De herontdekking van de Gouden Eeuw

Onze Coen

Zo eens in de twintig jaar is het ‘Jan Pieterszoon Coen-tijd’ en mogen we ons weer tot de zeventiende eeuw verhouden. De documentaireserie De Gouden Eeuw brengt die niet altijd fraaie periode in beeld als een ongemakkelijke spiegel voor de actualiteit.

In augustus van 2011 stiet een onvoorzichtige kraandrijver te Hoorn het bronzen standbeeld van Jan Pieterszoon Coen van zijn sokkel. Het beeld van de beeldhouwer Ferdinand Leenhoff (wiens zus getrouwd was met Manet) was daar in 1893 met veel vlagvertoon en harmoniemuziek neergezet, tot grote tevredenheid en glimmende trots van de Hoornse burgerij. Het tijdschrift De Gids refereerde in die jaren aan de oude Vaderlander als ‘onzen Jan Pietersz. Coen, met zijn onuitputtelijke geestkracht, het oog, te midden van al zijn nooden, gevestigd op een grootsche toekomst voor den Hollandschen naam’.

Na het ongeluk spande een groep hedendaagse Hoornaars zich echter in om herplaatsing te voorkomen: zij zagen Coen als pleger van volkerenmoord. De gemeente zette de zoon van Hoorn wel terug, maar bracht op de sokkel een nieuwe ‘kritische’ tekst aan en voegde daar op de gemeentewebsite aan toe: ‘Hij schuwde niet de superioriteit van het blanke ras te preken en moorddadig op te treden tegen onschuldige eilandbewoners.’

Zo is er de laatste honderd jaar steeds met die ouwe Coen gesold. Slauerhoff publiceerde in 1931 een toneelstuk, Jan Pietersz. Coen, waarin hij Coen portretteerde als een onzekere tiran, alles behalve de ‘calvinistische poo­teling’ voor wie (aldus Menno ter Braak) ‘koloniseeren en moraliseeren nog vrijwel identieke begrippen waren’. Ter Braak prees Slauerhoff erom dat hij zich niet had laten imponeren door Coens ‘uiterlijke geweldenaarsfiguur’, dat hij geen ‘groote gestalte had opgezet’, maar zijn portret juist had opgebouwd uit een reeks ‘vulgaire bijzonderheden’; juist door het ontbreken van iedere poging tot ‘vaag idealiseeren en romantisch verdoezelen’ was Slauerhoffs Coen geslaagd. Het stuk werd echter nooit opgevoerd. Het was crisis, het werd oorlog, men las liever over die doortastende, vastberaden ijzervreter.

In 1941 werd die Coen door Klaas Norel in Dispereert Niet aan bezet Nederland voorgehouden. In dat boek ziet Coen knarsetandend hoe het fort Jacatra door de Engelse vloot en de ‘bruine horden’ wordt belegerd. Hij heeft niet het commando, hij moet tijdelijk de wijk nemen naar Ambon, maar hij zweert dat hij zal terugkeren om wraak te nemen – en zo geschiedde. Dat Coen en passant onder de ‘bruine horden’ van Banda een afgrijselijke slachting aanrichtte, dat was natuurlijk een beetje naar, maar Norel vergaf hem dat: ‘Maar hoe kon Coen, hoe konden de Nederlanders van zijn tijd, de ziel van het Oosten kennen? Zij ontmoetten deze volkeren voor het eerst en maten hen met eigen maatstaf, met een strengen en rechten maatstaf, waarbij het breken van een eed de zwaarste zonde was.’

Waar in de negentiende eeuw nadrukkelijk werd gezocht naar het doen herleven van de daadkracht en de ‘rechte maatstaf’ van de zeventiende werd in de tweede helft van de twintigste juist zo veel mogelijk afstand geschapen. De laatste twee, drie generaties hebben het woord ‘vaderlands’ kordaat uit het geschiedenisonderwijs geschrapt. Daarmee is de verering van die Coen-mentaliteit gelukkig nagenoeg uitgeroeid, maar de feitelijke geschiedenis van de periode raakte – op die van Rembrandt en Vermeer na – steeds opnieuw op de achtergrond.

Maar zo eens in de twintig jaar is het weer Coen-tijd, en dan mogen (en moeten) we ons weer tot die eeuw verhouden. Tussen 1980 en 1986 werd bijvoorbeeld de grote tv-serie Nederlanders overzee uitgezonden, een tocht langs de restanten van de voc en de wic. De serie betoogde dat de geschiedenis misschien niet overal even fraai was geweest, maar die Hollanders hadden zich toch maar enorme ontberingen op wrakke schepen getroost om dat ‘mirakel’ van de Gouden Eeuw tot stand te brengen, en daar mocht je best trots op zijn.

Tijdens de Algemene Beschouwingen van 2006 werd een vergelijkbaar historisch stereotype aangeroepen door de minister-president: ‘Ik begrijp niet waarom u hier zo negatief en vervelend over doet. (…) Laten we blij zijn met elkaar! Laten wij optimistisch zijn! Laten we zeggen: Nederland kan het weer! Die voc-­mentaliteit, over grenzen heen kijken, dynamiek! Toch?’. Tussen ‘dynamiek’ en ‘toch’ liet premier Balkenende een kleine cesuur vallen; in dat aarzelend ogenblikje daalde bij de meeste Kamerleden het besef dat hier iets belachelijks geopperd werd. De voc, dat was in 2006 het schoolvoorbeeld van rücksichtslos roofkapitalisme; de voc lag aan de basis van de Nederlandse betrokkenheid in de slavenhandel, de voc was verantwoordelijk voor de massamoord op de bevolking van Banda, enzovoort. Alleen een ouderwetse Bevelandse protestant, grootgegroeid met de bijbel, Bontekoe en De Ruyter, kon zo’n historisch complex nog versimpelen tot ‘Dynamiek!’ Het was een beetje alsof iemand het naziregime prees om zijn goede autowegen. Toch?

Bij de presentatie van de documentaire ntr-vpro-serie De Gouden Eeuw zei de inspirator en presentator ervan, Hans Goedkoop, dat het Balkenende’s woorden waren die de stoot hadden gegeven tot de ontwikkeling van het programma. Goedkoop wist wel dat het aanroepen van de geest van de voc niet deugde, maar hij moest erkennen dat hij niet wist waarom hij dat wist. Hij wist van de slavernij en Coens akkefietjes, maar ook van Rembrandt en Leeuwenhoek. Het was lastig, maar zou je dan toch trots kunnen zijn, op ‘onze’ zeventiende eeuw?

Niet lang geleden was ik op Amsterdamøya, een klein eiland in de Spitsbergen-archipel. Het is vlak, zanderig, mossig, nat, koud en zeer winderig. Op dat eiland hebben in de zeventiende eeuw Nederlandse walvisvaarders een industrieterrein ingericht, ‘Smeerenburg’, waar het spekvet van groenlandse walvissen in grote kuipen werd uitgekookt. Dat was een ongelooflijk goor werk, maar er viel met de Spitsbergense traan in de Republiek goed geld te verdienen. De archeoloog Louwrens Hacquebord, veteraan van het Nederlandse arctische onderzoek, leidde mij rond over het eilandje. Hij had er in de jaren tachtig drie lange zomerse opgravingscampagnes meegemaakt. ‘Zomers’ is op Spitsbergen een los begrip: het is er tussen mei en september overdag wel boven het vriespunt, maar het weer kan elk moment omslaan van zonnig en kalm naar dichte sneeuw en keiharde storm. Hacquebord vertelde dat hij drie maanden lang zijn donzen thermo-pak niet had uitgetrokken. Op het eiland liggen Nederlandse walvisvaarders, speksnijders en traankokers begraven. Uit Hacquebords onderzoek bleek dat de doden van alle leeftijden waren, twintigers, maar ook zestigers. Veel van de skeletten vertoonden botbreuken, sommige zelfs vele. Kennelijk vielen zeelui geregeld uit het want en braken dan wat, waarna ze, een tikje krommer, weer aan het werk gingen.

En dan: ze droegen geen poolkleren. Er werden door Hacquebord wel mutsen gevonden maar geen dikke jassen of lang ondergoed. De walvisvaarders droegen op Spitsbergen in feite hetzelfde als ze op Terschelling, in De Rijp of Harlingen hadden gedragen. Hadden zij het niet koud, dan? De ronkende fictie van K. Norel mag verbleekt zijn, op Spitsbergen kon je de werkelijkheid zien liggen: een taai en kranig volk met kromme poten, dat uit winstbejag grote fysieke risico’s had aangedurfd. Zonder jas. Daar moet toch echt iets ‘rotsvasts’ in gescholen hebben. Was ik daar ‘trots’ op? Neuh. Maar ik was wel onder de indruk.

De documentaireserie De Gouden Eeuw dijde uit tot een groot project, dat ook een briljant geestige jeugdserie omvatte (Welkom in de Gouden Eeuw) en een grote tentoonstelling in het Amsterdam Museum. Die tentoonstelling is een energieke herschikking van de vaste collectie, naar de thema’s die ook in de televisieserie worden behandeld. The Guardian schreef er opvallend lovend over. De Britten, zei de recensent, zouden zich wel drie keer bedenken voor ze een tentoonstelling over het verleden van hun Empire de titel ‘Gouden Eeuw’ zouden geven. De Nederlanders echter, zo schrijft hij, ‘zijn niet blind voor de ironie, of zelfs de hypocrisie, die soms schuilgaat achter het vastberaden vasthouden aan het idee van een ‘gouden’ tijd’. Alles komt aan de orde, ook het brute strafrecht, de uitbuiting van de koloniën en de slavenhandel. Het viel de recensent op dat daarbij openlijk connecties worden gelegd tussen, bijvoorbeeld, het tolerante Amsterdam van Rembrandt en de visies van Geert Wilders, of de stadsuitleg van Amsterdam en die van New York.

Die vrijmoedige actualisering bepaalt ook de televisieserie. Daarin gaat Hans Goedkoop de kijker onbevangen voor in de herontdekking van de zeventiende-eeuwse maatschappij – economie, politiek, wereldhandel, schilderijen, ruimtelijke ordening, noem maar op. Hij laat met milde gêne blijken dat veel van die geschiedenis nieuw voor hem is. In die onbevangenheid wordt doelbewust continuïteit geschapen, een open uitwisseling van ‘toen’ en ‘nu’, alsof Goedkoop door de kennis­making met de geschiedenis pas echt zijn eigen tijd leert kennen. De schandalige manipulatie van de stadsuitbreiding van Amsterdam door Bartholt Cromhout, die met voorkennis de grond opkocht waarvan hij zelf, als burgemeester, de onteigeningswaarde mocht bepalen, wordt met één streep verbonden met de vastgoedfraude. De staatssecretaris van Europese Zaken, Ben Knapen, blijkt bezig met hetzelfde proces van ‘unievorming’ als Johan van Oldebarnevelt – de huidige premier komt het de kijker zelf vertellen. In het poneren van die continuïteit slaat de serie vaak de spijker op z’n kop.

De tentoonstelling en de serie willen dus de stelling aan dat de gebeurtenissen in de tijd afgebakend zijn, maar de onderliggende processen niet. Juist de moderniteit van de zeventiende eeuw wordt naar voren gebracht, als een levende erfenis. De wreedheden van Coen op Banda waren niet ingegeven door religieuze of nationalistische motieven, maar ze kwamen direct en onvermijdelijk voort uit de moderne structuur van de multinational waarbij hij in dienst was. De aandeelhouders drongen aan op rendement, coûte que coûte. Aldus is het gebruik van de zeventiende eeuw als spiegel af en toe zeer ongemakkelijk. De zeventiende-eeuwers zijn te zien als opportunistische wrede schoften met een talent voor onorthodoxe oplossingen, een onmiskenbare werklust en een zekere flair voor cultuur en luxe, en zo zijn wij im grossen Ganzen dus ook. Waarom zouden wij ook anders zijn? Is er in de laatste vierhonderd jaar werkelijk zo’n fundamentele verandering opgetreden in onze moraal dat die Republiek van toen een compleet ander land geworden is? Omdat wij de slavernij hebben afgeschaft? Omdat wij onze standbeelden voorzien van ‘kritische teksten’?

De actualisering van de zeventiende eeuw is een ontnuchterend lesje in hardvochtigheid en cynisme. En toch bevat het ook een lesje over initiatief en branie en de bereidheid het leven op het spel te zetten, tot in een koud graf op Spitsbergen. Bij de presentatie van de serie gaf Goedkoop toe dat er in Balkenende’s waardering van de zeventiende eeuw meer waarheid school dan hij ooit had gedacht.


De Gouden Eeuw is t/m 5 maart te zien op Nederland 2, elke dinsdag om 20.25 uur; gouden­eeuw.ntr.nl, tentoonstelling De Gouden Eeuw, tot augustus in het Amsterdam Museum