Onzalige gelukzaligheid

Iedere dag loop ik langs het bord voor de sigarenboer op de hoek van de straat. Het leunt op een veer en klappert in de wind. Op een knaloranje vis in een azuurblauwe oceaan staat een miljoenenbedrag vermeld, met daarboven de tekst: wordt u een fulltime levensgenieter?

Maar het is de strohoed die me, for some reason, steeds in een existentieel gemoed brengt. Hij hangt nonchalant boven de letters van wordt u een fulltime levensgenieter? en is versierd met een bloemenkrans. Die hoed is een pars pro toto voor het paradijs – de seculiere, 21ste-eeuwse variant waar uitsluitend goede consumenten binnen mogen – zoals dat paradijs symbool staat voor een som van ingevulde verlangens en een leven vrij van zorgen. De mogelijkheid van een eiland.

Natuurlijk gaat het hier vooral om een metaforisch eiland, maar het is veelzeggend dat we ons bij totale vrijheid zoiets voorstellen als een eeuwigdurende vakantie, niet alleen van werk maar van ons hele leven zoals het is. Een geldbedrag om jezelf los te koppelen, een vliegtuig te nemen, jezelf terug te vinden met een strohoed op je hoofd, je voeten in het zand, nippend aan een cocktail die lijkt op een zonsondergang. Het is een gestandaardiseerd eindshot bij het soort film waarin het een stel gelikte criminelen lukt om ergens een astronomisch bedrag weg te sluizen en op ingenieuze wijze van het toneel te verdwijnen. Het verhaal is verteld, wat rest is het strand.

‘Iets te wensen overhouden teneinde niet ongelukkig van geluk te worden’, schreef de Spaanse jezuïet Baltasar Gracián in 1647 in zijn Handorakel, met honderden inzichten en praktische tips om zo goed mogelijk te leven. ‘Verlangen is voor de geest wat ademen voor het lichaam is. Als men alles zou bezitten, zou men ontgoocheld en ontevreden zijn (…) Als er niets meer te wensen valt, moet men voor alles beducht zijn: onzalige gelukzaligheid.’

De reële optie die Gracián hier niet vermeldt, is dat de droom nooit geleefd kan worden omdat het object van verlangen zelf illusoir is. Wie verlangt naar een eiland verlangt meestal naar een plaatje van een eiland. Daarom is een programma als Ik vertrek zo fantastisch: genadeloos worden de deelnemers geconfronteerd met de driedimensionaliteit van hun droom, de achterkant van het platte decor, dat alleen met de grootste moeite en voorlopige lapmiddelen overeind blijkt te kunnen blijven.

‘Verlangen is voor de geest wat ademen voor het lichaam is’

De nagejaagde dromen – een naaktcamping in Hongarije, een snackbar op Tenerife, een bierstube in een Oost-Duits dorp – hebben vaak de (niet erg bevorderlijke) combinatie van eigenschappen zowel te vaag als te specifiek te zijn. Zo ook de droom van casinomedewerkster Karin uit Capelle aan den IJssel (uitzending van afgelopen 6 januari), die tijdens een vakantie in Florida belandde op een adventure golfbaan, en er sindsdien van overtuigd is geraakt dat dít haar levensbestemming is.

Ik wist ook niet wat dat was, een adventure golfbaan, en haar man Hans – een innig tevreden brugwachter te Boskoop – evenmin. Maar inmiddels is hij bijgepraat: ‘Dat is een minigolf maar dan een beetje avontuurlijk aangelegd.’ Karin: ‘Het is sport, spel, recreatie, het is gewoon hartstikke leuk.’ Volgens haar is hij inmiddels ‘voor tachtig procent’ mee in haar droom. Ze had het plan gepitcht tijdens hun huwelijksreis naar Bonaire. Liggend op het strand was het tot haar doorgedrongen: dit was de plek, dit was het moment. Waarom ze eigenlijk naar Bonaire wilde, weet Karin ook niet precies, behalve dat ze het altijd koud heeft in Nederland (‘ik heb ongeveer elf maanden per jaar m’n elektrische deken aan’).

De tweeduizend vierkante meter benodigde grond op het piepkleine en deels onbegaanbare eiland hebben ze nog niet, maar de complete inventaris is al aangeschaft. ‘Het gras’, somt Hans op, ‘de Eiffeltoren, verschillende piraten, flamingo’s voor het Bonaire-thema, ezels, gorilla’s, en voor de Hollandbaan hebben we de koe.’

Hun spaargeld is op, er staat een indrukwekkende hoeveelheid containers op het eiland, en Hans en Karin vallen van de ene tegenslag in de andere. Hans wenst regelmatig hardop dat hij nog op zijn geliefde brug zat, maar er klinkt nauwelijks ressentiment door in zijn stem. Eerder gelatenheid: hij ondergaat de droom van zijn vrouw als iets waar ze op een dag wel uit zal ontwaken. Tot die tijd zitten ze vast op het eiland, met een overvloed aan tijd en een leven dat is gekrompen tot achterzakformaat.

‘Niet volharden in een domheid’, schreef Gracián in zijn 261ste aforisme. ‘Voor sommige mensen wordt een mislukte onderneming een verplichting. Zij zijn een verkeerde weg ingeslagen en menen dat het van standvastigheid getuigt hem te vervolgen.’ Een wijs man, die stierf lang voordat het woord ‘levensgenieter’ de mensen deed geloven in bordkartonnen dromen.