Voor Hemingway was Cuba een feest

Onze man in Havana

Vijftig jaar na zijn dood is Ernest Hemingway nog steeds de meest geliefde Amerikaan op Cuba. ‘El Nobel’ wordt door diehard-Amerikanen echter nog steeds als landverrader gezien. De FBI volgde hem overal.

SAN FRANCISCO DE PAULA - In de badkamer van de Finca Vigía staat een oude weegschaal. Ernest Hemingway was een man met veel obsessies en zijn overgewicht was er een van. Zijn grenzeloze vreet- en vooral zuippartijen bleven niet zonder gevolgen. In de badkamer noteerde hij vrijwel dagelijks met potlood op de muur hoeveel hij woog.

In 1955, een half jaar nadat hem de Nobelprijs was toegekend, was hij de dikkerd die we van zo veel foto’s kennen: ‘14 april 240 pond.’ In 1959 was het hard naar beneden gegaan, '18 maart 204 pond’. Die lijn zette zich door tot de laatste dag voor zijn vertrek uit Cuba, waar hij niet meer zou terugkeren: '20 juli 1960 190 pond.’ Ook grote schrijvers hebben aardse obsessies, maar Hemingway’s afslanken was een veeg teken.

De Finca Vigía is een buitenhuis aan de rand van het dorp San Francisco de Paula, een klein half uurtje rijden van de Cubaanse hoofdstad Havana. Hier, op een heuvel met glorieus uitzicht over de stad en de Caribische Zee, woonde Ernest Hemingway in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw. Het is de plaats waar hij onder meer The Old Man and the Sea schreef.

Het huis is een samenballing van alles waar Hemingway voor stond: kamers volgestouwd met boeken, de muren behangen met jachttrofeeën, hertenkoppen, geweien en schilderijen van stierenvechten. Een tafeltje vol flessen tussen twee leunstoelen doet dienst als bar. In zijn werkkamer de schrijfmachine waarop hij staand schreef. Op het bureau een handvol patroonhulzen. Alles ligt nog net zo op zijn plaats als toen hij er voor de laatste keer was, zodat je de indruk krijgt dat de schrijver even naar de kroeg is en zo terugkomt.
Ernest Hemingway was meer dan een beroemd schrijver, hij was een vedette, een superster, te vergelijken met popsterren van vandaag de dag. 'Hij creëerde een legende die zijn leven meer bekendheid gaf dan zijn werken’, schreef zijn biograaf Jeffrey Meyers. 'En in die zin was hij te vergelijken met collega’s als Scott Fitzgerald en Ezra Pound.’

De Finca Vigía werd dan ook platgelopen door de crème de la crème van de literatuur, de kunst, de film en de sport. Sterren als Spencer Tracy, Katherine Hepburn, Gary Cooper en Ava Gardner hadden er wilde avonden. Graham Greene en Jean-Paul Sartre maakten er hun opwachting, al behoorde de laatste bepaald niet tot de aanbidders van Hemingway. Natuurlijk ontbraken de grote toreros Luis Miguel Dominguín en Antonio Ordóñez niet, evenmin als de bokser Rocky Marciano. In het vervallen zwembad achter in de tuin placht Ava Gardner naakt te zwemmen. En dan nodigde Hemingway zijn dronken makkers uit hun schoenen uit te trekken en hun voeten te dompelen in het water dat zojuist Ava had omarmd.

Met Hemingway in de Finca Vigía was Cuba dag en nacht feest, zou je kunnen zeggen, variërend op de titel van zijn laatste boek, A Moveable Feast, dat drie jaar na zijn dood verscheen.
Cuba was Hemingway’s tweede vaderland sinds 1932, toen hij zich semi-permanent in Havana vestigde, op de vlucht voor de Prohibition in de Verenigde Staten en aangetrokken door het mannelijke avontuur van het zeevissen. In de jaren vijftig was hij, volgens biograaf Meyers, 'de beroemdste man van Cuba’. Zelf ging hij nog een stapje verder en zag hij zich als de beroemdste Cubaan.

'De eerste Cubaanse Nobelprijs’, zei Hemingway toen hij in 1954 het nieuws hoorde. Hij ging zijn prijs niet ophalen in Stockholm en verscheen alleen op de vervangende plechtigheid in Havana. Hemingway schonk zijn gouden Nobel-medaille aan het heiligdom van de nationale beschermheilige, La Virgen de Cobre, met de woorden: 'Deze prijs behoort Cuba toe, omdat mijn werken zijn ontstaan op Cuba, tussen de inwoners van Cojimar, mijn dorp.’

Havana is nog altijd een pelgrimsoord voor de Hemingway-adepten. Hoewel het ook in Spanje of in Parijs moeilijk is een bar of een hotel te vinden zonder het bordje Hemingway was here, spant Havana de kroon. De bar Floridita in het oude centrum drijft nog steeds op de naam Hemingway. Hier dronk de schrijver zijn daiquiri’s, bereid door barman Constante, ook al zou hij als een man die overal verstand van had de cocktail mede hebben uitgevonden (geen suiker vanwege zijn diabetes, maar extra rum).

De Floridita is nu een plek waar de buitenlandse toeristen een poot wordt uitgedraaid. Aan de bar zit een borstbeeld van Papa Hemingway, die zo voor eeuwig blijft hangen in zijn favoriete kroeg. Het beeld is nog tijdens zijn leven gemaakt door Fernando Boada, en heel wat keren zat de levende editie op de kruk ernaast zich vol te laten lopen. Om vervolgens te verkassen naar La Bodequita del Medio, een paar straten verder, waar hij zijn mojito’s achteroversloeg. Precies halverwege de twee stamkroegen staat het hotel Ambos Mundos, helemaal volgehangen met foto’s van 'El Nobel’, die vijftig jaar na zijn dood nog steeds de meest geliefde Amerikaan op Cuba is. In de anti-Amerikaanse propaganda van de laatste halve eeuw is de schrijver altijd buiten schot gebleven. Ambos Mundos was Hemingway’s eerste vaste stek in Cuba. In kamer 511 begon hij aan de definitieve versie van For Whom the Bell Tolls. Slapen kun je niet in de kamer, die is gereserveerd voor de cultus van de Hemingway-adepten.

Het hotel is grondig gerenoveerd, net als veel gebouwen in dit deel van Havana Vieja, dat scherp contrasteert met het totale verval van de rest van de stad. De oude barpianist, die eruitziet of hij de schrijver nog persoonlijk heeft gekend, speelt ook overdag vele uren achtereen. Wanneer ik op een ochtend hier koffie zit te drinken, voegt de toiletjuffrouw, een middelbare dame, zich bij hem en zingt een hele reeks melancholische oude liedjes met hem. Aan het slot hebben beiden tranen in hun ogen.

EERDER DEZE zomer vond in Hotel Ambos Mundos een symposium van Hemingway-kenners plaats. Onder de deelnemers was Sandra Spanier, een hoogleraar van de Universiteit van Pennsylvania, die bekendmaakte dat in oktober het eerste deel van de brieven van Hemingway gepubliceerd zal worden. Zij maakt deel uit van een groep specialisten die negen jaar gewerkt heeft aan het verzamelen van zo'n zesduizend brieven van Hemingway die verspreid liggen over de hele wereld. Die worden nu samengebracht in achttien delen die successievelijk zullen worden gepubliceerd. Het eerste deel van deze tot dusver niet gepubliceerde correspondentie omvat de periode 1907-1922. In de brieven vertelt Hemingway onder meer over zijn ervaringen tijdens de Eerste Wereldoorlog, waarin hij gewond raakte en in een ziekenhuis in Milaan belandde, en zijn eerste reis naar Frankrijk waar hij veel beroemde intellectuelen en kunstenaars leerde kennen.

De Finca Vigía, die kort na de dood van de schrijver door zijn weduwe aan de Cubaanse staat werd geschonken, is een goudmijn voor de Hemingway-onderzoekers. Een deel van de brieven ligt hier, samen met duizenden andere documenten, waaronder het manuscript van de epiloog van For Whom the Bell Tolls, drieduizend foto’s, negenduizend boeken en tijdschriften, allemaal vol aantekeningen in de marge van de schrijver. En een scenario van de film The Old Man and the Sea, vol kritische kanttekeningen en herschreven dialogen.
Officieel is er geen enkele samenwerking tussen Cuba en de VS, al weet iedereen dat het embargo aan alle kanten wordt omzeild. Veel Amerikaanse specialisten moesten verstek laten gaan op het symposium omdat ze niet op tijd een visum van hun eigen regering kregen. Amerikanen hebben vanwege het embargo nog altijd toestemming nodig om naar Cuba te reizen. Dat is, onvoorstelbaar bijna, al een halve eeuw zo: Ernest Hemingway leefde nog toen Washington Fidel Castro in de ban deed.

Twee jaar geleden is er niettemin een groot project gestart om de volledige Hemingway-nalatenschap in de Finca Figía te digitaliseren, in nauwe samenwerking met een aantal Amerikaanse instituten. De eerste drieduizend documenten zijn al ter beschikking gesteld aan Amerikaanse onderzoekers. Nu heeft op haar beurt de John F. Kennedy-bibliotheek in Boston aangekondigd digitale kopieën van alle Hemingway-documenten naar Cuba te sturen. Dat is een enorme collectie: negentig procent bestaat uit manuscripten en brieven, 2500 brieven die hij schreef en 7500 brieven die hij ontving, tienduizend foto’s, en drukproeven van zijn romans.

De schrijver is aldus vijftig jaar na zijn dood nog steeds een van de weinige bruggen tussen de twee werelden die slechts ninety miles uit elkaar liggen maar zich voorgenomen hebben tot in de eeuwigheid gescheiden te blijven. In de ogen van veel diehards aan de Amerikaanse kant van de muur van Caribisch water blijft Hemingway als extreem cubanofiel een halve landverrader. De oorsprong van dat idee ligt in het begin van de jaren veertig, toen Ernest Hemingway nazi’s ging jagen op Cuba. Eerst zette hij een soort amateuristisch spionagenetwerk op, bestaande uit een groep randfiguren die de bars van Havana afstroopten op zoek naar de '25.000 gewelddadige Spaanse falangisten’ die op het eiland zouden rondlopen. Dat de schrijver zelf die bezigheid als een halve grap opvatte blijkt wel uit de naam die hij het netwerk gaf: de Crook Factory.

Later in 1942 ging hij met zijn jacht Pilar op zoek naar Duitse onderzeeërs voor de kust van Cuba. De Amerikaanse ambassadeur Spruille Braden, met wie hij zijn liefde voor drank en sport deelde, overhandigde Hemingway maandelijks duizend dollar en 123 gallons benzine voor zijn speurtocht naar de 'duizend nazi-onderzeeërs die van Cuba een speerpunt wilden maken voor een aanval op de Verenigde Staten’. In werkelijkheid bleef hij natuurlijk gewoon jacht maken op zwaardvissen. Een FBI-agent op het eiland rapporteerde over 'een infantiele onderneming van een stel bedriegers’.

Het is waar dat de spionageactiviteiten van Hemingway veel weg hadden van die van Jim Wormold, de stofzuigerverkoper uit Our Man in Havana (1958) van Graham Greene, die verzinsels als militaire topgeheimen verkoopt aan de Britse geheime dienst. 'We moeten onze man in Havana hebben, weet je’, schrijft Greene. 'Onderzeeërs hebben brandstof nodig. Dictators zoeken elkaar op. De grote trekken de kleintjes aan.’ Duikbootjager Hemingway lijkt zo weggelopen uit de roman waarin Greene de spot drijft met de Britse geheime dienst. De Amerikaanse schrijver maakte zich op zijn beurt voortdurend vrolijk over de activiteiten van de FBI-agenten in Cuba, die hem behoorlijk serieus namen en hem als een soort concurrent-spion zagen.

De FBI begon een omvangrijk dossier van Hemingway aan te leggen, want net als iedereen met wie de FBI het moeilijk had werd hij ervan verdacht een communist te zijn. Dat idee was gebaseerd op zijn verblijf in Spanje tijdens de Burgeroorlog, waar hij uitgesproken partij koos voor de Republiek en tegen de falangistische opstandelingen van generaal Franco. Maar aan de communisten had hij net zo'n hekel als aan de katholieke kerk. 'To hell with the church when it becomes a state, and to hell with the state when it becomes a church’, zei hij al in 1932 tegen collega-schrijver John Dos Passos. 'I can’t be a communist because I hate tyranny and, I suppose, government.’

De almachtige FBI-baas J. Edgar Hoover, die zelf zo'n duister leven leidde, ging achter hem aan zoals hij en zijn dienst achter elke Amerikaanse politicus, intellectueel en kunstenaar aan ging. Hoover liet ook van Hemingway belastende dossiers samenstellen, maar durfde hem uiteindelijk niet aan te pakken, want de schrijver was inmiddels een superster en een nationaal instituut. Ook communistenjager senator Joseph McCarthy brandde zijn vingers niet aan hem. In mei 1954, op het hoogtepunt van de communistenjacht, zei Hemingway in een interview: 'Er is niets mis met senator Joseph McCarthy van Wisconsin dat niet te genezen is met een .577.’ De schrijver bezat zo'n olifantengeweer, ook wel T-Rex-geweer genoemd, en had er op zijn safari’s een leeuw, een neushoorn en een buffel mee gedood.

Hemingway uitte zijn misprijzen over McCarthy op een moment dat nagenoeg niemand in de Verenigde Staten meer zijn mond durfde open te doen. Zijn reactie paste natuurlijk uitstekend bij het braniekarakter van de Nobelprijswinnaar: als je een waterbuffel te lijf gaat met een simpel jachtgeweer, laat je je door een politieke freak als McCarthy niet van de wijs brengen.

Vijftien jaar later was dat uiteindelijk exact wat er gebeurde: hij liet zich wél van de wijs brengen door de FBI-agenten die hem tot aan zijn dood bleven volgen.

HERHAALDELIJK wordt beweerd dat Hemingway bevriend was met Fidel Castro, in het eerste jaar na de Cubaanse Revolutie. Maar de paar foto’s van de twee samen, die onder meer in de hal van het voormalige Hilton in Havana hangen, laten iets anders zien: Castro had weinig op met de dronkenlap en branieschopper Hemingway. In mei 1960 won Fidel een viswedstrijd en Hemingway mocht hem de prijs uitreiken. Hij was wel positief over de Cubaanse Revolutie. 'Dit is een goede revolutie’, zei hij tegen de Amerikaanse toneelcriticus Kenneth Tynan, die hem halverwege 1959 in Havana opzocht. 'An honest revolution.’
Hij vergeleek de revolutie met de Spaanse republiek, al tekende hij aan dat je natuurlijk nooit weet hoe het verder gaat. Zeker is dat de Finca Vigía een van de weinige Amerikaanse eigendommen was die een jaar later niet werden onteigend door het nieuwe bewind.
In november 1959, toen Castro tien maanden aan de macht was, stond Hemingway de pers te woord toen hij uit Spanje terugkeerde in Cuba. Ene J.L. Topping, lid van de Amerikaanse ambassade in Havana, gaf een vernietigende samenvatting door aan het State Department die het beeld van Hemingway als een landverrader verstevigde: '1. Hij steunde het Castro-bewind en al zijn daden volledig en meende dat dit het beste was dat Cuba ooit was overkomen. 2. Hij had geen enkele informatie die in het buitenland gepubliceerd was tegen Cuba, geloofd. Hij sympathiseerde met de Cubaanse regering en al ónze moeilijkheden. 3. Hemingway benadrukte het woord ónze, en werd daarnaar gevraagd. Hij zei dat hij hoopte dat de Cubanen hem niet zouden beschouwen als een Yanquí (zijn woord), maar als een van de Cubanen. Terwijl hij dat zei, kuste hij de Cubaanse vlag.’

Hemingway verliet Cuba op 21 juli 1960 voor de laatste keer. Een jaar eerder had hij een ranch gekocht in Ketchum, Idaho. Hij maakt nog een reis naar Spanje, maar keerde ziek en zwaar gedeprimeerd terug naar de Verenigde Staten. Twee keer werd hij opgenomen in een psychiatrische inrichting, waar hij dertien shocktherapiebehandelingen onderging, met als resultaat ernstig geheugenverlies.

In de vroege ochtend van 2 juli 1961 ging Ernest Hemingway naar de kelder van zijn huis in Ketchum, terwijl zijn vrouw Mary nog sliep. Hij haalde zijn exclusieve Engelse Boss-shotgun uit de wapenkast, deed de patronen erin, stak de loop in zijn mond en schoot zijn hersenen aan flarden.

Zijn vriend A.E. Hotchner, die veel van Hemingway’s romans en verhalen bewerkte voor film en televisie en twee boeken over hem schreef (Papa Hemingway en Hemingway and His World), vertelde in een terugblik op de laatste maanden van Hemingway, onlangs gepubliceerd in The New York Times, hoe hij net als vele anderen dacht dat de schrijver paranoïde was geworden: overal zag hij FBI-agenten, die hem volgden, afluisterden en microfoons tot in zijn auto verstopten. Het paste een beetje in het algemene beeld van de man die niet meer kon schrijven, lichamelijk een wrak was, en door en door depressief.

Maar de FBI-fixatie was geen paranoia. Zoals Hotchner schrijft: 'Decennia later, na een beroep op de vrijheid van informatie, maakte de FBI zijn Hemingway-dossier openbaar. Het onthulde dat vanaf de jaren veertig J. Edgar Hoover Hemingway liet bespioneren omdat hij verontrust was over diens activiteiten in Cuba. Jarenlang maakten agenten rapporten over hem en luisterden zijn telefoon af. De surveillance ging zelfs door tijdens zijn opname in St. Mary’s Hospital. Waarschijnlijk werd de telefoon vlak buiten zijn kamer inderdaad afgeluisterd. In de jaren sindsdien heb ik geprobeerd Ernests angst voor de FBI, die ik tot mijn spijt verkeerd beoordeelde, te rijmen met de werkelijkheid van het FBI-dossier. Nu geloof ik dat hij de surveillance echt in de gaten had en dat die wezenlijk bijdroeg aan zijn angst en zelfmoord.’

Hemingway is vijftig jaar later nog altijd immens populair op Cuba. Volgens de auteur Norberto Fuentes overtreft alleen José Martí, de nationale held, als schrijver Hemingway in het aantal hommages dat hij op het eiland ontvangt. Hemingway had ogenschijnlijk niet zo veel kaas gegeten van Martí, die hij constant 'generaal Martí’ noemde. Waarschijnlijk was dat Papa’s manier om de spot te drijven met zijn enige serieuze concurrent op Cuba. Want hoe vercubaanst hij ook was, Hemingway bleef natuurlijk wel Hemingway.