Natasja Kensmil, Sleeping Beauty II, 2010. Olieverf op doek, 120 x 120 cm, particuliere collectie © Andriesse-Eyck Galerie

De kinderen slapen, in de museumzaal heerst een serene rust. Op schilderijen aan de muren liggen peuters en kleuters, met hun kleine hoofden op kussens met ruches, hun lijfjes ingestopt onder een berg van dekens. Van sommige kinderen is alleen het gezicht met een pluk haar zichtbaar, van anderen ook een hand of een arm. Hun huid heeft een onbestemde kleur, een weeïge gloed van groen- en grijstinten, en ondanks de dekens lijken ze het steenkoud te hebben. De holle blik in hun open ogen verraadt hun werkelijke toestand, zojuist begonnen aan een eeuwigdurende slaap.

Sleeping Beauty is een uitzonderlijke serie in het oeuvre van Natasja Kensmil. Haar werk wordt doorgaans bevolkt door allerhande historische figuren, door gezaghebbers, royals en celebrities, maar deze kinderen speelden geen rol in de geschiedenis, hebben niet langer een naam. Kensmil liet zich voor de serie inspireren door de negentiende-eeuwse post mortem-fotografie. In een tijd dat veel kinderen stierven bood de zojuist uitgevonden fotografie de mogelijkheid van een tastbare herinnering voor de familie, een foto van het kind van wie bij leven vaak geen foto was gemaakt. Kinderen, maar ook volwassenen, werden opgebaard alsof ze nog leefden, soms zelfs rechtovereind gezet om nog een laatste keer met broers en zussen te poseren. De kinderen van Kensmil wekken de indruk te slapen, de slaap als een volmaakte illusie van de dood, een stiekeme, stille voortzetting van het leven.

De portretten die Kensmil op basis van post mortem-foto’s maakte zijn minstens zo ontroerend als de oude foto’s zelf, maar als schilderijen zijn ze bovendien razend interessant. Memento mori is een klassiek genre in de kunsten. De poppen die sommige kinderen als troost in de hand houden, zijn in Kensmils schilderijen sardonische metgezellen, doodse materie die het altijd wint van de aardse mens. Maar in deze schilderijen is meer aan de hand. Het onherroepelijke verval van het leven, dat in de foto’s alle aandacht opeist, is op de schilderijen paradoxaal genoeg laag voor laag opgebouwd. Ze bruisen van vormen en lijnen, de kinderen omringd door bloemen en doodskisten en decoratieve randen als een fotolijst. Kleuren uit eerdere lagen schijnen aan de oppervlakte door als kleine lichtflitsen. De doeken zijn meer dan een herinnering aan het einde, ze verzetten zich tegen dat einde tot in iedere vezel. Nieuw leven, in de kiem gesmoord, ligt hier gevangen in dikke lagen verf.

In alle gruwelijkheid is Sleeping Beauty vergeven van romantiek, zoals al het werk van Kensmil. Een schilderij uit de serie is in twee gelijke vlakken verdeeld, met onder het kind geschilderd in een ovalen lijst en boven niets dan golvende lijnen in een decoratief patroon, als de versierde deksel van een doosje dat je zo zou kunnen dichtklappen.

De schilderijen van Natasja Kensmil (1973) beslaan het gat tussen heden en verleden, tussen leven en dood en tussen verf en ziel. Het zijn vaak historische portretten, maar portretten die voorbijgaan aan zomaar de persoon in kwestie, die terugkijken vanuit het nu en contempleren op de geschiedenis. Er ligt geen oordeel in besloten, het is zoeken naar een ingang, met de schilderkunst als handlanger.

In zekere zin valt haar werk perfect samen met de wensen van de huidige tijd, waarin het kritisch ‘bevragen’ van de geschiedenis en het vertellen van ‘alternatieve’ verhalen bon ton is, en Kensmil staat volop in de belangstelling (net als haar zus, kunstenaar Iris Kensmil). Monument der Regentessen hangt in de Amsterdam Museum-vleugel van de Hermitage, als ‘interventie’ naast groepsportretten uit de zeventiende eeuw. Op het centrale negenluik, dat door het museum werd aangekocht, portretteert Kensmil zeventiende-eeuwse weldoensters die zich op hun goede daden lieten voorstaan, maar onvermeld lieten dat hun welvaart voortkwam uit het koloniale systeem.

Het elfdelige Huwelijksportret van Johan de Witt en Wendela Bicker (2020) werd voorgesteld bij de gemeentelijke kunstaankopen in het Stedelijk Museum (maar niet aangekocht). Kensmil schilderde staande portretten van Johan de Witt en Wendela Bicker in koele tinten zwart, wit en blauw, met om hen heen negen kleinere, kleurrijkere schilderijen van familiewapens, heroïsche teksten en andere vormen van ronkende symboliek. Op huwelijksportretten uit die tijd werden soms zwarte bedienden afgebeeld, als statussymbool maar ook als decoratief ornament. Kensmil koos ervoor een zwarte jongen in een van de wapenschilden te verwerken om de aanwezigheid en marginale positie van deze kinderen te onderstrepen. De machts- en statussymbolen die Johan de Witt en Wendela Bicker tot gewichtige historische figuren maken, zijn in het portret letterlijk van hen losgeweekt. Ze hangen boven hen als zware donderwolken.

­Kensmil schildert ventilatieroosters van de geschiedenis

Deze week krijgt Natasja Kensmil de Johannes Vermeer Prijs uitgereikt, de grote staatsprijs voor de kunsten, vorig jaar toegekend aan Rineke Dijkstra. En Kunsthal KAdE in Amersfoort presenteert momenteel een overzichtstentoonstelling met haar werk vanaf 1998, het jaar dat ze De Ateliers in Amsterdam afrondde en de Koninklijke Subsidie voor Vrije Schilderkunst ontving. Gelukkig, zou ik willen zeggen, omdat je in KAdE kunt zien hoe Kensmil in ruim twintig jaar toewerkte naar de schilderijen die vandaag de spijker op zijn kop lijken te slaan. Hoe dat werk zich niet in één politiek of maatschappelijk thema laat vangen, hoe het ontsnapt aan eenduidige interpretaties. Het is monumentaal en decoratief tegelijk, met portretten van grootheden die verstrikt dreigen te raken in een web van bloemen of schedels. Genadeloos als Francis Bacon, met een vleug Henri Matisse.

Kensmil smelt in haar schilderijen de geschiedenis om en zoekt naar wat verborgen blijft. ‘Hoe kunnen we de mensen of dingen die we menen te kennen werkelijk kennen?’ vraagt zij zich af in een interview dat is opgenomen in de prachtige publicatie die bij de tentoonstelling verscheen. ‘Een bestaand persoon kan de basis zijn van mijn schilderij. Van daaruit maak ik portretten waarbij ik het gezicht of lichaam vervorm, verfraai, vermink, of zelfs vernietig. De statische vormelijkheid wil ik afbreken. Ik ben op zoek naar het ego, de ziel, het zelf. Ik zoek naar de vertwijfeling, de eenzaamheid, de vervreemding, de ontreddering en de dood: het archetype van de duistere kant van de menselijke conditie.’

Natasja Kensmil, Sleeping Beauty VII (Narcissus), 2010. Olieverf op doek, 120 x 100 cm, particuliere collectie © Andriesse-Eyck Galerie

Kensmil schildert altijd meer schilderijen dan je ziet. Vooral de eerste jaren schilderde ze beeld over beeld op haar doeken, tot die volledig van de verf verzadigd raakten. Het kwam voort uit ontevredenheid en op enig moment schilderde ze nog maar één schilderij per jaar. Die traagheid zie je eraan af: het zijn zware schilderijen waar de verf boven op ligt, doorploegd als een akker in wintertijd. Het portret van de Romanovs is zo dik en mat, met kleine toefjes verf, dat het meer lijkt op een muurschildering dan op een schilderij. Schwarzkopf (1998) is een indrukwekkend schilderij, genoemd naar het shampoo-merk, van zwarte hoofden met onherkenbaar verminkte gezichten en witte molensteenkragen om hun nek, in Nederland ooit het statussymbool bij uitstek. Het kapsel, dat doet denken aan dat van voormalig koningin Beatrix, keert terug op andere schilderijen en glimt als haarlak.

Spiritualiteit is bij Kensmil nooit ver weg. Een van de curieuzere werken op de tentoonstelling in KAdE is Zelfportret als Jomanda (1998), geschilderd in een tijd dat medium Jomanda haar hoogtijdagen beleefde met collectieve healings in Tiel. Les mystères de la séance (2011) is een rijk portret van occulte praktijken, een schilderij als spookhuis.

Later is Kensmil dunner gaan schilderen, met minder kleur, in een palet van zwart en wit waarbij zwart nooit een puur zwart is, maar altijd een mengeling van kleuren die tot een gelaagd donker leidt. De werken die ze vanaf dan maakt, vaak in groen, blauw, grijs, zwart en wit, zijn transparanter en mysterieuzer. De geportretteerden bewegen er als vanzelf richting het schimmenrijk. Kensmil hanteert daarbij een stevige lijnvoering (naast schilderen tekent ze ook), die hun botten en daarmee hun sterfelijkheid accentueert. Ze kiest onderwerpen op de tragiek die aan hen kleeft, zoals de serie van beroemde koppels, vaak jong, gedwongen en ongelukkig getrouwd. De ribbenkast van Wilhelm II schijnt door zijn uniform heen en om de hals van zijn vrouw, Auguste-Victoria, hangt een pluim rook als een strop. Bij Kensmil zijn de laatste Duitse keizer en keizerin, letterlijk, doodongelukkig.

A Poison Tree heet de tentoonstelling in KAdE, naar een kort gedicht van William Blake waarin een ik-persoon verhaalt van een groeiende woede voor een vijand die hij in zich draagt, een woede die de vorm aanneemt van een mooie appelboom. ‘And I water’d it in fears’, schrijft Blake, ‘Night and morning with my tears/ And I sunned it with smiles/ And with soft decentful wiles.’ De boom groeit van opgekropte woede en op een dag verschijnt aan een tak een glanzende appel, waar zijn vijand van eet en dan dood neervalt. De ultieme revanche, als je wilt, maar zoals de persoon aan het begin van het gedicht stelt, had die woede voorkomen kunnen worden door erover te praten.

In zekere zin zijn de schilderijen van Kensmil ventilatieroosters van de geschiedenis, een gelegenheid om onze tragische, onze giftige voorouders nog eens in de ogen te kijken. Machthebbers die uitgroeiden tot levende legenden en de loop van de geschiedenis en het lot van zovelen bepaalden, brengt Kensmil terug tot menselijke proporties. Uit de holle ogen van Jan van Leiden, de rondtrekkende prediker met menig bloedbad op zijn naam, hangen wriemelende wormen. De geschiedenis onder ogen komen vergt een sterke maag.

Natasja Kensmil – A Poison Tree, t/m 9 januari, Kunsthal KAdE, Amersfoort, kunsthalkade.nl. De gelijknamige publicatie verscheen bij Alauda Publications (€49,-). Monument der Regentessen, t/m 2 januari, Hermitage, Amsterdam