarentekort, dat de komende jaren met nog eens honderden onvervulde posities oploopt, vooral in tekortvakken als wiskunde, natuur- en scheikunde en Frans en Duits. Steeds opnieuw blijkt het voor scholen moeilijk om nieuwe docenten aan zich te binden waardoor de achterstand blijft oplopen. Eén op de vijf beginnende docenten valt binnen een jaar uit, blijkt uit salarisadministratie-data van de Dienst Uitvoering Onderwijs (duo). Na vijf jaar is dat opgelopen tot 29 procent. Op de lerarenopleiding slaagt men er tegelijkertijd niet in studenten bijtijds naar een diploma te begeleiden. In de exacte vakken behaalt slechts 37 procent binnen vijf jaar een bevoegdheid. Van alle afgestudeerde docenten begint bovendien maar 66 procent daadwerkelijk aan een baan in het voortgezet onderwijs.

De overheid zette sinds 2009 minstens 1,2 miljard euro opzij voor allerlei pilots, impulsen en verkorte opleidingstrajecten om het lerarentekort tegen te gaan: inmiddels zijn er vele routes naar een lesbevoegdheid. Waarom zijn die niet effectief?

Platform voor Onderzoeksjournalistiek Investico bevroeg voor De Groene Amsterdammer, Trouw en het Onderwijsblad ruim zeshonderd jonge docenten op middelbare scholen over hun ervaringen vanaf hun stage tot aan hun eerste baan. We spraken daarnaast met tientallen opleiders en bestuurders in het onderwijs.

Daaruit komt een fundamenteel belangenverschil naar voren tussen de opleidingen, die nieuwe leraren moeten klaarstomen, en middelbare scholen, die naarstig op zoek zijn naar nieuwe aanwas. Ze slagen er niet in goede afspraken te maken en concurreren in feite om de leraren van de toekomst.

Op scholen staat alles in het teken van het rondmaken van het rooster. Hoe groter de druk op het docentencorps, hoe sneller scholen naar onervaren studenten kijken om een gat in het rooster te vullen. Stagiairs krijgen al tijdens hun studie een baan aangeboden: zo lost de school de roosterproblemen op, maar ondertussen lopen docenten-in-opleiding studievertraging op of studeren ze helemaal niet meer af. Dat gaat dan weer ten koste van de lerarenopleidingen, die financieel toch al in zwaar weer verkeren. De lerarenopleidingen aan Hogeschool Inholland bleken zo onrendabel dat ze deze zomer de deuren sluiten.

Jonge leraren betalen uiteindelijk de rekening. Zij staan dankzij verschraalde scholing onvoorbereid, overbelast en onbevoegd voor de klas. Ze functioneren enkele maanden of jaren als sluitpost om vervolgens hun contract zonder diploma niet verlengd te krijgen of zelfs, ontgoocheld, het onderwijs te verlaten.

‘Vroeger zeiden we: hier is de sleutel, daar is de klas. Dat ging mis: soms vertrok een docent binnen een week alweer,’ vertelt Heleen van Esch, afdelingsleider in de havo-onderbouw op het Minkema College in Woerden. Tegenwoordig gaat het er anders aan toe. De school tuigde een nauwgezet begeleidingsprogramma op, met wekelijkse een-op-eengesprekken en regelmatige thema- en intervisiebijeenkomsten. Van Esch en collega Rachid Amghar realiseren zich dat het hele pakket nogal wat vraagt van docenten, ‘maar het leidt wel tot minder uitval’.

Toch zien ze het nog weleens misgaan. ‘Als een docent zegt: “Ik weet niet of ik die les in moet gaan”, dan ben je eigenlijk al te laat’, zegt Amghar, die zich als schoolopleider over beginners op de vmbo-locatie ontfermt. ‘Je merkt binnen een week dat een jonge docent het moeilijk heeft. Je ziet het aan de klas, die wordt onrustig. Zeker in de bovenbouw van het vmbo zie je, en dan chargeer ik een beetje, dat als leerlingen eenmaal bloed ruiken, ze gaan kijken hoever ze kunnen gaan.’

De eerste baan in het onderwijs. Het is een rijdende trein waar je op springt, een val in het diepe, of een gooi voor de leeuwen, zeggen geënquêteerde docenten. Ruim 45 procent van hen vindt de overstap van student naar het leraarschap lastig. Ze denken opeens alles te moeten kunnen, en ervaren constant het gevoel tekort te schieten.

Scholen bieden stagiairs al tijdens hun studie een baan aan: zo lossen ze hun roosterproblemen op

In vacatures adverteren scholen vaak nadrukkelijk met ‘begeleiding op maat voor alle nieuwe docenten’, of een ‘krachtig inwerk- en coachingsprogramma’. De enquête, die wij via de jongerentak van de Algemene Onderwijsbond (AOb) uitzetten onder startende docenten, schetst een ander beeld. Eén op vijf respondenten stelt geen enkele begeleiding te hebben ontvangen op school. Degenen die dat wel kregen, geven die begeleiding gemiddeld een magere 6,3.

Opvallend zijn de enorme verschillen tussen scholen. Waar de ene docent ‘intervisie, een coach, buddy, ondersteuning vanuit de sectie en een mede-mentor’ krijgt, wordt de ander ‘zonder boeken, toegang tot namenlijsten, sleutels van deuren, en informatie over regels’ voor de klas gezet. Omdat de aangewezen begeleider ziek is, een andere baan kreeg, geen tijd heeft of gemakzuchtig is, omdat de hele school het smoordruk heeft – of omdat de school afgestudeerd docenten als volleerd ziet. ‘Er werd letterlijk gezegd: je hebt een bevoegdheid, dus je kunt het wel alleen’, zegt een docent Engels uit Overijssel, die een eenjarige universitaire lerarenopleiding volgde.

Eerder onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen laat zien dat kleine scholen met leerlingen met een hogere sociaal-economische status de meest complete begeleidingsprogramma’s aanbieden, terwijl die juist hard nodig zijn op scholen met veel achterstandsleerlingen en gedragsproblematiek. Op die scholen is het verloop van docenten het grootst. Zoals een docent opmerkt: ‘Ik kwam uit mijn bubbel op de universiteit en ging werken in het vmbo basis/kader-onderwijs. Ik kan geen beter voorbeeld bedenken van een ver-van-mijn-bedshow. Wat een wereld van verschil.’

Hoofd P&O van de Open Schoolgemeenschap Bijlmer Sandra van Stelten moet toegeven dat het bieden van goede begeleiding aan starters lastig blijft, ondanks dat ook haar school investeert in een coachingsprogramma voor nieuwe docenten. Het gaat vaak om extra werk. ‘Als je drie nieuwe docenten hebt in een vakgroep van zes, moeten de andere docenten dat maar zien te bolwerken.’

Volgens Van Stelten en andere bestuurders en begeleiders die we spraken, moet er ook wel erg veel worden bijgespijkerd. Zij stellen dat de aansluiting van de lerarenopleiding op de praktijk te wensen over laat. ‘Ze moeten zich op de opleiding een slag in de rondte reflecteren. Daar gaat zoveel aandacht naartoe, die dan niet naar iets als het organiseren van een klas gaat’, zegt Van Stelten.

‘De opleiding was in volledige ontkenning over het feit dat het een beroepsopleiding is’, zegt een docent in onze enquête. Bijna de helft van de respondenten vindt dat de opleiding hen niet goed heeft voorbereid op een carrière voor de klas. Zo wordt er onvoldoende tijd besteed aan de begeleiding van leerlingen met een ‘rugzakje’, orde houden en het runnen van een mentorklas. Veel docenten zeggen prima voorbereid te zijn op lesgeven aan havo en vwo, maar niet aan het vmbo; waar de helft van de Nederlandse scholieren naartoe gaat, en waar contact maken met leerlingen in eerste instantie veel belangrijker is dan de lesstof.

Lerarenopleidingen leren docenten waaraan ‘een goed leerplan’ moet voldoen, maar ze gaan er nog steeds van uit dat een jonge docent de fijne kneepjes van het vak in de eerste jaren voor de klas wel zal leren. Docentopleider Thomas Nas, op de Open Schoolgemeenschap Bijlmer, ziet dat zijn stagiairs niet zijn voorbereid op het omgaan met verschillen in de klas: ‘Stagiairs komen bij ons op school en ontdekken dan wat er echt van ze gevraagd wordt. Ze zijn boos op de opleiding, want zo worden de lessen daar niet aangeboden.’

Nog iets waar studenten niet op voorbereid zijn: het ploeteren tijdens de stage. Een iets te goedwillige, naïeve leraar-in-opleiding laat zich tijdens de stage zomaar bedelven onder extra taken. Willemijn, een hardwerkende student Engels, besloot tijdens haar laatste stage het voortgezet onderwijs zo snel mogelijk vaarwel te zeggen. Ze zag hoe sommige collega’s met een contract voor vier dagen meer dan voltijds werken, en hoe anderen om tien uur ’s avonds nog appjes van leerlingen beantwoorden. Zelf krijgt ze tijdens haar stage extra klassen toebedeeld. ‘Om mijn stagebegeleider te ontlasten, zodat die niet weer een burn-out zou krijgen.’

Ruim veertig procent van de ondervraagden zegt dat ze tijdens de opleiding extra stagetaken op het bordje kregen geschoven. Ze zijn de motor achter talloze projecten en excursies; staan vanaf het eerste stagejaar zelfstandig voor de klas; vallen in voor een zieke docent of begeleider of krijgen als stagiair zelfs een mentorklas toebedeeld. Sommige stagiairs kiezen daar zelf voor om ‘vlieguren te maken’, of om zich ‘te profileren’. Tekortvak of niet, in het onderwijs – ‘de burn-outsector’ – is de nood altijd hoog. ‘De opleiding adviseert om geen mentoraat of extra klassen aan te nemen, vertelt Willemijn. ‘Maar school zegt: “Ach, je kan het er wel bij doen.” Je gaat akkoord omdat je jezelf zo veel mogelijk wil laten zien, en wil laten zien dat je het kan.’

De helft van de docenten die extra stagetaken kreeg, zegt dat die taken het extra moeilijk maken de opleiding af te maken in de tijd die ervoor staat. Ook Willemijn bezweek onder haar lesuren, en gaf haar extra klassen uiteindelijk terug. Dat leverde een flinke sneer van haar begeleider op.

Nee zeggen is soms überhaupt geen optie. ‘Bij weigeren werd er gedreigd om me een onvoldoende te geven voor de stage’, zegt een wiskundedocent in onze enquête. En een natuurkundedocent uit Noord-Holland: ‘Ik gaf veel te veel lessen en moest wekelijks lang vergaderen en twee keer per week surveilleren. Ik moest ook een vakoverstijgend spel ontwikkelen. Daar kwam ik niet aan toe waardoor ik extra streng beoordeeld werd op mijn stage.’ >

Opleiders zien dat de studie bij studenten-met-baan steeds lager op de prioriteitenlijst komt

Als de stagiair die tot teamleider promoveerde, een ziekteverlof opving of mentor werd zich ook nog eens goed voor de klas weet te redden, komt algauw de vraag of die stagiair niet nu al betaald aan de slag wil. De jonge student vormt een welkome en betaalbare stoplap om een gat in het rooster mee te vullen. Bijna zestig procent van de ondervraagden kreeg nog tijdens de lerarenopleiding een onderwijsbaan aangeboden. Nog eens 28 procent zag dat bij studiegenoten gebeuren.

‘Het voordeel van onbevoegde docenten is dat je ze makkelijker weer kan laten gaan’, zegt adjunct-directeur Carole Roozeman van osg West-Friesland in Hoorn. Van de vier wiskundestagiairs die op haar school rondlopen kregen er drie al extra, betaalde, uren bij. Roozeman ziet er geen kwaad in: ‘We durven het aan omdat we weten dat de begeleiding goed is. We zetten ze voor de klas omdat we het idee hebben: hé, dit is leuk, deze heeft wat in z’n mars!’

Studenten, zo blijkt uit onze enquête, nemen zo’n baan vooral aan uit financiële overwegingen. Ze vinden het ook eervol om gevraagd te worden, of zien het als een vervanging van de standaard studentenbijbaan. Het klinkt als een klassieke ‘win-win’: de stagiair doet extra ervaring op, krijgt betaald, en de school krijgt er een goedkope, enthousiaste kracht voor terug. Maar op de lerarenopleiding denkt men daar heel anders over.

Opleiders zien dat de studie bij studenten-met-baan steeds verder onder aan hun priori-teitenlijst komt te hangen, waarmee hun persoonlijke ontwikkeling, en daarmee de onderwijskwaliteit, in het gedrang komt. ‘Een bijbaan is afgebakend, maar studie en een onderwijsbaan vloeien in elkaar over’, zegt Shyro van Nieuwenhuijsen, coördinator van de docentenopleiding natuurkunde aan de Hogeschool Rotterdam.

In Rotterdam, de stad met landelijk het grootste lerarentekort, liep de ‘studentenroof’ de afgelopen jaren volledig uit de hand. Zo zag Van Nieuwenhuijsen, die leraren in het tekortvak natuurkunde opleidt, hoe tot 95 procent van zijn tweedejaarsstudenten al een aanstelling op school kreeg. Veel van hen lopen daardoor uit. Van ondervraagde docenten met studievertraging zegt 53 procent dat dat (onder meer) komt door het aannemen van een onderwijsbaan. De lerarenopleidingen op Hogeschool Rotterdam hadden tot voor kort meer dan duizend langstudeerders op vierduizend studenten. ‘Dat is echt schrikbarend.’

Vakgroepen zaten daarmee vol met onafgestudeerde docenten. Daardoor ontstond een heel nieuw probleem: scholen konden geen nieuwe stagiairs meer aannemen, omdat die alleen door bevoegde docenten begeleid mogen worden. ‘Het is natuurlijk heel gek dat er een gigantisch lerarentekort is, maar dat ik zelfs mijn studenten wiskunde niet meer geplaatst kreeg’, zegt Els de Bock, directeur van het Instituut voor Lerarenopleidingen van de Hogeschool Rotterdam. Ook in andere regio’s met oplopende tekorten is het moeilijk om alle studenten een stageplek met voldoende bevoegde begeleiders te bieden, blijkt uit onze rondgang.

Het wegplukken van studenten brengt ook lerarenopleidingen zelf in de knel. Van de twintig opleiders die we spraken, heeft vrijwel iedereen te maken met een flink aandeel langstudeerders. Het maatwerk dat opleidingen moeten bieden om hen alsnog naar hun diploma te begeleiden, gaat ten koste van onderwijs en andere begeleiding. Daarnaast drukken langstudeerders op de begroting, omdat opleidingen van ocw per student geld ontvangen voor de nominale studieduur, plus een bonus bij afstuderen. Lerarenopleidingen hebben al zo’n moeite om rendabel te zijn: ze zijn relatief klein en duur vanwege de begeleiding en schoolbezoeken. Dat maakt dat andere opleidingen binnen een onderwijsinstelling de lerarenopleidingen financieel overeind moeten houden.

Op sommige instellingen raakt de rek eruit. ‘Het is heel moeilijk om met het geld dat van het ministerie komt een lerarenopleiding te draaien’, zegt lerarenopleider natuurkunde en AOb-bestuurslid Auke van Nie. ‘Er zijn bij Inholland jaren geweest dat andere opleidingen twee miljoen per jaar moesten bijleggen om de lerarenopleidingen in de lucht te houden.’ De Inholland-leerlingen van Van Nie die nog niet zijn afgestudeerd moeten nu uitwijken naar andere instellingen.

Het ministerie van OCW maakte sinds 2009 zeker 1,2 miljard euro vrij om het lerarentekort in het voortgezet onderwijs tegen te gaan, blijkt uit onze becijfering van rijkssubsidies. Met dat geld werden studenten financieel tegemoet gekomen, campagnes opgetuigd en nieuwe opleidingen opgericht. Inmiddels zijn er 384 routes naar een lesbevoegdheid: lerarenopleidingen op het hbo, minoren en masters op de universiteit en allerlei zijinstroomtrajecten, bijvoorbeeld voor ‘leergierige en ondernemende professionals’.

De Onderwijsinspectie constateerde vorig jaar dat die veelheid aan routes niet bevorderlijk is voor het overzicht, en risico’s voor de kwaliteit van onderwijs met zich meedraagt. Nederlands bekendste zijinstromer, oud afm-directeur en ‘aanjager aanpak lerarentekort’ Merel van Vroonhoven, presenteerde in juli 2020 haar aanbevelingen over de aanpak van het lerarentekort in de Tweede Kamer. Zij constateerde dat de huidige maatregelen te versnipperd en beperkt zijn, en dat de begeleiding van starters tekortschiet.

Afgelopen jaren werden grote samenwerkingsverbanden opgetuigd tussen scholen en opleidingen om beginnend docenten op te leiden en te ondersteunen, maar die zijn veel te vrijblijvend. Gemaakte afspraken worden zelden tot op de letter nageleefd. Zelfs in Rotterdam, waar opleidingsdirecteur Els de Bock uiteindelijk een brandbrief naar stagescholen stuurde om het wegplukken van studenten tegen te gaan, lukt dat lang niet altijd.

Die samenwerkingen kunnen weleens verder in het gedrang komen. Najaar 2020 sloot ocw een bestuursakkoord om lerarenopleidingen nog verder te flexibiliseren. Die hebben straks geen vaststaand programma meer: iedere student krijgt een op maat gemaakt lespakket. Dat biedt kansen om juist ook begeleiding op maat te bieden, zegt ocw in een reactie. Maar opleiders zijn huiverig en vragen zich af of de overheid wel begrijpt hoeveel geld en tijd ‘modulair opleiden’ kost. Het flexibele programma kan de precaire situatie van de docent-in-opleiding, gevangen tussen opleiding en school, daarmee nog verder bemoeilijken. Opleider Auke van Nie: ‘Flexibilisering betekent meer maatwerk op het individu, en een individueel traject gaat altijd ten koste van de begeleiding.’

Voor bestuurskundige Rik Leenders komen alle goede bedoelingen en nieuwe programma’s te laat. Na twee jaar hield hij zijn carrière als maatschappijleerdocent voor gezien. Het was juist de onvoorspelbaarheid van het onderwijs die hem trok, maar voor een contract van iets minder dan een halve week was hij zeker vier dagen per week aan het werk. ‘Ik wil best wat extra meters maken. Ik snap dat je in het begin meer tijd kwijt bent dan iemand met twintig jaar ervaring. Maar de balans is echt zoek.’ Ondanks dat hij zijn onvrede had aangekaart, kwam het voor de schoolleider als een totale verrassing toen Leenders zijn ontslag indiende. Je moet als beginnend docent nu eenmaal fors investeren, was zijn repliek. ‘Men is dat normaal gaan vinden, maar dat is het helemaal niet.’


De echte namen van docenten Maria en Willemijn zijn bekend bij de redactie