Onweerstaanbaar

Zwartgallige problematiek in een vrolijke, jongensachtige en ongegeneerde stijl beschreven; die tegenspraak maakt Otmars zonen van Peter Buwalda tot een meesterwerk.

‘Wat psychiaters tegen fikse tarieven een Vatersuche noemen, is niet aan de orde; Dolf zoekt niks en hij is ook niks kwijt wanneer in hun flat aan de Gerestraat een man verschijnt tegen wie hij binnen een jaar “papa” zegt, ook al is hij al een jongen van tien.’ Buwalda’s vertelkunst direct in de eerste zin uitgerold. Geestig en to the point. Het eerste deel tot de puntkomma is een grap ten koste van zichzelf: Buwalda’s nieuwe roman is voor een deel, net als zijn eerste roman, een ‘Vatersuche’, maar dan net even anders. We zijn direct midden in het verhaal. Geen inleidende beschietingen bij Buwalda, geen verklaringen vooraf, geen toelichtingen, maar direct het spel op de wagen. Je ziet zo’n jongetje voor je dat ineens tegen een vreemde meneer ‘papa’ moet zeggen. Jongens van tien jaar oud hebben uiteraard geen flauw idee van wat een ‘Vatersuche’ zou kunnen zijn. Buwalda laat ons hier meekijken met Dolf die jaren later, als volwassen man, terugblikt op zijn jeugd.

Hoe begin je een roman? Bijvoorbeeld zo dus. Belangstelling gewekt, probleem geschetst, kom maar op met je verhaal. Die volwassen Dolf werkt later bij Shell, maar dan heet hij geen Dolf meer, maar Ludwig en hij bevindt zich, terwijl hij aan zijn jeugd terugdenkt, in Sakhalin, beroemd Siberisch schiereiland waar Shell de scepter zwaait. En daar ontmoet hij Hans Tromp, beoogd algemeen directeur van Shell, die verdacht veel weg heeft van zijn biologische vader.

Buwalda werkt deze vertelopzet, waarin hij tussen verleden en heden heen en weer schakelt, systematisch uit. Ook de andere hoofdfiguur, Isabelle Orthel, bevindt zich in ijskoud en stormachtig Sakhalin. In de loop van de roman krijgen we langzamerhand hun hele achtergrond, denkwereld, rare trekjes en zenuwpezerij voorgeschoteld. We kruipen in hun hoofd, krijgen de pest aan ze, houden van ze, proberen ze te waarschuwen, huiveren met ze over hun tekorten, hun perversiteiten, hun wanhoop en hun verlangen. We krijgen hun onderlinge relatie voorgelegd, zonder dat Buwalda zijn toevlucht neemt tot oeverloze verklarende toelichtingen. Ze komen te voorschijn in de beschrijvingen en de dialogen. Ze doorstaan sneeuwstormen, maken ellendige taxiritten mee, bevinden zich in ondergesneeuwde hotels, verkeren in onzekerheid over hun toekomst (en verleden) en proberen hun hoofd boven water te houden.

Zowel Isabelle als Ludwig probeert in contact te komen met de Shell-directeur, die in beider leven een rol speelde. Buwalda schakelt steeds van de een naar de ander, soms per hoofdstuk, maar ook per alinea, vaak zonder een witregel. Ook duikt hij af en toe in het hoofd van een belangwekkend bijfiguur, zonder dat je moet zoeken wie er nu aan het woord is. Ach, het zijn natuurlijk maar romanfiguren, je zult ze niet ergens tegenkomen, ze lijken alleen in de verte op mensen die we menen te kennen, of juist helemaal niet. Buwalda zette al zijn schrijfkracht in om ze ons voor ogen te toveren. En erin te laten geloven. De droom van literatuur, dat levert hij. Dit alles tegen het licht van mooie landschapsscènes van bijvoorbeeld Sakhalin. Ik kreeg de indruk dat Buwalda tientallen boeken over Sakhalin las, daar vele malen op bezoek was, zijn beschrijvingen van kou en ellende daar en van de olieraffinaderij zijn volstrekt overtuigend. ‘Ze raken kuilen, de grote plakken beton waarover ze voortbewegen geven om de paar seconden harde tikken tegen de voor- en achteras.’

We maken dus eerst kennis met Ludwig Smit, zoon van een vader die zijn moeder in de steek liet. Daarna met een stiefvader en een stiefzus en stiefbroer, beiden getalenteerde muzikanten. Ludwigs carrière bij Shell bevindt zich op een dood spoor. En daarna met Isabelle Orthel, adoptiekind, kleindochter van een bekend politicus die wegens wangedrag en corruptie ten val is gebracht. Ze is journaliste, schrijft sensationele biografieën over beroemdheden in de trant van ‘De Waarheid over Lady Diana’ en ‘Cameron, zoals we hem niet kennen’. Zo iemand dus. Leuke meid met een paar rare trekjes, dat wel. Ludwig en Isabelle kennen elkaar van vroeger, ze woonden in hetzelfde studentenhuis op de campus in Twente, Ludwig misdroeg zich daar ernstig, al vond Isabelle het wel meevallen. In Sakhalin lopen ze elkaar weer tegen het lijf. En dan…

Buwalda is geen mensenhater. Al probeert hij dat zo veel mogelijk aan het oog te onttrekken

Met deze en nog veel meer ingrediënten ging Buwalda aan de slag en bouwde hij een roman met merkwaardige familiekwesties erin, vol bizarre taferelen, met zijpaden, zijsprongen soms, met vele verwijzingen naar actuele kwesties, met een zoektocht naar een verdwenen deel van een sonate van Beethoven, met bedrog, zelfbedrog, perversiteiten, banaliteiten en vol geestige terzijdes. Dit is een ernstig boek, maar steeds loert een lach om de hoek, niet hardop, er staan geen komische nummers in, maar soms is de hilariteit niet erg ver. Zo geeft hij een uitvoerige beschrijving van de parafernalia en gebruiken rondom met wederzijdse goedkeuring uitgevoerde sadistische seks. Met alle precieze beschrijvingen van de kettingen, de riemen, en de eierdopjes die in lichaamsgaten gestopt dienen te worden. Dat moet een heel gepuzzel geweest zijn, ik kwam er niet helemaal uit hoe het letterlijk in elkaar zat, maar op de een of andere manier was het toch ook erg geestig.

De geloofwaardigheid van Buwalda’s verhaal is soms flinterdun, maar het kon me allemaal weinig schelen omdat de brille van de zinnen en de vertelvondsten daar toch altijd bovenuit bleven stijgen. Nee, ik geloofde er niet helemaal in dat Ludwig en Isabelle in Sakhalin bij elkaar in dezelfde hotelkamer belanden. In hetzelfde bed nog wel. Dat ging te ver, maar aan de andere kant was de strijd over de oordopjes die tussen deze twee ontbrandt zo geestig en onweerstaanbaar banaal beschreven dat ik me toch gewonnen gaf. Veel prachtige en geslaagde romans zijn vaak ongeloofwaardig. Wie gelooft er in een roman waarin een vrouw ten onder gaat aan het lezen van kasteelromannetjes, wie in eentje waarin een jongeman masturbeert met behulp van rauwe lever, wie in een kapitein met een walvisbot als been die op een witte walvis jaagt?

Het zit allemaal in Buwalda’s schrijfmentaliteit en tekent zijn grote schrijfkracht. Je hebt bij hem nooit het gevoel dat hij zich verheft boven zijn personages. Hij weet het niet allemaal beter en kijkt niet op ze neer. Hij is al zijn personages zelf. Ze zijn altijd met volle kracht bezig hun straatje schoon te vegen, te ontsnappen aan de ondergang, dat is de kern van de roman. Hoe red ik me in de wereld? Hoe red ik me uit mijn verleden, hoe red ik me uit alle tekorten en hele of halve misdaden en wanprestaties die ik ooit leverde? Als ik maar niet betrapt word, want dat is het ergste van alles.

Tijdens het lezen had ik regelmatig het gevoel dat de roman ook over mij gaat. Tegelijkertijd laat hij zijn figuren af en toe nog net een mooie, gevoelige gedachte koesteren, nog niet helemaal ondergaan in paranoia en zelfbeklag. Op de een of andere manier is dit geen cynische roman, integendeel zelfs, er dringt zich een gevoelige onderlaag naar voren, iets beschermends ten opzichte van de personages. Ja, Buwalda houdt van ze, hij is geen mensenhater. Al probeert hij dat zo veel mogelijk aan het oog te onttrekken. Juist de jongensachtig vrolijke, banale en precieze stijl van de roman geeft tegenwicht aan de zwartgallige problematiek die erin wordt beschreven. Zonder die ongegeneerde stijl was het allemaal niet te harden geweest. Juist deze tegenspraak tussen stijl en inhoud maakt van de roman een meesterwerk.

Ik zette regelmatig in de kantlijn uitroeptekens bij fraaie zinswendingen, laat ik er een paar citeren. Zo beschrijft hij de puberteit van Ludwig als volgt: ‘Een enorm houten paard, waarschijnlijk de puberteit, was zijn systemen binnen gerold: wanneer hij sliep kropen de hormonen er zwijgend uit.’ Of ineens dat rare zinnetje aan het begin van hoofdstuk 105: ‘Ze zwijgen als moffen.’ Of deze, over slapeloosheid: ‘Iedere nacht diezelfde martelgang, het toenemend gedraai en gekraak, het gezucht dat steeds giftiger en verwijtender klinkt; het dekbed dat met vinnige rukken op zijn plaats getrokken wordt; kleine leeslampjes die als vriendelijke aardmannetjes op boeken kunnen worden geklemd maar die midden in de nacht aanflitsen als politionele zoeklampen.’ En geniet van de volgende passage: ‘Huidschilfers, eelt, spermakorsten verpulveren als hij op zijn knieën gaat zitten en zo omzichtig mogelijk tussen de muur en de beddenbak naar het nachtkastje begint te kruipen, onderweg de grond aftastend. Zijn innerlijk oog bekijkt hem van bovenaf, en wat kruipt daar: de neurose.’

Denk niet dat ik met een lampje op zoek ben geweest naar de beste zinnen, Buwalda kan gewoon niet anders dan ermee strooien. Zouden ze er in één keer staan? Ik denk het wel. Hij werkt met grote volharding aan een volstrekt eigen universum dat zijn plaats nu al heeft tussen de andere universumbouwers in de Nederlandstalige literatuur. Nog eentje: ‘Vroeger, toen ik acht was, stond ik iedere avond bij het aanrecht tegen mijn moeder aan te kletsen, armen om haar middel, terwijl ze braadworst lek prikte.’ Wie dit geen fraaie zin vindt, is gek.