Op reis door Europa

‘Onze kwetsbaarheid is blootgelegd’

Welk Europa herrijst uit de as van de coronapandemie? We reisden met een camper van Berlijn naar Rome, op zoek naar een Europa dat niet aan zijn geopolitieke lot kan ontsnappen. ‘Vroeger bogen mensen voor Italië. Tegenwoordig is alles Chinees.’

Berlijn. Duitsland is in constante verbouwing en verbetering

Voor we met een Duitse camper naar Parijs en Rome rijden, hebben we afgesproken met Ulrike Guérot, op een terras in Berlijn. De Duitse politicologe steekt van wal met een oproep om snel een Europese republiek te stichten, maar na een uurtje zwijgt ze plots lang. Of ze er zelf eigenlijk nog wel in gelooft, vragen we. Ze ademt diep en veegt een paar rosse krullen opzij. Haar lippenstift is tijdens het vertellen vervaagd. Op tafel ligt een blauw, verfomfaaid mondmasker met de gele sterrencirkel van de Europese vlag. Het is begin juni en Guérot is uitgeput.

Al dertig jaar pleit de bekende publiciste onvermoeibaar voor een sterker en politieker Europa. In de jaren negentig was ze woordvoerder van de Europese muntunie, ze werkte daarna nauw samen met oud-Europees commissaris Jacques Delors in diens denktank en schoof aan bij discussies met François Mitterrand en Helmut Kohl over de toekomst van het continent. ‘Die oude witte mannen, van mij mogen ze terugkomen’, zegt ze lachend. ‘Zij geloofden nog echt dat ze van Europa en de wereld een betere plek konden maken.’

Guérots oude droom lijkt steeds verder weg. Jarenlang wilde ze zich niet laten afleiden door de toenemende weerstand tegen haar optimisme. Ze trotseerde het populisme en de gestokte Europese integratie en herhaalde de woorden van de Tsjechische dissident en oud-president Vaclav Havel. ‘Hoop is niet de overtuiging dat het beter wordt, hoop is de overtuiging dat je het goede doet, ongeacht de uitkomst.’ Maar de laatste dagen kan ze het niet meer opbrengen. Met sigaretten en een glas alcohol in de hand, op een warme zomeravond, zonk de moed haar in de schoenen. ‘Hoe lang blijf ik nog de Pippi Langkous van de pro-Europese hoop? Ik ben niet naïef, ik lees ook kranten, ik zie ook wel hoe de werkelijkheid afdrijft van de toekomst waar ik voor pleit.’ Ze spreidt haar armen uiteen. ‘Het coronavirus kon voor een utopisch moment zorgen, de Unie is gebouwd op dit soort crises. Na de Tweede Wereldoorlog verenigden we kolen en staal zodat niemand nog op zijn eentje tanks kon bouwen. Een groot probleem werd vroeger altijd hersteld met meer eenheid, zo kwam Europa dichter bij elkaar.’

Dus toen de pandemie Europa bereikte en op slot gooide, schreef en ondersteunde Guérot een karrenvracht aan manifesten, opiniestukken en pamfletten in allerlei Europese landstalen. ‘Zuid-Europese staatshoofden verschenen op de Duitse televisie om te pleiten voor solidariteit, voor gezamenlijke leningen, misschien zelfs voor Europese belastingen en uitkeringen. Ze werden zelfs eventjes serieus genomen, maar’, ze knipt met haar vingers, ‘het was snel weer weg.’

Op 19 mei kwamen Angela Merkel en Emmanuel Macron naar buiten met een gezamenlijk voorstel voor een royaal coronasteunfonds van vijfhonderd miljard euro, dat door de Europese Commissie nog werd aangedikt tot 750 miljard. Een deel daarvan moet uit geldtransfers bestaan. Het was een haarspeldbocht in de Duitse houding, die altijd leningen had verkozen boven transfers, een vlucht naar voren van een land dat ‘gedoemd is tot Europees leiderschap’, zoals The Economist recent schreef.

Maar Guérot was niet onder de indruk. ‘Het is een stapje, maar het was geen ambitieus antwoord op de “grootste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog”. Als je de huidige plannen grondig doorlicht zorgen de transfers voor een tijdelijke toename van slechts 0,6 procent van de begroting in de Europese Unie. Niet meer dan een homeopathische dosis solidariteit dus. Macron en vooral Merkel hebben het systeem op de rand van de afgrond gestabiliseerd, net op tijd. Maar ze moeten veel meer doen om Europa weer naar het midden van de racebaan te loodsen.’

Duitsland nam vorige week het tijdelijke EU-voorzitterschap over van Kroatië, op een cruciaal moment. De afgelopen tien jaar is het aanzien van de Europese Unie in de wereld verzwakt, met een historische financiële crisis, navelstaarderij, gekissebis over bestraffend besparingsbeleid, slecht georganiseerde migratiestromen en een ontluikende conservatief-populistische revolte die zich tegen Brussel keert. Rond ons is de wereld gevaarlijker geworden. In het oosten zijn geopolitieke tegenstanders ontwaakt – Rusland en vooral China –, Amerika keert zich af en de klimaatcrisis zal de wereld de komende decennia feller doen branden. Corona is nu het oog van de orkaan, maar in de eerste weken van de pandemie was Europa nergens te bespeuren. Hoe het continent zich herpakt, zal onze fragiele toekomst bepalen. Daarom trekt De Groene Amsterdammer deze zomer samen met een Duits-Poolse en een Belgische journalist door een heropend Europa. In dit eerste deel dalen we af van Berlijn, via Parijs, naar Rome.

Guérot ziet geen vreedzaam alternatief voor haar droom van een Europese grootmacht. ‘Ik zou graag de Italiaanse filosoof Antonio Gramsci citeren en iedereen moed inspreken: “Als ik naar de werkelijkheid kijk word ik bang. Als ik naar mijn activisme kijk, genereer ik hoop.” Maar ik weet niet of ik mezelf vandaag nog geloof.’ Ze kijkt ons ernstig aan. ‘Het is de eerste keer dat ik die overtuiging verlies.’

in de regio Rhein-Hunsrück is Duitslands befaamde Energiewende al volbracht;

Langs de Autobahn buiten Berlijn passeren we overal kranen en wegenwerken. Geen vermoeid oplapwerk, maar een Duitsland in constante verbouwing en verbetering. De grootste economie in de EU heeft de eerste golf van corona goed overleefd, met weinig doden en een beschaafde lockdown. De voorbije jaren herhaalde de zuinige sociaal-democratische minister van Financiën Olaf Scholz keer op keer: ‘We sparen om te kunnen uitgeven wanneer het echt nodig is.’ Nu dat moment is aangebroken pompt de Bondsrepubliek inderdaad honderden miljarden in haar economie. De rest van Europa kan het nauwelijks volgen, maar het levert de Duitse middenpartijen – vooral de cdu van Angela Merkel – brede steun op bij de bevolking. Duitsers beseffen nauwelijks hoe ongebruikelijk goed ze het doen. En hoe machtig hun grote land opnieuw is geworden. Ze schaffen het gewoon. Om dat te begrijpen, moet je de steden verlaten. We rijden naar de Rijnvallei, net onder Frankfurt, naar een plek van witte wijn en windmolens.

Voor het eeuwenoude gemeentehuis van Neuerkirch worden we opgewacht door Michaël Uhle, klimaatambtenaar van Rhein-Hunsrück, twee dorpsburgemeesters en een handvol bewoners die zijn samengekomen om hun grote succes toe te lichten. In de centrale hal staan de kloeke, blozende mannen – en één vrouw die er geen woord tussen krijgt – te glunderen. Het zijn echte Duitsers, ze houden van bier en worsten op de gril, dragen dezelfde geruite hemden met kleurrijke knopen en maken dezelfde brave grapjes. Het zijn ook christen-democraten van de oude stempel, trots op het gemeenschapsleven, de zorg voor naasten en het rentmeesterschap over publieke financiën, maar ze hebben hier een kleine groene revolutie ontketend. 137 samenwerkende dorpjes in de regio Rhein-Hunsrück produceren drie keer zoveel energie als ze zelf nodig hebben, met windmolens en zonnekrachtcentrales. Duitslands befaamde Energiewende is hier al volbracht. De dorpen verdienen er bakken geld mee. Bijna alle windmolens staan op gemeentegrond die verpacht wordt. Meer dan honderd delegaties uit 45 landen kwamen al naar het kleine Neuerkirch kijken, een dorp van minder dan driehonderd inwoners. ‘We vragen ons soms af hoe die Japanners en Canadezen ons allemaal vinden’, zegt burgemeester Volker Wichter. ‘Maar ze zijn nooit teleurgesteld.’

Wichter en zijn collega Bernd Kunz van het naburige Schnorbach tronen ons mee door het dorp. Wichter kent alle inwoners, informeert naar zieke ouders en schoolresultaten van neefjes en nichtjes. Onderweg inspecteert hij de staat van stoepen en straten. Op de daken van vierhonderd jaar oude hoeves met vakwerk en leem liggen zonnepanelen. Boven de omliggende sparrenbossen en grasvelden torenen de befaamde windmolens. ‘Allemaal dankzij Napoleon’, zegt een van de mannen. De Franse generaal onteigende na zijn verovering in 1800 grote stukken land van de protestantse en katholieke kerk. De bevolking was te arm om het te privatiseren, dus bleven de boerengemeenten met grond zitten die toen nog weinig waard leek. ‘Anderhalve eeuw geleden was er niet eens genoeg voedsel, dus vertrokken mensen met dromen naar Amerika’, vertelt Uhle. Die moeilijke geschiedenis zaaide de kiem voor het plan dat hij in de jaren negentig bedacht. Al die nutteloze velden bleken de ideale plek voor windturbines.

De laatste jaren is Duitsland gaan beseffen dat de motor van Europa weinig waard is zonder andere onderdelen

De eerste windmolens kwamen in 1995, al was er eerst nog wel wat weerstand. De bewoners waren bang voor slagschaduw, geluidsoverlast en de stalen wieken die het uitzicht konden bederven. ‘We hebben avonden georganiseerd’, zegt Wichter. ‘Zodra iedereen wist dat ze ’s ochtends niet onder een koude douche zouden staan, dat ze zelfs geld zouden verdienen, was iedereen tevreden.’ Klimaatambtenaar Uhle vult aan: ‘We rekenen constant uit hoeveel geld er in de gemeenschap blijft en wat er niet naar Rusland of Saudi-Arabië gaat, burgers krijgen dat thuis toegestuurd.’

We wandelen naar een warmtecentrale op zonne-energie. ‘De windturbines zijn als een snoeplade’, zegt Kunz uit Schnorbach. ‘We hebben zelfs geen idee meer waar we al het geld aan moeten uitgeven.’ Bewoners kregen groene renovatiecheques van vierduizend euro, er staan elektrische Dorfautos in de straten die iedereen gratis mag gebruiken. In het naburige Mörsdorf werd voor 1,4 miljoen euro zelfs een van de langste loopbruggen van Europa gebouwd, die nu honderdduizenden wandeltoeristen per jaar trekt. En andere dorpen legden bij, zonder daar iets voor terug te verwachten. De gemeenteschulden daalden en zelfs de vergrijzing wordt een beetje beteugeld. In de scholen klinken weer meer kinderstemmen, bijna alle huizen zijn opnieuw bewoond. Lokale bakkers en slagers vinden een opvolger. Het maakt de burgemeesters ontzettend populair. Wichter werd herkozen met 97 procent. Kunz moest het doen met 83 procent. Ze zijn voortrekkers, maar in de omliggende dorpen wordt de succesformule druk gekopieerd.

‘Utopisch? Nee hoor!’ schuddebuikt Wichter, die gedurende anderhalf uur het nut van ieder buisje en knopje van de warmtecentrale heeft toegelicht. ‘Voor ons is het de logica zelve. Het is zelfs goed conservatief beleid. We willen de natuur beschermen, onze Heimat, voor onze kinderen en kleinkinderen.’

Parijs. ‘De geglobaliseerde economie dient de gewone mensen niet’

De dorpen zijn vuurtorenprojecten, zoals ze zichzelf noemen, ze leiden de weg en tonen een Duitsland dat zich door de coronacrisis niet existentieel bedreigd voelt. We dalen verder af langs de Rijn, naar de universiteitsstad Freiburg, waar econoom Lars Feld kantoor houdt. Hij is directeur van het prestigieuze Walter Eucken-instituut en voorzitter van Angela Merkels ‘vijf wijzen’ – de economische raad die haar adviseert en het recht heeft om ministers te bevragen.

Het is een typisch Duits instituut, opgericht door economen die na de Tweede Wereldoorlog inzagen hoe beschamend onverschillig hun beroepsgroep was geweest in de jaren twintig en dertig, toen nazi’s de macht grepen. Slechts een aantal bood verzet en kwam samen in de Zuid-Duitse stad Freiburg, waar het instituut nog altijd zetelt. De vijf roulerende leden behoren tot de belangrijkste financieel adviseurs van de Bondsregering in Berlijn. Ze spreken af met ministers, schrijven invloedrijke rapporten, fluisteren de kanselier hun gedachten in voor de economische toekomst en behoeden zo het land voor fouten uit het verleden.

We treffen Feld, een man met een oorbelletje, bril en een keurige snor, tussen stapels papier die tot het plafond reiken. ‘Mensen denken dat ik een fiscale havik ben’, zegt hij. ‘Dat ben ik ook, tot op zekere hoogte. Ik geloof in spaarzaam zijn in goede tijden, zodat je een crisis te lijf kunt gaan wanneer dat belangrijk is.’ Maar dat mag niet doorslaan in ‘Freibier für alle’, waarschuwt de econoom. ‘Een lange rij lobbygroepen vormde zich voor het ministerie van Financiën, maar je moet geen banken redden als er geen bankencrisis is en geen familiecheques uitdelen als die het niet nodig hebben.’ Inmiddels is hij tevreden over hoe gericht de uitgaven zijn. Duitsland geeft fors uit aan digitalisering – waar het land behoorlijk achterop hinkt, in grote delen van het land heeft je telefoon geen bereik –, het vergroenen van de economie en – verrassend – de anders zo machtige autolobby haalde bakzeil. ‘Hun invloed is niet meer wat die geweest is. Dat heeft vele redenen, maar de belangrijkste is dat investeren in auto’s niet meer effectief is.’

Die zuinige en berekenende houding zorgde in het verleden vaak voor een hardvochtige reactie op zuidelijke lidstaten die in noodweer verzeild raakten. Deze keer was het anders. ‘Voor mij was het vanaf het begin van de coronacrisis duidelijk dat we een tweede eurocrisis moesten vermijden’, zegt Feld. ‘Als er een storm zou opsteken, zou Italië zich in het centrum bevinden. Dat land is niet in staat dat op te lossen zonder hulp van buitenaf. En als Italië valt zou dat veel erger zijn dan de val van Griekenland. Duitsland moet daar iets aan doen.’

Dat verklaart voor hem de vijfhonderd miljard euro die Angela Merkel en Emmanuel Macron plots als reddingspakket aankondigden. Hij wil het geen bocht noemen, maar het woord ‘transfer’ viel voor het eerst en een afgezwakte vorm van de altijd gewraakte eurobonds maakten deel uit van het pakket. ‘Dat is dan toch de kracht van het virus’, geeft Feld toe.

De Duitse Wende verraste politici en waarnemers in heel Europa, al zal elke Duitsland-kenner je geduldig uitleggen dat die draai al jaren op handen was. De laatste jaren is het land gaan beseffen dat de motor van Europa weinig waard is zonder andere onderdelen. ‘Problemen in de EU of een Italiaanse exit zijn ook onze Duitse problemen’, zegt Feld. ‘Zeker gezien de rivaliteit tussen China en de Verenigde Staten over wie van hen het machtigst is.’

Mont Blanc. Italië claimt de top van Europa, maar op Franse kaarten behoort die tot Frankrijk

De oversteek van Freiburg naar Frankrijk voelt als afdalen langs de nekwervels van Europa, van het hoofd naar het hart. We zijn de Rijn nog maar net over, in de Elzas, of een traag voorbijrijdende tegenligger in een roestige Citroën steekt zijn middelvinger naar ons op. Tegen de ‘PRESS’ achter de voorruit, tegen het grote toeristische gevaarte waarin we rondrijden of tegen de Nederlandse nummerplaat. Wie zal het zeggen, de boodschap is duidelijk: ik ben boos op de elite. Het valt op hoeveel armoediger de provinciale periferie onmiddellijk oogt dan in de dorpen in West-Duitsland. In dorpen en kleine steden vervallen de straten. Het zijn plaatsen met lege winkelruiten die je als holle ogen aankijken, waar verf en pleisterwerk van de bakstenen krult en overspoten is met talentloze graffiti of radicale slogans. Hier rijden de laatste jongeren op scooters in rondjes, tussen boze en oude bewoners op bankjes. De kramen op de marktjes zijn nog rijkelijk gevuld met mooie lokale producten, maar de industrie is teruggetrokken en de economie gestagneerd. Hier heeft men geen boodschap aan ‘gemiddeld doet de Fransman het beter’ en ‘globalisering is goed voor de economie’. Hier vind je een verklaring voor de ellendige peilingen van Emmanuel Macron, hier heeft men gele hesjes aangetrokken, in de eerste plaats om eindelijk gezien te worden.

‘We hebben eigenlijk een nieuwe Napoleon nodig. Macron zou dat wel willen, maar dat is hij niet’

Aangekomen in Parijs spreken we de man die de gilets jaunes allang had voorspeld. Geograaf Christophe Guilluy schrijft al sinds 2004 over de scheuren in de Franse maatschappij. In zijn boek La France périphérique uit 2014 beloofde hij dat verzet van de middenklasse tegen de elite in de Franse metropolen onafwendbaar was. Het waren de woorden van een Cassandra, het verzet kwam voor de meeste Parijzenaren als een totale verrassing. ‘Voor de bourgeois bohémiens was het alsof ze een nieuwe stam in de Amazone ontdekten.’

Guilluy nodigt ons uit in een pretentieloze bistro, vlak bij de Bastille. ‘De coronacrisis heeft een waarheid geopenbaard die we eigenlijk al kenden. De geglobaliseerde economie dient de gewone mensen niet, onze afhankelijkheid van China is gevaarlijk en eeuwige groei is een fabeltje met verschrikkelijke gevolgen voor het klimaat.’ Het populisme dat in de westerse middenklasse onbeholpen en woest naar boven komt is een natuurlijke reactie, zegt Guilluy. ‘We zien het begin van de renaissance van de middenklasse. Europa moet daar een antwoord op vinden, met continentale solidariteit en gedecentraliseerd beleid van investeringen in de periferie. Duitsland is wat dat betreft een model, veel van de industrie is gebleven en de macht zit lokaal. Parijs daarentegen is een moderne citadel, een paleis voor de extreem rijke elite, gebouwd op een berg van uitbuiting, moderne slavernij van nieuwe migranten en schulden. Gewone Fransen raken er niet meer binnen. Geen wonder dat ze worden vergeten.’

Guilluy werd de laatste jaren verschillende keren uitgenodigd voor lange gesprekken met Macron. ‘Het is een sympathieke gast, hij geeft je het gevoel dat hij het helemaal heeft begrepen als je met hem praat, maar hij doet er uiteindelijk weinig mee.’

Cinque Terre aan de Italiaanse westkust

Parijs is onbetwist een andere wereld dan alles erbuiten. De huizen van marmer en gezandstraalde kathedralen blinken fel in de zon. Op de lege kades van de Seine keuvelen goed geklede Fransen zoals ze dat al honderden jaren doen. Vanaf het dak van de Notre-Dame hoor je de hamers van timmermannen en bouwvakkers. Slechts een enkele tekenaar waagt zich op de pleinen. De stad ruikt als altijd naar pis, uitlaatgassen, parfum en soms een lekker luchtje uit een restaurant dat sinds kort weer open mag zijn.

Op de Montmartre zitten de terrassen ’s avonds alweer vol, maar de Champs-Élysées blijkt uitgestorven wanneer we daar Jean Pisani-Ferry ontmoeten. De adviseur van Emmanuel Macron ontvangt ons bij jus d’oranges van 8,50 euro. ‘Frankrijk is kwetsbaar’, vertelt de economieprofessor van Sciences Po. Hij was de voorzitter van de commissie die de plannen en ideeën doorrekende voor Macrons succesvolle verkiezingscampagne. ‘De klap die we door corona hebben gekregen heeft industrieën geraakt die cruciaal voor ons zijn, zoals vliegtuigbouwers en onze auto-industrie. Onze fabrikanten waren al kleiner en marginaler dan andere autobedrijven. Iedereen weet hoe goed Tesla en Toyota het doen, de Duitse fabrikanten hangen daar misschien wat achter, maar wij zitten in de staart. Renault bungelt onderaan en dat is indicatief voor de staat van onze industrie.’

Pisani-Ferry is ongerust en ziet de grote verschillen tussen noord en zuid. Zijn land zal rekening moeten houden met ‘dubbele cijfers’, als het gaat om een terugval in groei, zo rond de dertien procent. Net als Spanje en Italië. ‘Onze fiscale ruimte is veel kleiner, zeker nu onze koopkracht terugvalt. Mensen zullen armer worden en de situatie op de arbeidsmarkt wordt verschrikkelijk.’

Hij put hoop uit de draai van Duitsland. ‘Ik was ongelooflijk verrast. Er waren twee taboes: gezamenlijke schulden en transfers. En toen kwamen Merkel en Macron met een gezamenlijk statement. Merk op dat zij het was die het bedrag vijfhonderd miljard noemde en niet Macron!’ Pisani-Ferry grinnikt. ‘Ik ben gewend om Frans-Duitse statements te lezen en normaal kan ik precies aanwijzen: deze zin is Frans en deze is Duits. Doorgaans is het een lappendeken van tegenstrijdigheden, maar deze keer was het echt iets anders. Merkel heeft haar perspectief veranderd, zich aan de geopolitieke realiteit aangepast.’

Europa staat er deze keer echt alleen voor en dat is een groot verschil met de vorige crisis, zegt de econoom die er een boek over schreef. ‘Obama steunde de euro “onvoorwaardelijk” en er kwam een G20-top die volledig aan de eurocrisis was gewijd. De Chinezen kochten Europese obligaties om te helpen. We hadden overal vrienden, die zijn nu weg. Ik geloof dat iedereen dat nu wel inziet.’

Dat is niet onbelangrijk, een grotere crisis dan corona is in aantocht. ‘Burgers en politici zijn geschokt door het besef dat rampen kunnen plaatsvinden. Deze pandemie neemt de vorm aan van klimaatverandering on high speed. Onze kwetsbaarheid is blootgelegd, het idee dat we alles kunnen beheersen wankelt. Mensen beseffen: als dit kan gebeuren, dan kan een klimaatramp ook.’

In Levanto in West-Italië eindigt de industrie en begint het toerisme

Watervallen storten langs de berghellingen naar beneden in het sterfbed van Mer De Glace. De grootste gletsjer van de Mont Blanc kwijnt weg en honderden toeristen kijken er elke dag naar. In een rood gelakt treintje staan ze in amper twintig minuten boven op het observatiedek. Ze zitten op houten bankjes, kauwen op brood en kijken naar de puinhoop. De piek van de gletsjer trekt zich millimeter voor millimeter terug. De toeristen zwijgen alsof ze al herdenken. De jongere kinderen kunnen hun kleinkinderen vertellen: ik zag de koning van de Alpengletsjers toen hij nog bestond.

‘Vroeger bogen mensen voor Italië. We hadden geweldige luxemerken die iedereen wilde hebben. Tegenwoordig is alles Chinees’

In februari stapte iemand anders in de rode trein, een man die zichzelf de redder van de Mont Blanc noemde. Kort voordat de Covid-19-crisis Frankrijk verlamde, beloofde president Emmanuel Macron de crisis aan te pakken die Europa langzamer zal treffen dan de pandemie, maar die gevaarlijker en groter is. Onderzoekers verwachten dat ons klimaat tegen 2050 merkbaar zal veranderen. Droogtes en overstromingen zullen dan normaal zijn. ‘2020 wordt een cruciaal jaar voor klimaatbescherming’, kondigde hij aan. Macron kwam naar de periferie van Frankrijk om foto’s te laten maken: hij zou persoonlijk instaan voor het welzijn van het dak van Europa. Foto’s die hem in de winterjas voor de ijsmassa afbeelden haalden wereldwijd de kranten. ‘Voor het einde van het jaar moet de Mont Blanc een natuurreservaat worden’, zei hij. Maar tot dusver is er geen alomvattende milieubescherming op de Mont Blanc, omdat de lokale autoriteiten niet met elkaar samenwerken, ook niet met de nationale regeringen.

‘Natuurlijk hadden we hoop toen we hoorden dat de president zou komen’, zegt Barbara Ehringhaus. Ze zit in een café met uitzicht op de Mont Blanc en twee van zijn smeltende gletsjers. De sportieve 82-jarige met witte haren en een doordringende blik tekent lijnen met haar vingers over een enorme reliëfkaart van de bergen: hier loopt een nieuwe skilift en de treinverbinding zal daar worden uitgebreid. ‘Op dit moment is er een nieuwe hut voor toeristen, maar in plaats van de oude af te breken, zoals afgesproken, blijven ze staan voor het geval er brand zou uitbreken’, zegt Ehringhaus, waarna ze sarcastisch opmerkt: ‘Dat gebeurt natuurlijk heel vaak hier… afbrandende hutten op de Mont Blanc.’

Op de achtergrond klinkt af en toe een helikopter. Rijken uit Genève laten zich graag hoog op de berg afzetten bij exclusieve restaurants, terwijl avontuurlijke skiërs vanaf specifieke bergtoppen naar beneden willen scheren. Ver beneden, in het dal, passeren auto’s. Voor de donkere tunnel naar Italië vormt zich een lange file die op vijftienhonderd te horen én te ruiken is.

Ehringhaus is een goed bereisde alpinist, ze beklom op 64-jarige leeftijd voor het eerst de Mont Blanc. Als voorzitter van de Pro Mont-Blanc-organisatie strijdt ze voor erkenning van de hoogste berg in de EU als Unesco-werelderfgoed. Zodat privévliegtuigen er niet meer overheen mogen vliegen en het er niet meer naar benzine ruikt. Het probleem nu is dat de landsgrenzen rondom de berg slecht zijn gedefinieerd, de Mont Blanc ligt op het drielandenpunt tussen Frankrijk, Italië en Zwitserland. Italië claimt de top, maar op Franse kaarten behoort die tot Frankrijk. Het gebied was tot 1814 Frans, toen Napoleon voor het eerst in ballingschap verbleef en een deel van de bergen naar Sardinië ging. Nu de berg van iedereen is, blijft het onduidelijk wie hem moet beschermen. De drie landen slagen er niet in. ‘We hebben eigenlijk een nieuwe Napoleon nodig’, grapt een van de collega’s van Ehringhaus. ‘Macron zou dat wel willen, maar dat is hij niet.’

Rome. Italië betaalt hoge rentes op historische schulden

Als Duitsland het hoofd is en Frankrijk het hart, moet Italië de buik zijn. De route naar de hoofdstad Rome loopt onder de Alpen door, door donkere tunnels en over goede wegen in het noorden, langs de industriële havenstad Genua. We passeren kilometers aan opgestapelde Chinese en Amerikaanse containers, het laatste streepje Italiaanse industrie. Daarna volgen bijna alleen nog velden en toeristische badplaatsen. Het land is de Europese verliezer van de globalisering. Wat in Frankrijk een uitdaging is, is hier een crisis.

Begin jaren negentig was de economie nog zo groot als die van het Verenigd Koninkrijk. Tegenwoordig is ze een kwart kleiner, nog steeds niet hersteld naar het niveau van voor de crisis van 2008. Het landschap is doorspekt met oranje daken, gele huizen en ranke cipressen.

In een leeg Rome – op het Sint-Pietersplein lopen slechts twee nonnen – ontmoeten we Giovanni Orsina, een vooraanstaand historicus die doceert over Italiaanse politiek in Rome, Oxford, Parijs en Pisa. ‘In Noord-Italië en in veel Noord-Europese landen gaat het argument als volgt: het ligt aan de Italianen zelf, die geven te veel geld uit, die hebben te veel schulden. Maar de overheid steekt minder geld in de economie dan het verdient aan belastingen.’ De rest is Italië kwijt aan het afbetalen van hoge rentes op historische schulden. ‘We genieten niet van dat geld, we zijn nog aan het afbetalen’, zegt Orsina.

Daarom vraagt het land Europese solidariteit. ‘Italië zal in het reine moeten komen met een rol in de periferie van Duitsland’, zegt Orsina. ‘Tegelijkertijd moet Duitsland inzien dat Europa na Covid een wereld zal zijn van meta-regio’s, en dat het zelf de leider van deze nieuwe hegemonie moet zijn.’ Met die verantwoordelijkheid komen kopzorgen over een gezamenlijke Europese buitenlandpolitiek, een leger – wellicht via de Fransen – en over financiële herverdeling. ‘Als je domineert, moet je betalen. De Amerikanen hebben dit altijd ingezien, maar de Duitse politieke elite blijft hiermee worstelen.’

De koers is duidelijk, maar hoe leg je Italianen uit dat ze in een randgemeente van Duitsland wonen? De traditionele partijen zijn hier al in het begin van de jaren negentig verdwenen, met Berlusconi hadden ze een macho-miljardair als staatshoofd lang voor er sprake was van de politicus Trump. Italië is op die manier een laboratorium dat vaak voorloopt op westerse politieke trends. In 2018 vormde de extreem-rechtse Lega-partij van Matteo Salvini een regering met de nihilistische en anti-Europese Vijfsterrenbeweging. Orsina noemt het ‘de verkiezingen van de woede’. Door corona ging de kwaadheid tijdelijk ondergronds. ‘Maar daar borrelt ze nog altijd.’

Dat kan opnieuw overkoken als het geld dat Merkel en Macron hebben beloofd niet snel komt. Iets waar Mark Rutte geen rekening mee lijkt te houden. Volgens de premier is ‘enorme haast niet nodig’. En zelfs als er deze zomer snel een akkoord komt over de steunpakketten, komt het leeuwendeel van de geldtransfers door trage Brusselse bureaucratie waarschijnlijk pas aan in 2023. ‘Anti-Europeanen zullen profiteren als de coronasolidariteit jaren op zich laat wachten’, waarschuwt Orsina. ‘De kranten en televisiezenders verspreiden nu de belofte dat er 172 miljard euro naar Italië zal stromen en dat alles snel goedkomt. Maar als in september de economie weer opengaat, zal er meteen een boost nodig zijn om bedrijven van het faillissement te behoeden’, zegt hij. ‘Als dit fout gaat kan de stemming van “Europa helpt ons” kantelen naar “Europa heeft weer een belofte verbroken”.’

Op de terugweg passeren we Pisa. De toeristische trekpleister met de scheve toren is nu haast verlaten, maar in de armoedige buitenwijken ging het al slecht. In Centro Edilizia Popolare hebben bewoners de traditionele macht de rug toegekeerd. Het verschil met Duitsland kan niet groter zijn, maar ook deze plaatsen bepalen de toekomst van Europa. De wijk is opgebouwd uit stenen sociale woningblokken, waslijnen en satellietschotels op kleine balkons. In de kleine barretjes onder de flats wordt koffie en grappa geschonken. De meeste klanten zijn werkloos of met pensioen, ze slenteren door de straten of zitten alleen tot iemand bij ze komt zitten.

De meerderheid stemde er zeventig jaar lang op socialisten en communisten, maar twee jaar geleden won Salvini’s Lega-partij hier de verkiezingen. In de cafés begrijpen ze waarom. ‘Fascisten, communisten, socialisten… iedereen is welkom hier, maar we hebben hier lange tijd geen politici gezien’, zegt Paolo staand achter de toog van zijn bar, waar blauwe voetbalvlaggen, slingers en een reeks trofeeën de muren sieren. In de hoek verspelen mannen hun geld bij gokautomaten. Paolo draagt een bril met goudkleurig montuur en blauwe glazen, zijn grijze krullen zijn zorgvuldig naar achteren gekamd met olie.

Salvini’s Lega-partij wist dat ze hier moesten zijn. Zijn regionale kandidaten kwamen langs, spraken met mensen en veroverden een voor een de cafés. Soms zetten ze de tafels vol met eten en gaven ze een rondje. ‘Vroeger deden alleen communisten dat’, zegt Paolo. ‘Ze verdwenen weer zodra ze de stemmen hadden. Ze hebben onlangs alleen nog de stoep vernieuwd omdat er regionale verkiezingen aankomen in september.’

Ze hebben ons denken niet veranderd, zegt Paolo, maar ze brachten het enthousiasme terug. Dat is nu, twee jaar later, verdampt. De nieuwe stoep zal daar weinig aan veranderen. Nicolas, een lange man van middelbare leeftijd, staat tussen zijn rokende en drinkende vrienden voor de Bimbo Bar. ‘Mijn vader stemde altijd voor de communisten, en toen ik voor het eerst mocht stemmen heeft hij me urenlang ondervraagd om te horen of ik de juiste partij had gekozen’, zegt hij. Maar Nicolas stemt niet meer, net als de rest van de cafégangers. ‘Het is al twintig jaar ellendig en er is niets veranderd. Het is niet eens zo dat we geen geld op zak hebben, maar als ik alleen tomaten kan plukken voor drie euro per uur, werk ik liever helemaal niet.’ Paola naast hem rookt de een na de ander. Ze draagt een jurk en heeft witte nepnagels. Er ligt een blinkende roze tas op haar schoot. ‘Vroeger bogen mensen voor Italië’, zegt ze. ‘We hadden geweldige luxemerken die iedereen wilde hebben. Tegenwoordig is alles Chinees.’


Dit verhaal maakt deel uit van een internationaal journalistiek project over Europa in de zomer van 2020. Het project werd ondersteund door het journalistieke fonds Stars4Media