Onze nieuwe grenzen

Objectief gezien lijkt het neerschieten van de Turkse straaljager door Syrië op een klassiek incident uit de Koude Oorlog. De Turken hebben het Syrische luchtruim geschonden, en dat is ‘heilig’. De Syriërs hadden geen keus. Welnee, zegt de Turkse regering, dit vliegtuig was per ongeluk daar binnengevlogen en al weer boven neutraal gebied toen de Syriërs het vuur openden.

Ankara laat het er niet bij zitten. Krachtens artikel 4 van het Noord-Atlantisch verdrag heeft het de bondgenoten bij elkaar geroepen. Terwijl ik dit stukje zit te tikken, zijn ze in Brussel aan het vergaderen. Het slot van de bijeenkomst zal zijn dat Syrië ernstig wordt gewaarschuwd, maar van militaire tegenmaatregelen zal het niet komen, hoewel Turkije alle redenen heeft om het buurland als vijand te beschouwen. Sinds vorig jaar de opstand daar begon, zijn er vijftigduizend vluchtelingen de grens over gekomen. Een paar duizend gewonden liggen in Turkse ziekenhuizen. Als één land er belang bij heeft dat aan het geweld een eind komt, dan wel Turkije.

Maar de kans is groot dat dit incident zal verdwijnen in de ronkende retoriek van tegenstanders die door de omstandigheden gedwongen elkaar blijven uitschelden, vervloeken, zonder daarop militaire maatregelen te laten volgen. Praktisch iedere avond zien we op de televisie hoe de strijdkrachten van president Assad de Syrische steden verder aan puin schieten. Er dreigt een humanitaire ramp, maar dat is voor geen van de partijen een reden om de strijd op te geven. Het Vrije Syrische Leger krijgt wel steun uit het buitenland, maar geen directe militaire hulp. We blijven via de media volgen hoe de ramp zich verder voltrekt, verontwaardigd, handenwringend desnoods, maar daar blijft het bij.

Deze voortdurende praktische werkeloosheid heeft een reeks oorzaken. De tegenstanders van het regime hebben president Assad wel als gemeenschappelijke vijand, maar overigens vormen ze allerminst een eenheid. Interventie van het Westen kan betekenen dat we ons bemoeien met een burgeroorlog in een wespennest. Daarbij komt dat Syrië een relatief geïsoleerd vraagstuk vormt. Voor Turkije is het vluchtelingenprobleem het ernstigst. De andere buurlanden, Jordanië, Israël, Libanon en Irak, ondervinden wel de gevolgen van de burgeroorlog aan de andere kant van de grens, maar kennelijk valt dit probleem nog te beheersen.

En dan is er de Russische factor. Moskou heeft in Syrië een marinebasis. De Russen blijven Assad militaire hulp geven en in de Veiligheidsraad hebben ze herhaaldelijk resoluties waarin werd aangedrongen op het aftreden van Assad met hun veto getroffen. In zijn ontmoeting met president Poetin op 18 juni kreeg Obama nul op het rekest. Mat andere woorden, Rusland maakt doelbewust deel uit van het Syrische probleem. Daardoor wordt de opgave voor de Navo nog ingewikkelder. Moskou is niet onze bondgenoot. Onder de heersende omstandigheden kan het Westen zich niet veroorloven dat het in sterkere mate tot vijand wordt.

Nog meer problemen. Per slot van rekening is Syrië onderdeel van het Midden-Oosten, voor het Westen in toenemende mate een potentiële brandhaard. De Arabische lente leek het begin van de modernisering en betrekkelijke democratisering. Dat bleek te eenvoudig gedacht. Nu hebben de Egyptische verkiezingen en de daarop volgende problemen aangetoond dat de werkelijkheid aanmerkelijk gecompliceerder en misschien gevaarlijker is. De enige zekerheid die het Westen heeft, is dat het er geen invloed op kan uitoefenen.

En misschien hebben we dan ook nog het grootste vraagstuk in wording: Saoedi-Arabië, onze grootste olieleverancier. Prins Najef, die 37 jaar het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft beheerd en daarbij met succes alle politieke en culturele veranderingen verhinderd, is gestorven. Het laatste experiment dat hij heeft verhinderd: vrouwen die ook zelf auto wilden rijden. Ze werden achter het stuur vandaan gesleurd. Koning Abdoellah is 89 jaar, zijn jongste zoon achter in de zestig. Het land snakt naar verandering, maar tot dusver heeft deze oudste generatie de status-quo weten te handhaven. Ook Saoedi-­Arabië wordt rijper voor een uitbraak van de lente, of een echte revolutie, hoe je het noemen wilt.

Langzamerhand, nu onder invloed van de ontwikkelingen in Syrië (die nu door de Navo zullen worden veroordeeld en verder gaan we niet), zal het tot onze publieke opinie doordringen dat de almacht van wat eens ‘het machtigste bondgenootschap ter wereld’ was, voorgoed voorbij is. Aan het begin van deze eeuw dacht het Amerika van George W. Bush nog naar believen orde op zaken te kunnen stellen. Door de ervaringen in Afghanistan en Irak zijn we van dit waandenkbeeld genezen. Vandaar de non-interventie in de Arabische lente (met als betrekkelijke uitzondering Libië) en nu in het bijzonder de non-interventie in Syrië.

Daarbij komt dan nog onze eigen economische crisis die langzamerhand in politieke machteloosheid ontaardt, waardoor ieder stoutmoedig initiatief in de buitenlandse politiek wordt verhinderd. We hebben een tijdvak bereikt waarin in zekere zin de rollen worden omgedraaid. De eertijds machtelozen tonen ons waar onze nieuwe grenzen liggen.