Italiaanse spelregels

Onze Silvio

Met de verkiezingen voor Europa hebben de Italianen duidelijk gemaakt dat alle schandalen Silvio Berlusconi in eigen land niet hebben aangetast. Dat wekt verwondering in het buitenland, maar Italië heeft nu eenmaal zijn eigen spelregels.

IEDEREEN OP DE Buitenlandse Persclub in Rome was ontzettend opgewonden, die ochtend in december 1993. Silvio Berlusconi zou langskomen! De alcoholistische Belg Frédéric was er speciaal al vóór het middaguur voor uit zijn bed gekomen, en had zelfs een das om. De Braziliaanse vuurvreetster Gina had haar kortste jurkje aan. Het establishment van The New York Times, AP, Newsweek, El País, Frankfurter Allgemeine en The Times zat in antraciet grijs alvast ironisch te glimlachen op de eerste rijen.
Het uitgangspunt: Berlusconi = fout. Dat diende nu alleen nog even met een paar scherpe vragen te worden ontmaskerd. Juist de kleinere visjes voelden deze verantwoordelijkheid het zwaarst. Met één vlijmscherpe vraag aan Berlusconi kon je jezelf op de kaart zetten. Dan was je op de persclub voor minstens een jaar De Man (of Vrouw) Die Het Had Gedurfd. Dan kwam je misschien wel op tv!
Silvio Berlusconi had ons kort daarvoor ‘journalisten uit de B-categorie’ genoemd. ‘Rome-correspondenten zijn niet bepaald de crème de la crème van een krant’, had hij gezegd, ‘het zijn halve werklozen, die op stukbasis af en toe iets mogen sturen dat hun werkgever graag hoort.’
Daarmee had hij ons recht in het hart getroffen, omdat het ook wel een beetje waar was. Het vaste meubilair van de Buitenlandse Persclub in Rome zat inderdaad de halve dag met het vaderland te soebatten aan de telefoon om twintig regels ‘Italiaans fascisme steekt weer de kop op’ te mogen sturen.
Italië zat in een machtsvacuüm. Het eeuwige evenwicht tussen christen-democraten en socialisten was verstoord door het Schone Handen Proces, waaruit – verrassing! – bleek dat alles en iedereen corrupt was. De verdeling van de taart werd al decennialang met envelopjes steekpenningen geregeld, en alhoewel niemand daar bezwaar tegen maakte, was er toch een hinderlijke officier van justitie, ene Antonio di Pietro, die het nodig had gevonden om zijn neus in andermans zaken te steken.
Daarmee was een hele politieke klasse van het pluche gejaagd en dit was het moment van de muurbloempjes, de postfascisten, die brandschone handen hadden omdat ze sinds de Tweede Wereldoorlog nooit meer mee hadden mogen doen.
Ze maakten natuurlijk geen enkele kans zonder Een Sterke Man. Zoiets hoef je aan postfascisten niet uit te leggen. En die sterke man was mediamagnaat Silvio Berlusconi, die dat jaar heel Italië met vrolijke blauwe posters had behangen waarop ‘Forza Italia!’ stond, de nationale voetbalkreet. Het was het voorbereidende werk voor zijn stap in de politiek, want sluikreclame werkt het best. Niemand wist nog wat het was, maar iedereen had ‘Forza Italia!’ al in het onderbewustzijn.
Nu had Berlusconi nog een bastion te nemen: de buitenlandse pers. Want daar stond hij er niet goed op. Alles wat in Italië kon, werd elders gezien als fout. Een tycoon à la Murdoch, die zijn Milanese bouwimperium via een ondoorgrondelijk netwerk van buitenlandse bankrekeningen (maffia!) had opgebouwd, die drie nationale tv-zenders via politieke connecties illegaal de ether in had gemanoeuvreerd, wiens gangen net zo duister als ongrijpbaar waren. Op Berlusconi kon justitie nooit vat krijgen, terwijl de bewijzen toch dagelijks werden geleverd door ijverige journalisten van kleine linkse blaadjes.
Enfin, er moest iets gedaan worden aan zijn imago in het buitenland, vond Berlusconi. En hij dacht dat het zou helpen om zich persoonlijk in de leeuwenkuil te werpen. Met zijn overtuigingskracht en charme, waarmee hij al zo veel had bereikt, zou hij het groepje werklozen toch zeker op de knieën krijgen.

HIJ KWAM NATUURLIJK iets te laat, want dat doe je in Italië als je belangrijk bent. Het geroezemoes in de bedompte perszaal was aangezwollen tot een verontwaardigde dreun. Ik had me midden in de zaal uiterst rechts aan het gangpad gepositioneerd. Daar moest hij langs, en ik wilde hem graag van dichtbij zien. Ik verrekte mijn nek al een half uur, want ik had besloten mijn verhaal te beginnen met zijn gelaatsuitdrukking. Hoe zou hij de vijandige zaal in stappen?
Daar was hij. Ik zag hem, een compact mannetje van hooguit 1 meter 70, omstuwd door een haag van Rambo’s. Ze waren net zo gekleed als hij: strak in het pak, zoals voetbaltrainers, met datzelfde onhandige, ietwat stijve. Hij brak door de Rambo’s heen en haalde diep adem voor hij de zaal betrad. Ik had het begin van mijn stuk.
Hij kwam aanbenen door het gangpad. We keken elkaar nu recht in de ogen. Berlusconi bleef staan bij mijn stoel en neigde waarderend het hoofd. Heel even maar, maar toch lang genoeg om her en der in de zaal een meesmuilend ‘boehoehoe’-geluid los te maken.
Ik zag er leuk uit, in 1993. Dat waren velen toen met Berlusconi eens. Het feit dat je op zo’n moment, als de ogen van de hele wereld op je gericht zijn, nog even een kleine flirt met een jonge vrouw aan het gangpad inlast, is… typisch Berlusconi.
En het is dat ‘typisch Berlusconi’ dat maar niet valt uit te leggen. Terwijl het toch zo betrekkelijk simpel is, omdat het eigenlijk betekent ‘typisch Italië’.

ITALIANEN HEBBEN slechte ervaringen met de staat. In 1861 werd de verzameling koninkrijkjes, prinsdommen, zeerepublieken, eilanden en pauselijke territoria voor het eerst in de geschiedenis samengeveegd tot een staatkundige eenheid: de monarchie Italië. Na de Tweede Wereldoorlog werd de monarchie afgeschaft en vanaf 1946 heette Italië een republiek.
Dit werd de bevolking meegedeeld, zoals Italianen altijd iets van bovenaf meegedeeld of opgelegd hebben gekregen. Er is praktisch geen vertegenwoordiger van de staat geweest die iets heeft veranderd aan het diepgewortelde gevoel dat machthebbers er in de eerste plaats zitten voor zichzelf. Behalve één: Benito Mussolini, die helaas de fatale fout heeft gemaakt om met Hitler in zee te gaan, maar die tot die tijd een heel, heel fijne man was waar je echt wat aan had en die veel voor de Italianen heeft gedaan, vooral voor de arme, en vooral in het zuiden.
Wat Italianen nooit zullen doen, is vertrouwen op een model. Want modellen bestaan weer uit mensen, en mensen zijn weer Italianen, en zo ben je weer terug bij af. ‘Democratie’, het zegt ze ongeveer net zo veel als ‘het heelal’. Helemaal ongelijk kun je ze niet geven. Want zij die de afgelopen anderhalve eeuw gezicht gaven aan de democratische staat waren in het beste geval behendige evenwichtskunstenaars.
Het schoolvoorbeeld is de christen-democraat Giulio Andreotti, hét gezicht van de Italiaanse staat vanaf na de Tweede Wereldoorlog tot begin jaren negentig. Andreotti balanceerde voortreffelijk tussen de officiële en de inofficiële machten. Tussen Amerika (dat vooral de PCI vreesde, de grootste communistische partij van het Westen), de maffia, tussen het grootkapitaal uit het industriële noorden en de P2, de geheime vrijmetselaarsloge, tussen het Vaticaan en de Rode Brigades. Tussen corruptie en katholieke barmhartigheid, want op dat laatste was de sociale zorg in Italië aangewezen. Hij was zeven keer premier, ruim twintig keer minister en heeft het allemaal overleefd, ook de uiteindelijk onvermijdelijke aanklacht wegens banden met de maffia.
Maar om nou te zeggen dat Andreotti heeft bijgedragen aan een democratie, nee. En ook niet dat hij het begrip ‘staat’ aan prestige heeft geholpen in het fundamenteel anti-staatland Italië. Hij dekte met een uitgestreken gezicht af wat afgedekt moest worden, en hij wist zich te gedragen. Hij ging iedere ochtend om zes uur naar de mis en hij had geen buitenhuis op Sardinië, dat was het wel zo’n beetje. Blij werd je niet van hem, maar hij speelde een schaakspel dat nu eenmaal door weinigen was te volgen, en dus lieten ze hem maar begaan.

VAN SILVIO Berlusconi worden de Italianen wél blij. Niet allemaal, natuurlijk. Al vijftien jaar lang, sinds Berlusconi de politiek betrad, krijg je als buitenlander steevast de vraag: ‘Wat zeggen ze bij jullie over ons?’ Dit zijn Italianen die sterk in de minderheid zijn. Ze lezen linkse kranten, ze maken zich zorgen en ze zien zich in de politiek vertegenwoordigd door charismaloze brillen en snorren met communistische herinneringen, weinig toekomstideeën en geheven vingertjes.
Silvio Berlusconi daarentegen is gewoon lekker zichzelf. Alleen al dat. Hij is geen staat, hij vertegenwoordigt niets, hij is Berlusconi. Een man met een groot hart. Tot nog toe is iedereen enorm te spreken over hoe hij de aardbeving in de Abruzzen aanpakt. Ja, behalve de zestigduizend Abruzzesi die in tenten zitten, maar dat is ook logisch. Iedere dag in een tent is er één te veel. Berlusconi zegt, zweert, dat iedereen in september weer in een huis zit. Dat zou in verhouding tot andere Italiaanse aardbevingen, waar generaties in containers zijn geboren, een absoluut unicum zijn.
De vuilnis in Napels, die hij, god mag weten hoe, toch van de straat heeft gekregen. Dat hij daarvoor naar alle waarschijnlijkheid tot een deal is gekomen met de inofficiële machten die Napels en omstreken regeren, soit. De vuilnis ligt niet meer op straat, toch? Of hebben we nog iets te mekkeren?
O ja. Noemi, minderjarig, feesten, blote meisjes, boze echtgenote, echtscheiding. Kijk. Een man is een man. En dan: hij was eenzaam. Want die vervelende echtgenote, die sjieke madame Veronica van hem, had hem al jaren in de steek gelaten. Nooit liet ze zich ergens zien. En die arme Berlusconi maar rondploeteren, met een helm op, tussen de puinhopen van de Abruzzen en tussen de vuilnisbelten van Napels. Mag het dan misschien? En wat zal hij helemaal hebben gedaan? Gewoon wat meisjes uitnodigen, een vrolijk feest, een gezellige zanger, ach, zo is-ie gewoon. Een hartelijke man die graag in gezelschap van jongeren verkeert en die iedereen graag laat meegenieten van zijn welvaart.
Als je dan ook nog begint over de Britse advocaat David Mills, die onlangs door een rechtbank van Milaan tot vier jaar gevangenisstraf is veroordeeld omdat hij in naam van Berlusconi bepaalde gegevens over diens media-imperium Fininvest heeft verdoezeld, dan krijgen de Italianen echt een beetje genoeg van je.
Ach, hou toch op. De rechtspraak in Italië is geobsedeerd door Berlusconi. Hij is al twintig keer gedaagd. Corruptie, fraude, belastingontduiking, diefstal, witwassen en drugshandel. Nooit gepakt. Dus: niets aan de hand.
Je kunt hier tegenover stellen dat Berlusconi de politiek misbruikt voor persoonlijke doeleinden. Dat hij wetten bijstelt om zelf buiten schot te blijven. Dat het gevaarlijk is, iemand die zichzelf boven de grondwet stelt en zijn wettelijke taken als premier presenteert als persoonlijke gunsten aan het volk.
Dat kun je doen. Maar het zal niet helpen. Want voor Italianen zijn bovengenoemde misdrijven geen misdrijven. De staat is niets, dientengevolge ook de grondwet niet. Ze hebben er nog nooit iets goeds van gezien. Wetten en regels zijn er om de burger te plagen. En onze Silvio snapt dat. Juist zijn eigen kwetsbaarheid, het feit dat hem voortdurend in het groot overkomt wat Italianen in het klein overkomt, maakt hem tot de lieveling van het volk. Zie die ondeugd toch eens aan. Onze Silvio, die het dan ook nog eens allemaal eerlijk komt uitleggen op tv. Ja, ook die heeft hij in handen. Maar dat maakt hem toch tot een groot imprenditore, een groot ondernemer. Doe hem dat maar eens na.