Onwaarheid

Alles komt neer op politieke keuzes, ook technologie. Dat de camera niet liegt is een leugen.

Iets over racisme. Omdat mijn dochter mij vanuit de demo in Rotterdam appte en zei: ‘Kun jij daar niet iets over schrijven? Het is echt heel belangrijk.’ Waarna ik vroeg of ze wel afstand hield en een mondkapje droeg.

Wat zeg je tegen je dochter die maar niet begrijpt dat discriminatie nog altijd niet verdwenen is? Dat het endemisch is? Van alle tijden en onuitroeibaar? Dat het niet alleen gaat over etniciteit, seksuele identiteit, geloof, overtuiging, noem maar op, maar dat het ook altijd een sociale kwestie is?

Jaja.

Ik heb weinig fiducie in de mens. Maar dat ga ik niet tegen mijn dochter zeggen. Men moet, zelfs als het een hopeloze zaak is, hoop behouden. Anders word je medeverantwoordelijk voor de hopeloosheid. Maar het is lastig.

Neem de technologie. Of laten we beginnen bij voetbal. Toen het Nederlands elftal, ondanks protesten, afreisde naar het Argentinië van junta-president Videla, was het motto dat voetbal niet politiek was. Dat was het natuurlijk wel. Terwijl op de velden een balletje werd getrapt, kwamen tegenstanders van het regime om in concentratiekampen of werden ze uit vliegtuigen gegooid. Het was, zoals Bram Vermeulen en Freek de Jonge zeiden, ‘bloed aan de paal’. Wie toen op het veld stond, maakte een politieke keuze.

Technologie is ook niet politiek. Zeggen sommigen. Ik zeg dat alles wat door mensenhanden wordt aangeraakt politiek is en dat zoiets als gezichtsherkenning, uitgevoerd door computers, racistisch kan zijn en dat vaak ook is. En ook in bredere zin discriminerend, want dat is het doel van gezichtsherkenning: onderscheid maken tussen de een en de ander. Herkenning is trouwens een verkeerd woord. De computer kent niemand en herkent niemand. De computer vergelijkt topologieën; die van het gezicht in de menigte met materiaal in de database. De database is door mensen samengesteld, net als de regels voor die database. Waardenvrije technologie is een idee-fixe.

Een voorbeeld. Alle moderne camera’s, ook die in een telefoon, worden gestuurd door programmatuur om een optimaal beeld vast te leggen. Er zijn er die een glimlach herkennen, kleur, toon, scherptediepte, geolocatie – alles wordt gemeten en bijgewerkt waardoor we een betere foto krijgen dan we zelf in staat zijn te maken. Maar als het gaat om gelaatstrekken en kleur, wat is dan de norm? Als je iets wil veranderen of verbeteren, moet je een uitgangspunt hebben. De meeste camera’s en hun software komen uit Azië. Toch denk ik niet dat ‘het Aziatische gezicht’ de norm is voor het oppeppen van een portret. Zouden de fabrikanten verschillende volkeren, etniciteiten, enzovoort hebben getest en… Ik heb geen idee, maar ik weet wel dat zo’n camera ‘een normaal’ heeft en dat niet iedereen onder die noemer valt. Dat is misschien niet erg als het om een kiekje gaat, maar het geeft wel aan dat technologie een uitdrukking is van de menselijkheid, ook in negatieve zin. Dat de camera niet liegt is een leugen.

Ik zeg dat alles wat door mensenhanden wordt aangeraakt politiek is

Terwijl ik dit schrijf arriveert een bruidsstoet bij het bruggetje achter het huis. Het is een zeer geliefde plek: bos en weiland, een riviertje dat daar doorheen slingert en afgetakt wordt in een waterloopje dat vroeger het kloosterterrein omringde waarop nu het huis staat waarin ik woon.

Op de een of andere manier zijn witte bruggetjes in rustieke setting voor fotografen en bruidsparen onweerstaanbaar. Zomer en winter, in weer en wind, duiken hier bruidsparen op die zich op het bruggetje posteren om die ene onvergetelijke dag vast te laten leggen. Ik heb bij temperaturen onder het vriespunt bruiden gezien, blote armen en blote rug, die manmoedig een longontsteking riskeerden.

Het beeld suggereert romantiek, dat weet ik ook wel, maar als mijn ouders zich zo hadden laten fotograferen zou ik later waarschijnlijk hebben gevraagd of ze daar woonden. Nee, dat vonden wij mooi / romantisch / et cetera, zou een van hen dan zeggen. Waarna ik waarschijnlijk mijn eerste jeugdtrauma zou opdoen. Waarom is een wit bruggetje over een beekje romantisch? Waarom mooi? Wat heeft het met jullie te maken? Waarom is er geen foto gemaakt die uitdrukt wat en wie jullie zijn? Wat is echt en wat niet?

Hier, achter mijn huis, onder een dreigende wolkenhemel, wordt fictie gemaakt. Er wordt met grote inspanning en even grote overtuiging een onwaarheid geconstrueerd. Net zo’n onwaarheid als die jeugdfoto waarop mijn drie jaar jongere zuster en ik, ergens in 1964, zijn vastgelegd. De handen rustend op een soort taboeretje, mijn zuster die strak en somber de camera inkijkt, ik breed glimlachend. De werkelijkheid was altijd andersom. Zij was de vrolijke, ik de bloedserieuze. Maar toen de fotograaf ons vroeg te glimlachen, volgde ik zijn instructie op en gooide zij de kont tegen de krib. Wij staan op die foto, mijn zuster en ik, maar het beeld is een fictie.

We zullen nooit waardevrije technologie krijgen, maar hoe voorkom je dat de surveillancecamera’s, de netwerken, de data-wolken op de verkeerde manier onderscheid maken? Ja, door zelf niet te discrimineren. En daar moet je iets voor doen. Je kunt niet alleen maar kritisch nadenken.

Dus je gaat de straat op, ook al is dat misschien gevaarlijk.

Wat ik eigenlijk wil zeggen is: ik vind het niet verstandig dat mijn dochter met vijfduizend anderen tijdens de epidemie demonstreert, maar ik vind het ook wel verstandig. Ik hoop dat die demonstraties niet tot een tweede coronapiek leiden, maar hoop is alles wat we hebben en de hoop van mijn dochter en al die anderen is het enige medicijn tegen de hopeloosheid van discriminatie.