Opheffer

Onze cabaretiers

De grote vraag is natuurlijk: waar zijn onze cabaretiers?

Waar zijn al die scherpe, geëngageerde geesten die vlijmscherp onze maatschappelijke ontwikkelingen op de hak kunnen nemen, die de dingen raak weten te typeren, die ons een spiegel voorhouden waardoor we ons niet alleen schamen maar ook om onszelf kunnen lachen?

Die cabaretiers die zijn er niet.

Die moedige cabaretiers hebben hun boek vol grappen en grollen De puinhopen van Pim teruggetrokken en ze hebben fijn aan zelfcensuur gedaan omdat ze waren bedreigd, of omdat ze hun eigen grappen opeens onsmakelijk vonden of omdat ze zichzelf eigenlijk te ver vonden gaan.

Aan dat soort cabaretiers heb je wat. Een voorbeeld voor de jeugd, zou ik zeggen.

Tegenwoordig is een cabaretier iemand die in een sportauto zit te bellen met zijn theateragent en met wie het altijd goed gaat. Hij heeft een eigen talkshow, of hij heeft een tv-show, of hij heeft een eigen radioshow, maar in het theater kom je hem eigenlijk niet tegen.

Een cabaretier is een echte grappenmaker, tegen betaling.

De cabaretier van tegenwoordig kan bijvoorbeeld heel goed mensen nadoen. Hij scheert zijn hoofd kaal, dan is hij net Pim Fortuyn! Knap hè? Of hij laat zich door de make-up-afdeling grimeren als De Grave of als Paul Rosenmöller, nou — en dan met een stemmetje erbij is hij net Frank de Grave of Paul Rosenmöller. Hoe krijgt-ie het voor elkaar. Wat ze zeggen is niet meer belangrijk, het «lijkt precies» en je kunt er nog om lachen ook.

Cabaret was altijd links — en werd rechts, of links, dat deed er niet meer toe. En je ziet nu dat de crisis in de politiek gelijk loopt met de crisis in het cabaret. Ze trekken volle zalen met het blazen van luchtbellen die ze vroeger doorprikten.

Een gewone cabaretier — twee jaar geleden stelde hij niet zo veel voor — verdient nu een paar ton. En hij is ook leuk, met leuke grapjes en zo, maar het stelt eigenlijk niets voor.

Niets? Nou ja, Frank de Grave of Paul Rosenmöller of Erika Terpstra.

Als ik tegen een moderne cabaretier zeg dat ik Freek de Jonge goed vind, word ik uitgelachen, want Freek is een oude lul en die heeft laatst gedebiteerd dat de koningin nu iets voor het land kon doen — «En hij meende dat!»

Ja, Freek meent af en toe iets. Ik vraag me af of Freek een boek van hem zou hebben teruggetrokken als daar iets in zou staan wat hij zou menen. Ook al was het kwetsend.

Cabaret is commercieel geworden. Een lekker merk dat goed verkoopt. «Leuk — cabaret. Om te schateren van de pret.» Doe mij maar wat cabaretiers, dan heb ik weer volle zalen, denkt de schouwburgdirecteur. Geef hem ongelijk. Soms zit ik wel drie kwartier naar een show van een cabaretwonder te kijken — meestal bij de Vara, valt mij op — en dan denk ik: wat is hier in godsnaam leuk, goed, knap, scherp, nieuw, literair, poëtisch aan? Ja, het publiek lacht, en heus, om een leuke woordspeling moet ik ook wel lachen — ha ha ha — maar soms is lachen strontvervelend. Soms haat ik mijn eigen gelach. Laatst moest ik bijvoorbeeld lachen om Gerard Joling. Is dat leuk? Diezelfde lach heb ik als ik naar cabaretiers kijk. Ha ha ha! Aan cabaretiers kun je vaak zien welk jaar het is.

Het is nu in cabaretland 1938. Buiten wordt een Palestijnse vlag verbrand, verkrachten Marokkaanse jongeren een kutjodin, schrijft een asielzoekersmeisje een dagboek dat in het vuur geworpen wordt, en in het cabaret eten de bezoekers oesters en drinken ze een koude riesling, terwijl de cabaretier grapjes maakt. Over wat? Niet over iets dat buiten gebeurt.

Het gaat goed met het Nederlands cabaret. Ze zijn populairder dan ooit en hebben nog nooit zo weinig invloed uitgeoefend.

«Wat doe hij leuk Mat Herben na. Ach kijk, hij is Mat Herben!»