Onze man in berlijn

Op 18 maart 1933 vernamen de lezers van De Groene dat de ‘medewerker voor Duitse letteren’ tijdelijk geen bijdragen zou leveren, omdat de pas aan de macht gekomen nazi’s zijn bibliotheek in beslag hadden genomen. De man in kwestie, de in Berlijn wonende Nico Rost, zou worden vervangen door mr. L.N. Elhorst. De stukken die deze jurist schreef leken echter sprekend op die van Rost, en aangezien de nieuwe medewerker bij elk artikel andere voorletters had, kan er geen twijfel over bestaan dat Rost gewoon doorging met het voorlichten van de Groene-lezers over het Duitse literaire leven. Echt effectief was deze vorm van ‘ondergronds’ gaan niet, want kort daarop werd Rost gearresteerd en verbleef hij drie weken in concentratiekamp Oranienburg, waarmee hij vermoedelijk de eerste Nederlander was die kennismaakte met een dergelijke instelling.

Nico Rost was in 1896 te Groningen geboren in een welgesteld gezin. Vol vage idealen en literaire ambities was hij in 1922 naar Berlijn getrokken, de stad waar ‘het’ allemaal leek te gebeuren. Aanvankelijk mocht Rost vanachter zijn tafeltje in het Romanische Café slechts kijken naar de leden der artistieke avant-garde, maar geleidelijk wist hij zich in te werken in het literaire milieu. Omdat hij bovendien de eigentijdse literatuur heel goed volgde, kon hij de Nederlandse lezers doen kennismaken met schrijvers als Egon Erwin Kisch, Franz Kafka, Robert Musil, Gottfried Benn, Bertold Brecht en Alfred Döblin. Tevens maakte hij reizen naar Moskou en Praag en verbleef hij enige tijd op de Ascona, waar hij bevriend raakte met de toenmalige cult-dichteres Else Lasker-Schüler. Rost werd een soort Eckermann op uitzendbasis, die zijn artikelen lardeerde met hetgeen schrijvers hem tijdens drankovergoten gesprekken hadden toevertrouwd.
Hoewel hij het absolute tegendeel van een theoreticus was, raakten de politieke denkbeelden van Rost steeds meer omlijnd. Zijn voorkeur ging uit naar een literatuur die in dienst van het socialisme stond. Dit bracht hem in conflict met Gottfried Benn, die niets moest hebben van de 'hygiënische wensdromen van kortbenige rationalisten’. Maar met een schrijfmachine alleen was de catastrofe niet te keren, zodat Rost besloot politiek actief te worden. Als zovelen in die tijd dacht hij dat de duivel Hitler alleen kon worden uitgedreven door het communisme, niet beseffende dat Stalin slechts het pseudoniem van Beëlzebub was.
De onvermijdelijke politieke scholing viel hem beslist niet mee. Na enkele lessen op de Marxistische Arbeiterschule werd hij overvallen door 'een verlammend gevoel, alsof ik nooit meer een woord zou kunnen of mogen schrijven’. Intuïtief moet hij begrepen hebben wat de bedoeling was, want Rost zou de komende decennia volstrekt conform de 'partijlijn’ schrijven. Zijn literaire ambities raakten steeds verder op de achtergrond en vooral na zijn gedwongen vertrek uit Duitsland, in 1933, ontpopte hij zich als een ordinaire propagandist van de Komintern, die zich moeiteloos aanpaste aan het lage niveau van de toenmalige polemiek. Berucht is vooral de brochure die hij tegen zijn voormalige vriend Jef Last schreef.
Rost was typisch de schrijver van één boek. Dat boek, Goethe in Dachau, maakte in 1948 veel indruk en was vooral in het Oostblok enige tijd een bestseller. Een boek overigens dat het dubieuze handelen van Rost in het begin van de bezettingstijd grotendeels aan het oog onttrok.
Het was dit boek dat Hans Olink ertoe aanzette zich in het leven van Rost te verdiepen. Hij werd gefascineerd door de wijze waarop Rost door middel van de literatuur de hel van Dachau trachtte te overleven. In literair opzicht mag het boek dan niet echt opmerkelijk zijn en de opinies van Rost mogen dan de clichés en toenmalige modes vaak niet overstijgen, Goethe in Dachau is wel een oprecht boek, met soms aangrijpende passages. Wat de lezer bijblijft zijn de vriendschappen die de communist Rost aanknoopte met tal van 'andersdenkenden’, bijvoorbeeld met de 'rechtse’ sociaal-democraat Wiardi Beckman en met de liberaal Telders. Rost had een groot talent voor het maken van vrienden. En naast een zekere aanleg voor de journalistiek was dat ook zijn enige echte talent.
Rost was al met al een uitgesproken tragische figuur. Zijn prestaties als literator en intellectueel bleven mijlenver achter bij zijn pretenties en het ideaal dat hij nastreefde bleek in hoge mate vals. De naoorlogse euforie was van korte duur. Het paradijselijke verblijf in de Duitse Arbeiter- und Bauernstaat moest voortijdig worden afgebroken en Stalin bleek toch niet de 'architect van het geluk’ te zijn. Vanaf het einde van de jaren vijftig was Rost typisch zo'n heimatlose Linke die door partijcommunisten werd uitgekotst en door 'rechts’ genegeerd.
De tijd en de kringen waarin Rost verkeerde zijn zeer interessant en bieden vrijwel altijd boeiende lectuur. Vandaar dat het boek van Olink welkom is. Rost mag dan niet veel meer dan een figurant zijn geweest, het stuk waarin hij speelde is belangrijk genoeg. Als sfeertekening van het linkse milieu waarin Rost leefde is het boek van Olink zeker geslaagd te noemen, en ook de persoon van Rost met al zijn irritante en dubbelzinnige kanten komt heel duidelijk naar voren.
Helaas vertoont het boek ook zwakke plekken. Om te beginnen is de compositie enigszins merkwaardig; de schrijver werkt vaak van achteren naar voren. Vermoedelijk heeft dit te maken met de pogingen van Olink om een verslag van een zoektocht te schrijven. Regelmatig last hij namelijk passages in waarin hij op bezoek is bij instellingen of mensen die Rost gekend hebben. De zin hiervan is niet helemaal duidelijk, want voor de rest leest het boek als een vrij traditionele biografie. Bij een echte zoektocht horen meer vragen, meer twijfels, dient de schrijver zelf meer op de voorgrond te treden. Dit boek hinkt op twee gedachten en dat is jammer.
De kennis die Olink, die eerder een boek schreef over Nederlanders die in de jaren twintig naar de Sovjetunie trokken, heeft over het linkse wereldje in het interbellum is vrij groot. Alleen zit hij er nogal eens naast als hij over anarchisten schrijft. Zo laat hij de Catalaanse anarchist Durruti nog zijn colonne aanvoeren nadat hij reeds gesneuveld was, en krijgt men de indruk dat het Nationaal Arbeids Secretariaat in de jaren twintig nog gedomineerd werd door anarchisten, waartoe ook Henriëtte Roland Holst en Henk Sneevliet schenen te behoren. Misschien is het een idee voor een volgend boek om eens aandacht te besteden aan dit wereldje.