Haïti blijft een mislukte staat

Onze ogen zijn alweer gesloten

Nu de zoekacties in Port-au-Prince zijn gestaakt en de benefietvoorstellingen voorbij zijn, verslapt de media-aandacht voor Haïti. Terwijl grondige hervorming van de staat nodig is om de crisis te bezweren.

BIJ EEN KOLOSSALE ramp als de Haïtiaanse aardbeving staat het politieke verstand vaak even stil. Politici, media en publiek kunnen niet veel meer doen dan noodhulp eisen en erop toezien dat die snel en efficiënt werkt. Journalisten die toevallig ter plaatse zijn worden soms hulpverleners, hulpverleners helpen soms tussen hun werkzaamheden door de wereld van nieuws te voorzien. Politici, artiesten en prominenten organiseren benefietvoorstellingen en zolang ze geld in het laatje brengen zien we hun zelfpromotie en krokodillentranen door de vingers. Het is een smakeloos circus, maar collectieve uitingen van de mensheid zijn nu eenmaal zelden intelligent of verfijnd.
Toch gaat vroeg of laat het verstand werken, vooropgesteld dat het daartoe de kans krijgt. In het geval van Haïti is dat laatste eigenlijk nooit gebeurd. Het is veelzeggend dat de aandacht van de meeste grote media is verslapt sinds het moment dat de zoekacties in Port-au-Prince werden gestaakt. Haïti heeft nooit lang in het middelpunt van de mediabelangstelling gestaan. Als het eens even de volle aandacht kreeg, was dat niet voldoende om de ware problemen van het land duidelijk te maken en te laten zien wat het Westen nog meer zou kunnen doen behalve hulp sturen en doen alsof zijn neus bloedt. Want de inmenging van westerse landen is voor een deel debet aan de armoede, de sociale ontwrichting en de algehele weerloosheid van de Haïtianen in het aangezicht van deze ramp.
De laatste keer dat het land in de schijnwerpers stond was in 1994, toen de populaire priester-president Jean-Bertrand Aristide na een ballingschap van drie jaar weer aan de macht kwam. Aristide had getracht de corruptie en sociale problemen op Haïti serieus aan te pakken en was verjaagd door een militaire junta. De Verenigde Naties riepen op tot militaire interventie om hem in zijn functie te herstellen. Toen Washington die interventie inderdaad dreigde uit te voeren, stortte het militaire regime ineen. Aristide keerde triomfantelijk terug, maar helaas zat zijn tweede en laatste presidentstermijn er bijna op. Hij kreeg nog maar weinig voor elkaar en de door hem opgerichte politieke partij, Fanmi Lavalas (Creools voor ‘Zondvloed Familie’), was binnen enkele jaren zelf gecorrumpeerd.

ZO VERGING HET tot nog toe alle sociale hervormingsbewegingen op Haïti: voordat de eerste vruchten rijp waren, sloeg het bederf toe. Het lijkt het onontkoombaar lot van deze eilandstaat die zich in 1804 als eerste kolonie bevrijdde, onder leiding van voormalige zwarte slaven, en sindsdien bijna onafgebroken werd geregeerd door tirannen, gewetenloze politieke makelaars en zetbazen van Amerikaanse, Franse en andere buitenlandse belangen. De eerste leider van het onafhankelijke Haïti, Jean-Jacques Dessalines, liet zich (naar Napoleons voorbeeld) tot keizer kronen, vermoordde alle achtergebleven blanken en trok bovendien een bloedig spoor door de zwarte en gekleurde gemeenschappen. Van de aanvankelijke solidariteit onder de opstandelingen was al gauw geen sprake meer en omdat de plantage-economie instortte, was er geen geld om een deugdelijk overheidsapparaat te vormen. Zodoende ontstond er nooit een sterk, legitiem gezag op Haïti.
Het land bleef kwetsbaar voor opstanden en coups, invallen van gewapende ballingen en buitenlandse huurlingen, en de activiteiten van religieuze onruststokers. De Amerikanen bezetten Haïti aan het begin van de vorige eeuw, maar misdroegen zich er zo dat ze na enkele tientallen jaren wijselijk vertrokken. Afgezien van dit Amerikaanse intermezzo is de macht op Haïti eigenlijk altijd geprivatiseerd geweest. Een zeer kleine elite wist van elke crisis te profiteren en zette zijn winst in de VS en later in Zwitserland op de bank. Waar nodig werd dat geld gebruikt om pogingen tot hervorming te smoren in corruptie, intimidatie en moord.
Het dieptepunt was de langjarige heerschappij van vader en zoon Duvalier, die steunde op de terreur van een 'vrijwillige politie’, de Tonton Macoutes (genoemd naar 'Oompje Zandzak’, een boeman uit Haïtiaanse volksverhalen die ’s nachts de straat onveilig maakt en kinderen ontvoert). De bevolking had eigenlijk maar één wapen tegen deze nietsontziende bende: vodou, de animistische religie van de voormalige negerslaven, vermengd met elementen uit het rooms-katholicisme dat de Fransen op Haïti introduceerden. Voor vodoupriesters en -priesteressen in het algemeen en voor de bokors (zwarte priesters) in het bijzonder gingen zelfs de Tonton Macoutes een blokje om.
Ook de spaarzame hervormers werden door het bederf aangetast. Het is tekenend voor de Haïtiaanse misère dat François ('Papa’) Duvalier zijn carrière begon als progressieve volksarts en bestrijder van tyfus en analfabetisme. Pas na een mislukte invasie vanuit communistisch Cuba nam zijn presidentschap de naargeestige wending waarom hij berucht is geworden. Even leek het erop dat Aristide in zijn voetsporen zou treden. Hij werd in 2001 opnieuw ingezworen als president, ditmaal dankzij een hardhandige aanpak van de oppositie en manipulatie van de verkiezingsuitslag. Bijna meteen werd een nieuwe couppoging tegen hem ondernomen, maar de president rekruteerde zijn eigen knokploegen uit de armste wijken. Het land balanceerde op de rand van een burgeroorlog terwijl de economie praktisch stil lag. In 2004 moest Aristide wederom het land verlaten, nu onder internationale druk; de landen die zijn terugkeer in 1994 hadden gesteund, lieten hem nu openlijk vallen. Aristide verblijft sindsdien opnieuw in ballingschap, nu in Zuid-Afrika.
Het is hard nodig dat Aristide terugkeert en deel gaat uitmaken van een regering van nationale eenheid die hopelijk de huidige crisis kan bezweren. Maar dit thema heeft te midden van alle berichtgeving over de aardbeving geen enkele aandacht gekregen. Te oordelen naar de publiciteit rond Haïti van de afgelopen twee weken heeft het land gewoonweg geen regering en is er ook geen noodzaak om onder internationale druk te komen tot politieke vernieuwing, hoewel de behoefte daaraan juist nu zo groot is. Wat belet de meest actieve hulpverleners, de VS en Frankrijk, om Haïti een duwtje in de goede richting te geven? Zonder grondige vernieuwing blijft Haïti een 'mislukte staat’: de regering heeft niet eens het hele grondgebied of de hele bevolking onder controle. Gezien de palmares van Haïtiaanse leiders van de afgelopen tweehonderd jaar is dat misschien maar goed ook.

IN MAART ZAL IN Canada een donorconferentie plaatsvinden over de wederopbouw van Haiti. De zittende premier Jean-Max Bellerive vindt dat zijn regering daaraan heel goed leiding kan geven, maar in zijn vaderland deelt lang niet iedereen die mening. 'Ze moeten godverdomme eindelijk eens gaan regeren!’ was de hartenkreet die de Haïtiaanse schrijver Lyonel Trouillot deze week vanuit de puinhopen van Port-au-Prince de Franse pers in slingerde. De enige interventie die Haïtianen momenteel van hun overheid kunnen verwachten is het optreden van gewapende functionarissen die hun onverdiende aandeel van de hulpgoederen opeisen. Die situatie kan niet onbeperkt voortduren, niet alleen omdat de hulpverlening erdoor wordt belemmerd, maar ook en vooral omdat zij mensonwaardig is. Elke dag dat deze toestand van anomie voortduurt betekent nieuw voedsel voor de sociale haat die het schiereiland al zo lang verscheurt. Welk signaal wordt er aan de Haïtianen afgegeven als straks het luxueuze Montana Hotel weer overeind staat terwijl het Nationaal Paleis nog in puin ligt?
De wrok zal moeilijk binnen een generatie te kanaliseren zijn.
Ook de religieus geïnspireerde gerechtigheid waarnaar Aristide en zijn volgelingen streven dreigt doortrokken te raken van de rancune die sinds twee eeuwen alle politieke verbetering blokkeert. De haat is zo groot dat sommige Fanmi Lavalas-aanhangers opveerden bij het nieuws van de zware aardbeving. 'Eindelijk!’ juichte een aanhanger op de website van Aristide’s partij: 'Eindelijk worden de rijken eens niet gespaard. Eindelijk stort het Montana Hotel even genadeloos in als het Nationaal Paleis. Eindelijk betalen de troepen van de VN, door veel Haïtianen als een bezettingsmacht beschouwd, ook eens hun tol in mensenlevens. Eindelijk moeten de gasten hun Haïtiaanse gastheren als hun gelijken beschouwen en schouder aan schouder met hen staan. Het is een heel nieuw gegeven voor Haïti. Maar waarom is er een ramp zonder precedent nodig om de wereld de ogen te openen?’
Alsof zijn juichkreten niet wrang genoeg zijn, dreigt de schrijver met zijn laatste constatering ook nog eens ongelijk te krijgen. De wereld heeft zijn ogen alweer bijna gesloten.