Jager, echtgenoot en minnaar

Onweerstaanbare Sicilianen

Tekening: Dick Tuinder
Onlangs zijn bij Athenaeum–Polak & Van Gennep nieuwe uitgaven verschenen van twee grote Siciliaanse romans, De tijgerkat en De Leeg-lopers. In alle opzichten prachtige boeken.
Guiseppe Tomasi di Lampedusa
De tijgerkat
Met een voorwoord van Gioacchino Lanza Tomasi, vertaling en nawoord Anthonie Kee, Athenaeum–Polak & Van Gennep, 312 blz., € 29,95. Paperback, zonder voorwoord en nagelaten fragmenten, 295 blz., € 12,50. Federico de Roberto
De onderkoningen
Vertaald en van een voorwoord voorzien
door Els van der Pluijm, De Bezige Bij, 694 blz., gebonden € 39,90, paperback € 19,90

Medium cover3

De hoofdrolspelers van Guiseppe Tomasi di Lampedusa’s enige roman De tijgerkat, uit 1958, zijn zo beminnenswaardig dat het niet anders kan of de schrijver hield van ze, leefde met ze. Zelfs Bendicò, de hond van don Fabrizio, is onvergetelijk. Don Fabrizio is de tijgerkat, prins van Salina, afstammeling van een Siciliaanse vader en een Duitse moeder, grootgrondbezitter, jager, wis- en sterrenkundige uit liefhebberij, vader van zeven kinderen, liefhebbende echtgenoot en minnaar. Groot, blond en blauwogig steekt hij af bij de donkere bevolking van het eiland. We volgen hem in de tweede helft van zijn leven, tussen 1860 en 1883, als de eenwording van Italië onder het Piëmontese hof wordt beslecht en een politieke orde intreedt waarin plaats is voor nieuwe machthebbers: soms idealistische, soms listige burgers die de plaats van de adel innemen en zich in bepaalde gevallen zelf tot grootgrondbezitter opwerken. Zo ook don Calogero Sedàra, de buurman van don Fabrizio en kersverse burgemeester van het dorp Donnafugata. Tancredi Falconeri, don Fabrizio’s neef en diens oogappel, slanke, ironische, duivels charmante, adellijke jongeling uit een verarmde familie, laat zijn eveneens blauwe oog vallen op don Calogero’s dochter Angelina, een overdonderende schoonheid (met groene ogen) die haar boerse afkomst nagenoeg heeft weggepoetst op een Florentijnse finishing school. Don Fabrizio, Tancredi en Angelina vormen een betoverende driehoek tegen het contrastrijke decor van het ruige Sicilië en de woelige geschiedenis van revolutie en strijd, met een held als Garibaldi, een komische figuur als pater Pirrone en de tragische muurbloem Concetta.

Al sinds 1959 is de roman in het Nederlands te lezen. Uitgeverij Athenaeum–Polak & Van Gennep publiceerde in 2000 een knappe, on-Hollands elegante vertaling met nawoord, beide van Anthonie Kee, en bracht onlangs een nieuwe editie uit waarin een paar ongepubliceerde fragmenten zijn opgenomen, en een inleiding door de stiefzoon van de schrijver. Die fragmenten – een kort hoofdstuk en wat gedichten – voegen weinig toe aan het boek. Het hoofdstuk vat een aantal overgeslagen jaren uit de roman samen, de onhandige gedichten zijn zogenaamd door twee van de personages geschreven en zijn aardig als satire maar niet erg interessant. Ze illustreren vooral wat treft in de inleiding van Gioacchino Lanza Tomasi: dat zijn stiefvader steeds met het boek bezig bleef. Hij drukte zijn nazaten op het hart voor een uitgave te zorgen – hij stierf voordat het zo ver kwam, na twee afwijzingen van grote Italiaanse uitgevershuizen. De ironie wil dat het manuscript in eerste instantie in handen viel van de bekende socialistische schrijver en uitgever Elio Vittorini, die de kwaliteit ervan wel inzag maar zich niet geroepen voelde om de publicatie te bevorderen. Later heeft Giorgio Bassani, de beroemde schrijver van onder meer De tuin van de Finzi-Contini en uitgever bij Feltrinelli, de roman bezorgd.

Uit de inleiding blijkt ook dat Tomasi di Lampedusa, wel getrouwd maar kinderloos, een aantal discipelen om zich heen verzamelde die hij onderwees in de letterkunde. Een daarvan was Gioacchino, die model heeft gestaan voor Tancredi. Don Fabrizio is in detail gemodelleerd naar overgrootvader Giulio Fabrizio di Lampedusa. De ravissante Angelica zou hebben geluisterd naar de achternaam Favara – meer onthult de schrijver niet.

Is dat belangrijk om te weten? Misschien verklaart het de opvallende liefde, bijna verliefdheid, waarmee de drie hoofdrolspelers zijn neergezet. En het is vermoedelijk de toon waardoor het boek zo’n wereldwijd succes is geworden – ‘in welhaast alle talen vertaald’, schrijft de trotse Gioacchino.

Behalve liefdevol is die toon ook humoristisch, beeldend en intelligent. Heel anders dan die van de roman De onderkoningen van Federico de Roberto uit 1894, die ook de neergang van een Siciliaanse adellijke familie en de revolutie van 1860 als thema heeft. De Roberto baseerde zich op archiefonderzoek en schreef een ontluisterend verhaal waarin de vele personages elkaar naar het leven staan. Ook hij schrijft humoristisch en meeslepend, maar wekt geen enkele sympathie voor zijn hoofdpersonen. Dat De tijgerkat bij al zijn lyriek en bijna-dweepzucht geen kitsch wordt (waar lees je ooit herhaaldelijk de kleur van de ogen beschreven?) komt door de ironie en het analytisch vermogen van de schrijver. Anthonie Kee wijst in zijn nawoord – dat zowel informatief als boeiend is, en de belangrijkste feiten uit de nieuwe inleiding van de stiefzoon al bevat – op de bewondering die Tomasi had voor Stendhal. Ook diens werk bevat die ongewone combinatie van romantiek en de onmiddellijke analyse van gevoelens, en de grote belangstelling voor historische en politieke ontwikkelingen die de hoofdpersonen voortstuwen.

‘Il faut chercher en soi-même autre chose que soi-même pour pouvoir se regarder longtemps’, citeert E. du Perron zijn vriend André Malraux in het motto voor zijn roman Het land van herkomst. Tomasi di Lampedusa heeft een gelukkige keuze gedaan door zijn verteller te laten versmelten met zijn blijkbaar geliefde overgrootvader – ‘alles klopt, ik heb hem alleen wat intelligenter gemaakt, geloof ik’, schrijft hij aan een vriend. De grandeur en fysieke verschijning van Fabrizio gaan samen met de scherpzinnigheid en het muzisch talent van Guiseppe, die feitelijk de laatste telg in het geslacht was. Door de ogen van zijn grootvader kan hij zijn kijk op de geschiedenis, het karakter van Sicilië, zijn liefde voor de zintuiglijke wereld ongeremd tonen, inclusief de grote tederheid voor de jonge mensen die zijn oude dag hebben verlicht. Maar de passages die mij, vóór herlezing, nog het sterkst voor ogen stonden van jaren geleden zijn toch product van de verbeelding; de langzame sterfscène, waarin don Fabrizio het leven uit zich voelt verdwijnen, heeft Tomasi nooit kunnen doorleven. ‘Op het balkon van hotel Trinacria, op een leunstoel, zijn ellenlange benen gewikkeld in een deken, voelde hij hoe het leven uit hem wegstroomde: aan één stuk door, in grote golven, en met een innerlijk geraas als dat van een waterval van de Rijn.’