Het tekort van de mensenrechten

Onze morele lingua franca

Hoe is het mogelijk dat de mensenrechten zo populair konden worden ondanks het onaannemelijke mensbeeld dat eraan ten grondslag ligt? Misschien moeten we ze eens herzien.

Een van de misverstanden waarmee de meer idealistisch gestemde rechtenstudenten mij regelmatig confronteren, is de opvatting dat de taak van de Verenigde Naties erin bestaat om mensenrechten te bevorderen en schendingen ervan recht te zetten. De hoop van de mensheid op een goede toekomst zou vooral op de VN met hun mensenrechten zijn gevestigd. Wie de opvattingen uit de tijd van de totstandkoming van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens leest, nu zeventig jaar geleden, zou zowaar tot eenzelfde indruk komen. De Chileen Hernán Santa Cruz, een van de opstellers van die Verklaring, beschreef de sfeer toen ze in 1948 tijdens een Algemene Vergadering van de zojuist opgerichte Verenigde Naties – dan nog gehouden in het Parijse Palais de Chaillot – in stemming werd gebracht: ‘Ik ervoer duidelijk dat ik deelnam aan een waarlijk betekenisvolle historische gebeurtenis waarin consensus was bereikt over de hoogste waarde van de menselijke persoon, een waarde die haar oorsprong niet vond in de beslissing van een wereldlijke macht, maar in het feit van het (menselijk) bestaan – dat resulteerde in het onvervreemdbare recht om vrij van gebrek en van onderdrukking te leven en (het recht) om zijn persoonlijkheid volledig te ontwikkelen. In de grote hal hing een sfeer van oprechte solidariteit en broederschap tussen mannen en vrouwen van alle windstreken zoals ik die niet meer in welke internationale setting dan ook heb gezien.’

Er zijn de laatste jaren de nodige studies verschenen naar de vroege geschiedenis van de Universele Verklaring en van wat in diezelfde periode gebeurde: de oprichting en werkzaamheden van het Internationale Militaire Tribunaal te Neurenberg en de totstandkoming van het genocideverdrag. Al die studies laten ons idealistische individuen zien die zich inzetten voor een betere, rechtvaardiger wereld. Het opstellen (en aanvaarden) van de mensenrechtenverklaring zou dan ook een belangrijke morele doorbraak in de geschiedenis van de mensheid betekenen.

Wat die studies echter ook laten zien is dat de grote en minder grote staatsmachten van die tijd er tegelijk wel voor zorgden dat slechts een universele verklaring tot stand kwam en niet een bindend verdrag, zoals sommigen eerder hadden voorgesteld. Dat maakt dan ook deel uit van mijn antwoord aan genoemde studenten: realiseer je dat deze ‘verklaring’ tot stand kwam binnen het kader van een zojuist opgerichte Organisatie van Verenigde Naties en dat die organisatie er primair op gericht was om de belangen van de drie grote overwinnaars van de Tweede Wereldoorlog (Sovjet-Unie, Verenigde Staten en Verenigd Koninkrijk) veilig te stellen. Daartoe riepen zij een vernieuwde versie van de eerdere Volkenbond in het leven, waarin hun suprematie zou zijn vastgelegd. Voor internationale vrede en veiligheid zou een Veiligheidsraad verantwoordelijk zijn, waarin ten minste zij, deze drie staten, permanent zitting zouden hebben met een doorslaggevend stemrecht. En voor de vermaledijde minderhedenbepalingen van de Volkenbond kwamen rechten van de (individuele) mensen in de plaats.

Overigens wilden niet alleen deze grote staten niet dat er serieus aan de statelijke soevereiniteit zou worden getornd, de kleinere staten wilden dat evenmin. Sommige, waaronder Nederland, waren erop uit hun koloniale imperium in ere te herstellen. De Verenigde Naties zijn een club van staten, niet een medium om mensenrechten te promoten.

***

Terugblikkend moet je misschien zelfs zeggen dat de Universele Verklaring, ook al was het maar een ‘verklaring’ zonder juridisch gewicht, enkel werd aanvaard – zonder enige tegenstem in de Algemene Vergadering – omdat er een ‘window of opportunity’ bestond na de euforie van het einde van de Tweede Wereldoorlog en vóór de definitieve ‘uitbraak’ van de Koude Oorlog, waarin de staten het voor even met elkaar eens leken te zijn. Na die periode verdwenen de mensenrechten naar de achtergrond van de internationale politiek om pas weer prominent te voorschijn te komen in de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen ze deel gingen uitmaken van de buitenlandse politiek tijdens het Amerikaanse presidentschap van Carter en ze het vocabulaire werden van de dissidenten in Oost-Europa.

Zo werden mensenrechten een onderdeel van de ideologische strijd tussen het kapitalistische Westen en het communistische Oosten. Wat zijn nu de ‘echte’ mensenrechten: individuele rechten gericht tegen de staat of sociaal-economische rechten die alleen door een staat kunnen worden gerealiseerd? Met het einde van de Koude Oorlog en de afbraak van het IJzeren Gordijn in de vroege jaren negentig kwam aan deze tegenstelling een einde en leek de westerse visie op de mensenrechten een definitieve overwinning te hebben behaald. Het einde van de ideologische mensheidsgeschiedenis was bereikt.

Sinds die tijd fungeren de mensenrechten inderdaad als een soort morele lingua franca: alles wat als moreel wenselijk wordt beschouwd dient in het vocabulaire van de mensenrechten te worden geformuleerd, en het lijkt alsof er geen andere taal meer is om onrechtvaardigheden mee aan de kaak te stellen of morele eisen te formuleren. Volgens de historicus Samuel Moyn is daar een goede verklaring voor. De huidige dominantie van deze taal is het gevolg van het falen van de andere bestaande vormen van utopie, van met name het communisme al dan niet van existentialistische snit of met een menselijk gezicht, en het ontbreken van nieuwe utopische alternatieven.

Het geïsoleerde individu als het prototype van de mensen- rechtelijke mens is van meet af aan bekritiseerd

Het idealisme van de mensenrechten leek inderdaad de overhand te krijgen. Door een merkwaardige speling van het lot (of was het de voorzienigheid?) vonden er ongeveer tegelijkertijd twee belangrijke politieke gebeurtenissen plaats: de humanitaire interventie van de Navo – zonder duidelijk internationaal-rechtelijk mandaat – ten behoeve van Kosovo door middel van bombardementen op doelen in Servië, en de arrestatie in Londen van Pinochet, de oud-president van Chili. Beide gebeurtenissen konden worden opgevat – en werden opgevat! – als het doorbreken van het beginsel van de soevereiniteit van de staat ten gunste van mensenrechten.

De ‘internationale gemeenschap’ kan immers niet wegkijken wanneer een staat op grote schaal de mensenrechten van de eigen bevolking dreigt te schenden, en (oud-)staatshoofden mogen zich niet (langer) kunnen verschuilen achter staatsimmuniteit indien zij beschuldigd worden van systematische schendingen van het fundamentele recht om gevrijwaard te zijn van marteling. Daarmee kwam ook de weg vrij voor het oprichten van een internationaal strafrechtelijk gerechtshof dat zich boven de staten zou bevinden. Met een ruime aanvaarding van het zogeheten Statuut van Rome (maar met ontbreken van de instemming van belangrijke staten zoals de VS) ging in 2002 het International Criminal Court, gevestigd in Den Haag, van start.

***

Gaat het nu nog steeds goed met de mensenrechten? Vanuit het hedendaagse perspectief zijn we misschien geneigd vooral te wijzen op recente negatieve acties van de huidige Amerikaanse president, zoals het ostentatief weglopen uit de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties of het dreigen met de inzet van ‘alle mogelijke middelen’ indien dat ‘illegale’ Haagse internationale strafhof het zou wagen om Amerikaanse soldaten vanwege vermeende oorlogsmisdaden te vervolgen. Maar de rot had al eerder toegeslagen. Het steunen van mensenrechten is immers gemakkelijk, in de theorie, wanneer het een staat niets kost, maar wordt pas moeilijk, in de praktijk, wanneer mensenrechten iets gaan kosten; als ze een sta-in-de-weg vormen voor de staat om belangrijke informatie uit onwillige gevangenen te persen of om gevaarlijke individuen ofwel zonder vorm van proces op te sluiten dan wel uit te schakelen of om een zeer strikt (anti-)immigratiebeleid te voeren.

De deconfiture van de mensenrechten is echter niet enkel een zaak van de weerbarstige (internationale) politiek en van de herbevestiging van statelijke soevereiniteit, door Rick Lawson in De Groene Amsterdammer samengevat als de wegvallende politieke steun voor mensenrechten. Ze heeft ook te maken met de problematische fundering van die rechten. Het tekort van de mensenrechten reikt dieper dan enkel een gebrek aan politieke steun. De mensenrechten worden inmiddels door velen niet langer ervaren als een filosofisch aantrekkelijk idee. Misschien is die ontwikkeling betreurenswaardig – wat er eventueel voor mensenrechten in de plaats moet komen valt nog te bezien – maar ze is gezien de onderliggende redenen onvermijdelijk. Gegeven de populariteit van wat tegenwoordig identiteitspolitiek heet – het best nog te begrijpen als een zich afzetten tegen een universele benadering (van bijvoorbeeld de mensenrechten) en een verheerlijking van het particuliere (van bijvoorbeeld de natie) – is er grote behoefte aan een nieuwe utopische energie.

Er zijn zeker vier belangrijke onderliggende redenen voor dat tekort van de mensenrechten. Misschien wel de belangrijkste is de liberale antropologie die aan de idee van mensenrechten ten grondslag ligt. Wie de gestandaardiseerde ontstaansgeschiedenis van deze idee bekijkt, stoot al snel op het volgende sprookje: zij manifesteert zich voor het eerst in het Europa (sic!) van de zeventiende en achttiende eeuw als gevolg van een proces van individualisering dat al een tijd op dat continent aan de gang is en dat zijn wortels heeft in christendom en humanisme. De individuele mens wordt daarmee de alfa en de omega van het politieke denken. Santa Cruz noemde dat fundament ‘de menselijke persoon’. Volgens de idee van de mensenrechten zijn mensen dus primair individuele wezens die op hun eigen belangen gericht zijn. Aangezien die belangen niet zonder een bepaalde vorm van samenwerking met anderen kunnen worden verwezenlijkt is politieke samenwerking nodig. Maar elk individu is slechts negatief gemotiveerd – gedreven door noodzaak – om dergelijke verbanden met anderen aan te gaan. Een gemeenschap met anderen wordt niet als een verrijking van het individu opgevat, maar als een beperking. Bovendien brengt een dergelijk samenwerkingsverband, noem het de staat, het risico van machtsmisbruik met zich mee. Daarom moet de staat ingeperkt worden: individuele rechten van mensen zijn primair garanties tegen machtsmisbruik.

Dit geïsoleerde individu als het prototype van de mensenrechtelijke mens is van meet af aan bekritiseerd. Volgens Marx is het volstrekt onjuist dat de ene mens enkel een beperking zou vormen voor de andere. Mensen bevinden zich juist altijd al in sociale en historisch gevormde verbanden en worden daardoor geconstitueerd tot wie ze zijn. Marx volgt daarmee het inzicht van Aristoteles: de mens is een gemeenschapswezen, gevormd door anderen en afhankelijk van anderen. Niet het individu staat aan de basis van de (politieke) gemeenschap, maar omgekeerd: als er al zoiets bestaat als individualiteit, dan alleen bij de gratie van de gemeenschap waarvan eenieder deel uitmaakt.

Hoe is het dan mogelijk dat de mensenrechten zo populair konden worden ondanks dit onaannemelijke mensbeeld? Dat is niet zo moeilijk te bedenken: als tegenhanger van een extremistisch doorgevoerd gemeenschapsdenken. Dat brengt ons bij de tweede reden. De idee van centrale belangen van alle individuen die door staten moeten worden gewaarborgd was aantrekkelijk tegen de achtergrond van de feodale, sterk hiërarchisch georganiseerde samenlevingen van de zeventiende en achttiende eeuw. En niet veel anders was het aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. De toen verslagen totalitaire regimes van Duitsland, Japan en Italië hadden de gedachte van de mens als gemeenschapswezen op de meest grove wijze geperverteerd: de vermeende raciale ongelijkheid had genocidale consequenties gehad. Nooit meer een dergelijke beheersing van het individu door welke gemeenschap dan ook was ten tijde van de Universele Verklaring het devies (uiteraard was de Sovjet-Unie minder enthousiast: dat land onthield zich dan ook van stemming over de Universele Verklaring). En dat devies kreeg een extra impuls aan het einde van de Koude Oorlog: er leek geen ideologisch of utopisch alternatief meer te zijn voor een samenleving gebaseerd op individuele rechten en vrije markt.

Bij mensen­­rechten denken we niet aan geweld tegen vrouwen, niet aan materiële ongelijkheid...
***

Intussen zijn echter de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog achter de horizon verdwenen; in veel landen, waaronder Nederland, wordt nog wel Bevrijdingsdag gevierd, maar waarvan men is bevrijd is ondergeschikt aan de feesten die ermee verbonden zijn. Wij leven niet langer in de slagschaduw van de Tweede Wereldoorlog, en daarmee heeft de idee van de mensenrechten stevig aan morele aantrekkingskracht ingeboet. Overigens heeft ook de Europese Unie te lijden onder het verstrijken van de tijd. Dat de voormalige aartsvijanden Frankrijk en Duitsland nu met elkaar verbonden zijn door gemeenschappelijke waarden en institutionele banden wordt eerder als vanzelfsprekend dan als verbazingwekkend en bewonderenswaardig ervaren.

Deze historische achtergrond van de idee van de mensenrechten leidt vervolgens tot een verenging van het begrip rechtvaardigheid. Als een rechtvaardige samenleving er vooral op gericht moet zijn individuele belangen veilig te stellen tegen de bedreigingen die van de staat uitgaan, dan raken andere vraagstukken, zoals met name die van een sociaal rechtvaardige verdeling, uit beeld. Zulke topics vragen immers om een sterke bemoeienis van een staat. Laat me een voorbeeld geven: bij notoire schenders van mensenrechten zijn we geneigd om aan staten als Rusland en Noord-Korea te denken, omdat daar de pers wordt gebreideld, politieke oppositie niet is toegestaan en vrijheid van vergadering onder druk staat. Maar we denken niet onmiddellijk aan Brazilië, waar de corruptie welig tiert, een enorme sociale ongelijkheid heerst en grof politiegeweld vele slachtoffers maakt, of aan de Verenigde Staten vanwege de enorme hoeveelheid mensen die daar in gevangenissen zijn opgesloten.

Bij mensenrechten denken we aan marteling, aan het opsluiten van politieke dissidenten, maar niet aan geweld tegen vrouwen, aan vrijheid van meningsuiting maar niet aan materiële ongelijkheid of ongelijkheid van kansen. Of een samenleving intern grote materiële ongelijkheid kent, of een samenleving extern, ten opzichte van buitenstaanders, aan eisen van medemenselijkheid voldoet, zijn vragen die nauwelijks onder het kopje mensenrechten worden gerubriceerd. De vele honderden (of zijn het duizenden?) mensen die ronddobberen op de wereldzeeën moeten zich voorbereiden op de vraag of zij op de vlucht zijn voor politieke dan wel voor economische ellende. Pas in het eerste geval hebben zij misschien een kans om te kunnen blijven in de streken waarnaar zij op weg zijn. Overigens hoeven zij hun hoop ook niet te vestigen op de Universele Verklaring: op grond van Artikel 14 heeft eenieder wel het recht om elders asiel aan te vragen en genieten, maar de verklaring formuleert geen plicht om dat asiel ook daadwerkelijk te verlenen.

De enge opvatting van de mensenrechtelijke rechtvaardigheid staat daarmee haaks op een meer klassieke opvatting van rechtvaardigheid. Die houdt in dat aan eenieder gegeven moet worden wat hem of haar toekomt. In de idee van de mensenrechten is die gedachte omgekeerd: de primaire vraag is niet wat de ander toekomt, maar waarop het ‘ik’ recht heeft. Klassiek gezien is de mens een wezen dat verplichtingen heeft ten opzichte van anderen, maar de mensenrechten benadrukken het omgekeerde: het ‘ik’ is enkel tot iets verplicht wanneer een ander rechten heeft ten opzichte van dat ‘ik’; en ‘gelukkig’ is dat heel vaak niet het geval. Waar geen rechten zijn, kunnen er ook geen plichten bestaan.

Ten slotte kan een dergelijke verenging van het begrip rechtvaardigheid gemakkelijk leiden tot de ondeugd van morele zelfgenoegzaamheid. Bij wie het geluk heeft geboren te worden in een staat die het zich kan permitteren om zijn burgers niet willekeurig te doden, te martelen of van hun mening te beroven, kan de neiging ontstaan om vanaf de zijlijn andere gemeenschappen aan te spreken op hun moreel falen en verder op zijn (of haar) handen te gaan zitten. De historische, sociale en economische omstandigheden die ertoe bijdroegen dat sommige staten wel en andere staten niet aan liberale mensenrechten voldoen, blijven dan buiten beeld.

De vraagstukken die binnen het kader van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan de orde komen, zijn dan ook – hoe interessant ook – vaak beperkt van omvang: is het in strijd met het individuele recht van ouderlijke opvoeding om kinderen op scholen te hebben waar kruisbeelden in klaslokalen hangen (in Italië), mag aan langgestraften (in het Verenigd Koninkrijk) het actieve kiesrecht worden ontzegd? Voor wie het aangaat, zijn deze kwesties van groot belang, maar ze lijken toch van ondergeschikte betekenis in vergelijking met de belangrijke vraagstukken van vandaag waarover de mensenrechten weinig te zeggen lijken te hebben: de enorme toename van de materiële ongelijkheid op wereldschaal en de verwoesting van de menselijke leefomgeving, om maar twee ontwikkelingen te noemen (een derde is al genoemd: het migratievraagstuk) die zich ten tijde van de ideologische suprematie van de idee van de mensenrechten hebben ontwikkeld.

Wanneer de taal van de mensenrechten inderdaad niet in staat is om aan die uitdagingen een stem te geven, dan zijn ze inderdaad niet alleen het product van een bepaald verleden, maar bieden ze ook weinig hoop voor de toekomst; die toekomst heeft dan inderdaad nood aan nieuwe utopische energie.


Thomas Mertens is hoogleraar rechtsfilosofie aan de Radboud Universiteit