De AIVD en het buitenland

Onze cowboys in Verweggistan

Gerard Bouman, hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, heeft aangekondigd dat zijn dienst voortaan meer nadruk zal leggen op het buitenlandse inlichtingenwerk. Maar kán de AIVD dat wel?

BIJ DE PRESENTATIE van het recent gepubliceerde jaarverslag van de aivd kondigde het hoofd Gerard Bouman aan dat de dienst voortaan meer nadruk zal leggen op het buitenlandse inlichtingenwerk. Lange tijd ontbrak het Nederland aan goede capaciteit op dat gebied. De aankondiging van Bouman lijkt een logische stap in een tijd van grensoverschrijdende dreigingen, maar het is de vraag of de consequenties van dit voornemen voldoende zijn doordacht. Deze Nederlandse problematiek past bovendien in een internationale discussie over de vraag of inlichtingen- en veiligheidsdiensten goed genoeg georganiseerd en toegerust zijn voor de strijd tegen het internationale terrorisme.
Om het belang van de door Bouman aangezwengelde verandering te begrijpen is het nodig enig inzicht te verschaffen in de werkwijze van geheime diensten in het huidige tijdsgewricht. Traditioneel wordt er een onderscheid gemaakt tussen inlichtingendiensten en veiligheidsdiensten. Een veiligheidsdienst opereert in beginsel in eigen land en is defensief georiënteerd. Hij probeert schade aan het nationaal belang en de nationale veiligheid te voorkomen. Een inlichtingendienst opereert in het buitenland en is offensief gericht. Zo'n dienst tracht materiaal te ontfutselen uit andere landen dat de instanties daar juist geheim willen houden.
Zo kent het Verenigd Koninkrijk naast de veiligheidsdienst mi5 de inlichtingendienst mi6, Duitsland naast het Bundesamt für Verfassungsschütz voor de binnenlandse veiligheid de Bundesnachrichtendienst en was in de Verenigde Staten tot de aanslagen van 11 september 2001 de fbi de belangrijkste verantwoordelijke voor contraspionage en binnenlandse terrorismebestrijding, terwijl de inlichtingentaak toeviel aan de cia.
Tot 1994 kende Nederland ook zo'n onderscheid. Vanaf 1946 had Nederland zijn eigen mini-cia in de vorm van de Buitenlandse Inlichtingendienst, later de Inlichtingendienst Buitenland (idb). In 1994 hief de toenmalige premier Ruud Lubbers de idb op. Dat gebeurde voornamelijk wegens personeelsproblemen. Die waren er in de bijna halve eeuw van het bestaan van de dienst geregeld geweest en deskundigen vroegen zich af waarom dat ditmaal tot opheffing moest leiden. En: hoe zou een zichzelf respecterende soevereine staat zonder zo'n buitenlandse inlichtingendienst kunnen?
Dat kon dus ook niet. In de internationale inlichtingenwereld geldt het quid pro quo: op lange termijn krijgt een land geen geheime inlichtingen meer van andere landen als het zelf niet af en toe ook iets aanlevert. Zeker een klein land als Nederland is sterk afhankelijk van die uitruil. De gedachte dat de toenmalige Binnenlandse Veiligheidsdienst (bvd) als brievenbus kon dienen voor inlichtingen uit het buitenland zonder daar al te veel tegenover te stellen was naïef.
Toen in 2002 een nieuwe wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten tot stand kwam, werd de bvd dan ook omgevormd tot de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (aivd). De aivd omvatte niet langer alleen de oude bvd, maar kreeg ook een inlichtingentaak. Enkele jaren later constateerden de commissie-Havermans, die het reilen en zeilen van de aivd aan een onderzoek onderwierp, en de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (ctivd) dat de resultaten van de inlichtingendirectie van de aivd (te) bescheiden waren. Om tal van redenen hoefde dat niet te verbazen. Zo duurt de opbouw van een netwerk van informanten en agenten in het buitenland lang, maar belangrijker was nog dat de inlichtingentaak ondergeschikt werd gemaakt aan de binnenlandse veiligheidstaak. De inlichtingentaak was wezensvreemd voor de omgevormde bvd.

Medium icanburnyourface lgpress

Jill Magid/courtesy Stroom Den Haag

TERWIJL DE NEDERLANDSE inlichtingengemeenschap om zuiver binnenlandse redenen met deze materie worstelde, had zich intussen internationaal een ander probleem aangediend. Na de aanslagen van 9/11 in de Verenigde Staten richtte de inlichtingenvergaring van de westerse wereld zich nog maar in beperkte mate op andere staten. De inlichtingenvergaring over terroristische groeperingen, in het bijzonder van islamitische signatuur, had nu de hoogste prioriteit. Na verwijten dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten hadden verzuimd de aanslagen van 9/11 te voorkomen, stond in de Verenigde Staten hervorming van de manier waarop inlichtingenvergaring plaatsvond, kortweg intelligence reform, hoog op de agenda.
Om goed te begrijpen wat er bij die intelligence reform in het geding was en nog steeds is, is enige kennis van de werkzaamheden van inlichtingen- en veiligheidsdiensten nodig. Die omvatten zowel diverse soorten spionage als afzonderlijke werkzaamheden. Zo wordt onderscheid gemaakt tussen traditionele spionage met menselijke bronnen (human intelligence of humint), onderschept berichtenverkeer (signals intelligence of sigint), elektronische intelligence (elint) en nog enkele andere soorten. In een wereld waarin steeds meer communicatie plaatsvindt, stijgt vooral het belang van open sources intelligence (osint).
Nadat de politiek verantwoordelijken hebben vastgesteld aan welke inlichtingen behoefte is, gaat de dienstleiding op basis van deze ‘boodschappenlijstjes’ over tot prioritering en middelentoewijzing. Vervolgens kunnen de zogeheten operateurs hun agenten en informanten instrueren waarover informatie moet worden vergaard. De informatie die daarna binnenkomt, de raw intelligence, moet worden bewerkt: satellietfoto’s moeten worden bekeken door fotoanalisten, vreemdtalige informatie moet worden vertaald, gecodeerde berichten moeten worden gedecodeerd et cetera. Als dat is gebeurd, kan de kwaliteit van zowel de bron als de informatie worden geëvalueerd. Idealiter brengt een analist alle geheime en openbare informatie over een bepaald onderwerp - bijvoorbeeld de mogelijke ontwikkeling van nucleaire capaciteit door Iran - bijeen en schrijft op basis daarvan een rapport, waarvan de inhoud moet worden verspreid onder rechthebbende belanghebbenden: bewindslieden, ambtelijke besluitvormers, militaire commandanten en anderen, een proces dat in het inlichtingenjargon bekendstaat als disseminatie.

WAAROM GAAT HET bij dit inlichtingenproces nu regelmatig fout, zoals bijvoorbeeld bij de aanslagen op de Twin Towers en het Pentagon in 2001? Het best kan men zich de volgende bijna filmische scène voorstellen. Een man komt de kamer binnen waarin u als aspirant inlichtingenanalist zit, met in zijn armen tien dozen met puzzels van duizend stukjes. Hij schudt de dozen leeg boven een immense tafel. Daarna zegt hij tegen u dat u binnen twee dagen de puzzels zonder het voorbeeld moet hebben gemaakt. Hij neemt de dozen mee. Terwijl u al wanhoopt, draait hij zich in de deuropening om en zegt: 'O ja, ik vergat bijna nog te vertellen dat er van elke puzzels slechts een paar honderd in plaats van duizend stukjes aanwezig zijn.’
Dat is de situatie waarin analisten van inlichtingen- en veiligheidsdiensten verkeren. Ze houden zich bezig met tal van gewichtige en ingewikkelde onderwerpen zonder dat ze, in weerwil van alle speciale bevoegdheden waarover ze beschikken, alle relevante informatie hebben. Anders gezegd: het totaalplaatje ontbreekt; de puzzelstukjes vallen niet vanzelf op hun plaats. Bovendien werken inlichtingenanalisten onder grote tijdsdruk. Niemand heeft er wat aan als zij er maanden later achter komen dat ze vooraf beschikten over informatie die mogelijk een aanslag in de eigen hoofdstad of de ontploffing van een bermbom onder het voertuig van een uitgezonden militaire eenheid had kunnen voorkomen. Analisten worden juist geacht te zorgen voor early warning. Zij zijn geen historici.
Gaat er iets grondig mis bij een inlichtingen- of veiligheidsdienst, dan spreekt men meestal van een intelligence failure. In zo'n geval komt er nog wel eens een min of meer openbaar onderzoek, zoals na 9/11. Meestal blijkt dan dat de betrokken geheime diensten wel degelijk stukjes informatie hadden die mogelijk een ramp hadden kunnen voorkomen. In het geval van de aanslagen van 2001 in de Verenigde Staten werd bijvoorbeeld achteraf vastgesteld dat Amerikaanse overheidsinstellingen onvoldoende attent waren geweest op het feit dat mensen zich zonder geldige visa in de VS bevonden, dat er aan zulke mensen wel bekeuringen waren gegeven wegens snelheidsovertredingen, dat er informatie over een van de beoogde kapers was van een Franse zusterdienst en dat een onderdeel van de fbi ervan op de hoogte was dat mensen met een Arabische achtergrond vlieglessen namen, maar meedeelden niet te willen leren opstijgen en landen. Een van de conclusies van de onderzoekscommissie luidde dat de puzzelstukjes niet met elkaar verbonden waren.
Connecting the dots werd daarom na 9/11 de leus van de Amerikaanse inlichtingenwereld. En daartoe werd veel meer samenwerking tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten noodzakelijk geacht dan er voorheen had bestaan. De westerse diensten hadden zich in het bijzonder tijdens de Tweede Wereldoorlog en de daarop volgende Koude Oorlog ontwikkeld. Toen gold het zogeheten need to know-principe of compartimenteringsbeginsel: medewerkers waren soms letterlijk met schotjes van elkaar afgescheiden, want niemand mocht méér te weten komen over het werk van de dienst dan voor zijn of haar werkzaamheden noodzakelijk was. Na de aanslagen van 9/11 klonken daarentegen termen als data fusion, need to share en dare to share. Niet alleen nationaal, maar ook internationaal werd samengewerkt op een manier die ongekend was. Officiële en officieuze samenwerkingsverbanden van inlichtingen- en veiligheidsdiensten schoten als paddenstoelen uit de grond. Terwijl de Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld de regeringen van Duitsland en Frankrijk uitmaakte voor alles wat lelijk is, werkten de geheime diensten van de drie landen achter de schermen harmonieus samen.
En toen werd het Kerstmis 2009 en wist de 23-jarige Nigeriaan Umar Farouk Abdulmutallab bijna een bom tot ontploffing te brengen aan boord van een vliegtuig dat op het punt stond te landen in Detroit. Opnieuw werd vastgesteld dat vooraf puzzelstukjes van deze voorgenomen aanslag beschikbaar waren geweest. Enkele maanden later zat Faisal Shahzad al in het reeds op de startbaan taxiënde vliegtuig naar Dubai toen hij alsnog in de kraag gegrepen werd wegens een poging tot een aanslag op Times Square in New York. Bijna te laat.
Door dergelijke incidenten drong zich de vraag op of de Amerikaanse autoriteiten in acht jaar tijd iets waren opgeschoten met connecting the dots. Sterker, enkele ingewijden meenden dat de Amerikaanse inlichtingen- en veiligheidsdiensten zich onvoldoende hadden weten los te maken van de werkwijze van de Koude Oorlog. Dat was, twintig jaar na de beëindiging van dat conflict, een vernietigende constatering voor diensten waarvan early warning de kernactiviteit hoort te zijn.
Natuurlijk vallen er goede excuses te bedenken voor inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Ze bevinden zich midden in processen van reorganisatie; het zijn meestal alleen de failures die bekend worden; successen kunnen niet kenbaar worden gemaakt; de wereld is veel complexer geworden dan ten tijde van de Koude Oorlog, enzovoort. De vragen die echter meestal niet worden gesteld en die wezenlijk aandacht verdienen zijn: zijn de diensten goed ge(re)organiseerd? En hebben zij nu juist te veel of te weinig bevoegdheden en mogelijkheden om effectief te kunnen opereren? Dat zijn ook vragen die relevant zijn om te beoordelen hoe zinvol de accentverschuiving richting het buitenland is die Bouman beoogt.

HET FALEN VAN de inlichtingendiensten in de VS in 2001, in Spanje in 2004 en in Engeland in 2005 lijkt telkens opnieuw een blessing in disguise geweest voor westerse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. In het kader van de war on terror verdrievoudigde bijvoorbeeld het personeelsbestand van de aivd. Dat was heel anders dan in de jaren zeventig, toen Nederland werd geconfronteerd met Moluks en links-extremistisch terrorisme en er slechts een beperkte taakverschuiving plaatsvond binnen het bestaande personeelsbestand. Maar het is de vraag hoe zegenrijk de personeelsuitbreiding werkelijk is geweest. Meer personeel betekent meer afdelingen of meer hiërarchische lagen en dus een noodzaak tot meer coördinatie. Dergelijke bureaucratische processen leiden tot vertraging, waardoor vergaarde inlichtingen niet tijdig op de burelen van besluitvormers belanden.
Nog erger wordt het wanneer niet coördinatie wordt nagestreefd, maar centralisatie. Het Amerikaanse ministerie van Homeland Security met zijn 180.000 werknemers is er een afschrikwekkend voorbeeld van. Het showen van prachtige computersystemen kan niet verhelen dat juist door zulke bureaucratische molochs weinig sprake is van connecting the dots en real-time, actionable intelligence. Recent onderzoek wijst bovendien uit dat de nieuwe bevoegdheden die Amerikaanse inlichtingen- en veiligheidsdiensten sinds 2001 kregen nauwelijks positief effect hebben gehad. Voorzover resultaten zijn geboekt in de strijd tegen het terrorisme zijn die in het bijzonder te danken aan tips van het publiek, politiewerk en toeval.

DE UITSPRAKEN VAN Gerard Bouman als hoofd van de in Zoetermeer gevestigde inlichtingen- en veiligheidsdienst doen eveneens een centralisatiestreven vermoeden. Er wordt een nieuw kabinet geformeerd en er zijn bezuinigingen op komst en dan wordt er op de lijn Zoetermeer-Den Haag voluit gemanoeuvreerd. Berucht was al de wijze waarop aftredend aivd-hoofd Sybrand van Hulst eind 2007 de dienst van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (nctb) min of meer overbodig noemde. De verhoudingen lijken er onder zijn opvolger niet beter op te zijn geworden. Nu claimt Bouman het inlichtingenwerk ten aanzien van bijvoorbeeld Afghanistan, het werkterrein van de militaire zusterdienst mivd. Op geen enkele manier heeft hij daarbij aangegeven hoe zijn voornemens sporen met het convenant dat in 2005 is gesloten om de samenwerking tussen de mivd en de aivd in goede banen te leiden. Het heeft er veel van weg dat juist nu kwartaal na kwartaal wordt vastgesteld dat de terroristische dreiging voor Nederland is afgenomen, Bouman zich inspant om het sterk gegroeide personeelsbestand van zijn eigen dienst aan het werk te houden, ten koste van andere instellingen.
Tegelijk kan men zich afvragen waarom de aivd in de acht jaar waarin de dienst inmiddels over de bevoegdheid tot buitenlands inlichtingenwerk beschikt niet meer heeft gepresteerd. De indruk bestaat dat de negatieve conclusies van de commissie-Havermans en de ctivd nog steeds weinig bijstelling behoeven. Bouman trekt trouwens een heel grote broek aan als hij nu resultaten in het vooruitzicht stelt ten aanzien van Pakistan, Jemen en Somalië, terreinen waarop zelfs grote broer cia nauwelijks resultaten boekt en dat ook steeds openlijker toegeeft.

WAAR BOUMAN VEEL minder duidelijk over is, is de vraag hoe hij denkt de ongebruikelijke combinatie van een inlichtingen- en een veiligheidsdienst succesvol te laten zijn. De mindset en cultuur van medewerkers van een binnenlandse veiligheidsdienst en een inlichtingendienst voor het buitenland verschillen enorm. Een veiligheidsdienst die actief is in Nederland is bijvoorbeeld gebonden aan andere ethische en juridische normen dan een agent of medewerker van een Nederlandse inlichtingendienst die opereert in Afghanistan-Pakistan of Somalië-Jemen.
Inlichtingendiensten die gebonden zijn aan hetzelfde normatieve kader als de veiligheidsdienst van het eigen thuisland, dat een democratische rechtsstaat is en gekenmerkt wordt door bureaucratische verantwoording, zijn ineffectief. Omgekeerd zou men niet willen dat de 'cowboy’-praktijken die in Verweggistan soms worden gehanteerd norm zouden worden voor het optreden van de binnenlandse veiligheidsdienst. Onderbrenging van beide taken bij één en dezelfde burgerdienst kan niet alleen leiden tot verwaarlozing van een van de twee taken, maar ook tot wederzijdse 'besmetting’.
Gerard Boumans gebruik van de term forward defence ter rechtvaardiging van de nieuwe aanpak suggereert helaas dat het normatieve onderscheid tussen de offensieve en de defensieve taak van de dienst vervaagt. Nu al constateert de ctivd dat Boumans dienst bij de samenwerking met buitenlandse zusterdiensten herhaaldelijk niet heeft voldaan aan de wettelijke vereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit die voor die samenwerking gelden. Als Bouman stelt dat de aivd iets zou moeten ondernemen tegen terroristische trainingskampen in die staten waarin een bestuurlijke chaos heerst, dan overschrijdt hij bovendien al gauw de grens tussen inlichtingenwerk en zogeheten covert operations. Met uitzondering van de cia zijn westerse inlichtingendiensten over het algemeen huiverig geweest om die stap te zetten. Op z'n minst zou daar toch een grondig politiek debat over gevoerd moeten worden.
Wat zou er overigens op tegen zijn om de situatie zoals die tot 1994 bestond in ere te herstellen, dat wil zeggen een aparte binnenlandse veiligheidsdienst en een afzonderlijke inlichtingendienst voor het buitenland, juist nu die twee taken meer van gelijk gewicht worden? Het is een vraag die Bouman niet beantwoordt, maar waarover ook de politiek verantwoordelijken zich niet uitlaten. Het blijft trouwens beangstigend stil vanuit de politiek na de opmerkelijke uitlatingen van Bouman. Profiteert het Zoetermeerse diensthoofd van de demissionaire status van het kabinet en van het feit dat minister Ernst Hirsch Ballin het op dit moment druk heeft met twee departementen?
Als Hirsch Ballin zich eens zou verdiepen in de situatie bij de aivd, zou hij meteen eens moeten kijken of de middelen van de dienst wel goed worden besteed, want terwijl Bouman aan de ene kant het inlichtingenwerk wil laten expanderen, lijkt er in de sfeer van de verwerking sprake te zijn van een ware bottleneck. Tijdens het proces tegen de aivd-tolk Outman ben Amar, die gegevens lekte naar de Hofstadgroep, bleek dat er een hopeloze achterstand was bij het vertalen van vergaarde informatie en dat de vertalers nauwelijks werden aangestuurd.
Helaas is politiek onderzoek naar inlichtingen- en veiligheidsdiensten in Nederland niet zo sexy als bijvoorbeeld in de Verenigde Staten. Bij gebrek aan politieke belangstelling is men afhankelijk van ambtelijke belangstelling. In zijn laatste jaarverslag klaagt de ctivd er echter over dat de dienst wegens personeelsgebrek zijn controlerende taak op een lager pitje heeft moeten zetten. Bij zo weinig controle kan Bouman de wildste dingen roepen. Nu maar hopen dat hij niet ook de wildste dingen doet.

Bob de Graaff is hoogleraar bij de afdeling Geschiedenis van Internationale Betrekkingen van de Universiteit Utrecht, gespecialiseerd in intelligence en nationale veiligheid. In 1998 publiceerde hij samen met Cees Wiebes het boek Villa Maarheeze over de geschiedenis van de Inlichtingendienst Buitenland


Big Brother is big business
Al sinds het einde van de jaren tachtig dijt het veiligheidsbeleid uit. Wetten en wetswijzigingen die bestaande bevoegdheden verruimen of nieuwe introduceren volgen elkaar snel op. Ze vergemakkelijken het gebruik door politie, justitie en veiligheidsdiensten van DNA-onderzoek, cameratoezicht, taps, inkijkoperaties, computeronderzoek, het koppelen van administratieve bestanden die niet voor opsporing zijn bedoeld en het vorderen van gegevens bij derden, zoals telecombedrijven en internetproviders.
In 2007 analyseerde het onafhankelijke Rathenau Instituut deze ontwikkeling in het kritische rapport Van privacyparadijs tot controlestaat. Het instituut stelde onder meer vast dat de veiligheidsdiensten zich steeds vaker richten op personen op wie zelf geen verdenking rust en dat opsporingsdiensten steeds vaker andere partijen dwingen om mee te werken aan onderzoek. Ook werd gewezen op het gevaar van informatie-overflow (door de bomen het bos niet meer zien), privacyschending en het trekken van foutieve conclusies.
Een andere zorgwekkende ontwikkeling zag het instituut in de uitbesteding van informatievergaring aan derden. De onderzoekers zagen een veiligheidsindustrie ontstaan waarbinnen veiligheid big business werd. Dat schrikbeeld is inmiddels werkelijkheid geworden in de Verenigde Staten. Twee jaar lang onderzocht The Washington Post de veiligheidsindustrie die na de aanslagen van 9/11 explosief groeide. Twee weken geleden terug de krant zijn bevindingen. Naar schatting zijn in de VS momenteel 1271 overheidsdiensten en 1931 bedrijven actief in terreurbestrijding, inlichtingenwerk en nationale veiligheid. Meer dan 850.000 mensen hebben de bevoegdheid te werken met ‘top secret’-materiaal. Veel van de diensten doen hetzelfde werk. Zo brengen 51 organisaties geldstromen van en naar terreurnetwerken in kaart. Het Amerikaanse parlement heeft volgens de krant geen afdoende overzicht van en controle op de geheime activiteiten. – JOERI BOOM


Kritiek op de AIVD
Onlangs werden twee medewerkers van de AIVD vrijgesproken van het lekken van informatie naar de media. Het bewijsmateriaal hiervoor berustte op het onrechtmatig afluisteren door de AIVD van twee Telegraaf-journalisten. Het is niet de eerste keer dat de inlichtingendienst negatief in het nieuws komt. De AIVD, die Mohammed B. en de Hofstadgroep al geruime tijd volgde, kon niet voorkomen dat Theo van Gogh vermoord werd. Daarnaast vonden er de afgelopen jaren verschillende incidenten plaats rond het koningshuis en de screening van kandidaat-bewindspersonen. Deze opspraak leidde in 2003 tot de instelling van de commissie-Havermans. Zij verrichtte een onderzoek naar het functioneren van de AIVD en formuleerde de volgende kritiekpunten:
– De AIVD levert onvoldoende kwaliteit omdat de organisatie chaotisch is. De AIVD dient kwantitatief en kwalitatief uitgebreid te worden.
– De AIVD communiceert belangrijke informatie slecht met andere diensten. Vooral de samenwerking met de politie is zorgwekkend. De AIVD ‘moet niet wachten tot de puzzel compleet is, maar moet eerder met de beschikbare informatie aan de slag’.
– De AIVD is te gesloten naar de buitenwereld. Er bestaan hierdoor grote discrepanties in de verwachtingen die men van de AIVD heeft en zijn daadwerkelijk functioneren. ‘De AIVD weet meer dan hij zegt, tegelijkertijd geldt dat hij niet in staat is om alles te voorkomen.’
– De aansturing schiet te kort. In de praktijk is het de AIVD zelf die bepaalt wat er gedaan wordt. De commissie-Havermans acht dit niet wenselijk en bepleitte dat alleen de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verantwoordelijk is en niet, zoals tot 2003 het geval was, vier verschillende ministeries.
Zes jaar na de verschijning van het rapport van de commissie-Havermans (2004) is het een en ander veranderd. Het personeel van de AIVD is verdrievoudigd, maar de samenwerking met andere diensten laat nog te wensen over. Vooral de samenwerking met de MIVD, die op inlichtingengebied door de AIVD als een concurrent wordt beschouwd, verloopt niet soepel. Hoewel de dienst nu werkt onder één ministerie (BZK), bestaan nog steeds twijfels over de aansturing. Ook de kwaliteit van de AIVD-inlichtingen en de omgang met juridische bevoegdheden zijn nog niet op orde. – LIESBETH BENEDER


De neon-sculptuur I Can Burn Your Face (Jill Magid, 2008) waarvan hier een detail te zien is, refereert aan een term die binnen de AIVD betekent dat iemands identiteit wordt geopenbaard. Het werk werd in 2008 tentoongesteld in Stroom in Den Haag. Kunstenaar Jill Magid werd in 2005 gevraagd om een kunstwerk te maken voor de AIVD, die het menselijke gezicht achter de gesloten organisatie wilde tonen. Magid werd gescreend en mocht onder meer enkele geheim agenten interviewen. Zij deed hiervan verslag in een boek, Becoming Tarden, dat door de AIVD werd gecensureerd. Magid volgde de regels die de dienst vooraf had opgesteld en schrapte gewraakte citaten en gedeelten. Het boek werd onlangs tentoongesteld in Tate Modern. De AIVD eiste het boek terug en wilde het in het eigen archief opbergen. Twee medewerkers van de AIVD hebben na afloop van de expositie het boek opgehaald. Op dit moment staan Magid en de AIVD op gespannen voet. Zij liet namelijk vorig jaar weten dat ze naast haar kunstproject-in-opdracht ook een roman wil publiceren over haar ervaringen toen ze als kunstenaar binnen de AIVD werkte. Volgens de AIVD brengt ze met de publicatie staatsgeheimen naar buiten en daarmee mensen in gevaar. Maar voor Magid betekent stoppen met het project een beperking van haar artistieke ontwikkeling. Magid woont en werkt in New York en zoekt een uitgever. – KATRIEN OTTEN