Interview met Eberhard Rebling

Onze sjtetl staat in brand

Twee hete oorlogen en een koude bepaalden de levensweg van de pianist, publicist en muziekwetenschapper Eberhard Rebling – Pruis, Nederlander, statenloos, Oost-Duitser. Vorige maand werd hem in Berlijn op de Israëlische ambassade de Yad Vashem-onderscheiding verleend voor zijn hulp aan joden in het bezette Nederland.

Eberhard Rebling is 95 en woont alleen in het huis aan een lieflijk meertje dat zijn muze Lien – geboren als Rebekka Brilleslijper – en hij in 1972 betrokken te Ziegenhals, een dorp ten zuiden van Berlijn. Lien Brilleslijper is in 1988 gestorven. Op tafel staat versgebakken boterkoek naar joods recept; de dochters Kathinka en Jalda zorgen er vanuit de Duitse hoofdstad voor dat hun vader niets tekortkomt. Aan de wanden prijken Delftse tegeltjes, Javaanse dansmaskers en schilderijen van Hollandse vrienden van vroeger, waaronder een indringend portret van een fragiele Lien met felle ogen, ‘geschilderd toen ze net uit het concentratiekamp terug was’. Rebling spreekt prachtig Nederlands, zonder ploffende Duitse medeklinkers. Daarop heeft hij hard geoefend, zegt hij, vanaf het moment dat hij voor Hitlers regime naar Nederland uitweek. Want je moest vooral niet kunnen horen dat hij een Duitser was.

Eberhard Rebling was, met dank aan zijn moeder, voorbestemd voor een dubbele carrière als concertpianist en muziekwetenschapper – en bepaald niet voor een carrière als marxist. Zijn vader was een stramme Pruisische officier die tijdens de Eerste Wereldoorlog in België aan het keizerlijke Duitse front was gestationeerd. Rebling: ‘In mijn vroegste herinneringen zie ik mijn beide oudere broertjes vol enthousiasme oorlogje spelen in de tuin. Maar ik was als kleuter bij moeder, die doodsangsten uitstond. Oorlog was verschrikking, voelde ik. Wat was ze gelukkig toen mijn vader met een verstuikte voet thuiskwam. Maar ik kreeg van hem om niets een aframmeling met zijn stok. Vanaf dat moment heb ik hem gehaat.’

Rebling wist nog net te promoveren, voordat hij de wijk nam voor het nationaal-socialisme naar Nederland. Rebling: ‘Ik heb Lien leren kennen in het Gemeenschapshuis in Voorburg, een soort kunstenaarscommune waar de medicijnenstudent, en latere communistische politicus, Ben Polak me in 1936 een kamer had bezorgd. Lien bracht me in aanraking met jiddische liederen, voor mij iets heel nieuws. Zij werkte toen bij de revue, maar al gauw maakte ik pianoarrangementen bij die liederen en traden we ermee op, zij altijd onder de naam Lin Jaldati.’

De ietwat geremde Pruisische jongen raakte gefascineerd door die Amsterdamse van de Jodenhouttuinen, die van haar hart nooit een moordkuil maakte – ook later niet, in de ddr. En zij kreeg zijn Duitse Gründlichkeit en bezonnenheid cadeau: ‘Ja, mijn stiptheid: alles heeft zijn plek, zijn orde.’ Het zou een liefde voor het leven worden.

‘Toen ik in Nederland kwam’, vertelt Rebling, ‘hadden de communisten geen deskundigen voor muziek. Uitgeverij Pegasus vroeg me een boek te schrijven over geuzen- en patriottenliederen. Als Duitser mocht ik me niet met politiek bemoeien, en lid worden van de cpn, zoals Lien, was natuurlijk uit den boze. Onder het pseudoniem Dr. P. van Noorden schreef ik in 1937 het boek Revolutionaire liederen uit Nederlands verleden. Dat oud-Nederlands? Welnee, dat vond ik helemaal geen punt.’ Er zouden diverse boeken volgen – alle in het Nederlands.

De taal bleek alras een zaak van leven of dood. In 1942 moest Rebling zich voor de Wehrmacht melden, dook onder en toog onder de naam Jean Jacques Bos vanuit Den Haag naar de Amsterdamse Apollolaan. Daar wilde hij van de oude dames Jansen een huis in het Gooi huren. Zijn joodse Lien, haar familieleden en andere vervolgden zouden er een schuilplaats vinden. ‘U klinkt niet erg Haags’, vond de ene mevrouw Jansen. Rebling antwoordde: ‘Ik heb in mijn jeugd een aantal jaren in Limburg doorgebracht, vlak bij de Duitse grens.’ ‘We dachten al zoiets’, zei ze en tekende het huurcontract.

‘In 1944 werden we verraden’, vertelt Rebling. Lien en de andere bewoners werden op transport gezet. Hijzelf kreeg de doodstraf, ‘wegens landverraad, Fahnenflucht, sabotage en Rassenschande, waarbij dat laatste, meen ik, het zwaarst telde. Toen kwam die veertiende juli, de dag der wonderen; bij een stop tijdens het gevangenentransport kon ik ontsnappen. Ik wist het huis van de fotografe Eva Besnyö te bereiken, een goede vriendin. Zij kon me toen vertellen dat ons dochtertje Kathinka, dat in 1941 was geboren, veilig was. Ze was net op tijd gekidnapt door iemand uit het verzet en logeerde even elders.’

De goudblonde Kathinka was als baby nog door Besnyö gefotografeerd: ze prijkte stralend op de reclame voor Liga-koeken. Met haar ‘arische’ uiterlijk zou het meisje de bezetting doorkomen. Liens ouders en haar broer werden vermoord. Lien overleefde samen met haar zus, na Auschwitz, op het nippertje Bergen-Belsen. Ze hadden machteloos toegezien hoe dat andere zusterpaar, Anne en Margot Frank, er kort voor de bevrijding aan vlektyfus bezweek.

In 1945 kon Rebling bij De Waarheid aan de slag als muziekredacteur: ‘Theun de Vries had me getipt. Een van mijn eerste recensies was over een concert van Yehudi Menuhin in het Concertgebouw in de zomer van 1945. Lien kon er niet bij zijn, zij was nog te zwak. Mahlers Tweede Symfonie stond op het programma. Toen het koor inzette “Aufersteh’n, ja Aufersteh’n wirst du” huilde de hele zaal, ik ook.’ Rebling raakt ook nu nog ontroerd.

De vreugde over de bevrijding werd al snel overschaduwd door de Koude Oorlog. Communisten werden uit openbare functies geweerd. Zo kwam Lien met haar jiddische liederen amper meer aan de bak. Eberhard Rebling: ‘Ikzelf verdiende wat centjes bij als pianist bij schoolconcerten. Opeens was ik daar niet meer welkom. Alsof de schoolkinderen via Chopin en Moessorgski gif kregen toegediend.’ Bij De Waarheid was het, als reactie, één en al paniek: ‘Paul de Groot eiste dat de redacteuren op een bandje hun standpunten inspraken over belangrijke kwesties. Ik meen dat het onder meer over Joegoslavië ging. Tito was uit de gratie bij Stalin. Maar Tito was mijn held. Ik weigerde en werd wat later ontslagen.’

Inmiddels was tweede dochter Jalda geboren, en er moest brood op de plank komen. Via internationale linkse congressen voor de wereldvrede hadden Rebling en Lien kunstenaars in de ddr leren kennen: ‘In 1952 verhuisden we naar Oost-Berlijn. In 1956 had ik Matthijs Vermeulen kunnen opvolgen als muziekredacteur van De Groene Amsterdammer. Dat verzoek kwam helaas te laat.’

In de jonge Duitse Democratische Republiek behoorden ze al snel tot de culturele elite. Rebling zette het blad Musik und Gesellschaft op_._ Maar de enthousiaste wederopbouwsfeer kende grimmige ondertonen. Rebling: ‘Ik had bij illegale huisconcerten tijdens de bezetting ook werk uitgevoerd van eigentijdse componisten die door de nazi’s waren verboden, zoals Strawinsky, Schönberg en Hindemith. Nu werden zij in de ddr bestreden en verguisd.’ Rebling had zich in zijn _Waarheid-_tijd zelf negatief over hen uitgelaten, waarvoor hij zich later schaamde: ‘Tijdens mijn eerste ddr-jaren probeerde ik een eerlijke discussie over muziek op gang te houden en daarmee de scherpslijpers de wind uit de zeilen te nemen. De indoctrinatie was toen op z’n ergst. Het was een spagaat, ook in mijn blad. Daarin moest ik artikelen tegen Schönberg en andere atonale “formalisten” toelaten en ik werd flink gecensureerd.’

Nog wranger was dat ook het antisemitisme in ‘de betere Duitse staat’ geenszins overwonnen bleek. Rebling: ‘Lien kon met de jiddische liederen eerst geen kant op. Ze probeerde haar herinneringen aan Anne Frank door te geven, we wilden Het achterhuis laten vertalen, maar dat lukte niet. Anne Frank was geen verzetsstrijdster geweest, hè. De holocaust was geen thema in de ddr. Mijn eigen vader was een antisemiet.’ In de Sovjet-Unie leidde Stalin begin jaren vijftig een antisemitische campagne. De ddr liep daar achteraan. Het is aan Stalins dood in 1953 te danken dat enkele hooggeplaatste Oost-Duitse joden er goed vanaf kwamen. Met name zij die uit de ‘west-emigratie’ kwamen, werden namelijk al gauw voor ‘zionistische agenten van het Amerikaans-joodse grootkapitaal’ uitgemaakt. Rebling: ‘In 1956 kwam Chroesjtsjov op het partijcongres met zijn beroemde rede over Stalins misdaden. Die toespraak was zo geheim dat alleen de absolute top van de ddr die mocht lezen, wij niet. Maar we waren even terug in Amsterdam en wat bleek? De Groene Amsterdammer had kans gezien de rede te bemachtigen en had deze integraal afgedrukt. Het was een shock voor ons. Lien zei altijd: ik heb mijn leven aan Stalin te danken.’

Lien had net meegewerkt aan een theaterprogramma waarin ook een gedicht van Lejb Kwitko werd voorgedragen. Nu moest ze vernemen dat de dichter in 1952 in de Sovjet-Unie was vermoord. In 1957 mocht ze voor het eerst in dat land optreden. Daar zong ze een jiddisch lied, dat ze minstens duizend keer zou zingen, aan de piano begeleid door Eberhard: ’s Brent, briderlech, ’s brent. Lescht dos fajer, undser schtetele brent. Blus het vuur, onze sjtetl staat in brand_._ De schrijver van het lied, Mordechaj Gebirtig, was eveneens vermoord – door de nazi’s. De hint werd door het Moskouse publiek begrepen: het sloeg in als een bom.

Twee jaar later raakte het echtpaar Rebling zijn Nederlands staatsburgerschap kwijt. Rebling bezat het net tien jaar: ‘Toen ik in de oorlog ter dood veroordeeld was, was me tegelijk het Duits staatsburgerschap ontnomen. Na de oorlog kon ik Nederlander worden, als een van de eerste Duitsers, maar daartoe moesten we wel trouwen, want we leefden zogenaamd in zonde. In 1959 ging Lien, zoals altijd, op het Nederlands consulaat in de ddr onze paspoorten verlengen. Maar ze kreeg ze niet terug. Ik zou volgens een wet uit 1892 in vreemde staatsdienst zijn getreden.’

Lien kon het Nederlanderschap vijf jaar later terugkrijgen. In navolging van prinses Irene, die geen Spaanse wilde worden, mochten alle vrouwen bij hun huwelijk hun Nederlandse nationaliteit behouden. Eberhard Rebling: ‘Veel later, in 1985, toen we met ons Anne-Frankprogramma in de Westerkerk optraden in het bijzijn van koningin Beatrix en oud-bondskanselier Willy Brandt, had ik vast wel een poging kunnen wagen om mijn Nederlanderschap terug te krijgen. Maar toen hoefde het niet meer.’

Ondanks alles bleven ze altijd in hun socialistische staat geloven. En ze hadden het er goed. Rebling was in de jaren zestig directeur geworden van het Oost-Berlijnse conservatorium en soleerde met de piano op het hoogste niveau, zoals bij dirigent Kurt Masur. Liens voordrachten en liederen waren zeer gewild, ook buiten de ddr. Na de bouw van de Muur genoten ze reisvrijheid, een groot privilege. Ze mochten zelfs naar het K.A., het Kapitalistische Ausland.

Maar in 1967 begon Israël de Zesdaagse Oorlog. Het Oostblok steunde de Arabische landen. In de Oost-Duitse media werden de joden als ‘dadervolk’ met de nazi’s van weleer vergeleken. Rebling: ‘Het jiddische lied was niet meer gewenst. Nee, dat werd nooit officieel gezegd. Maar wederom kreeg Lien amper nog opdrachten, op de radio was ze niet meer te horen. Toen is ze maar voorstellingen gaan maken met volksliederen of liederen van Brechts componisten Hanns Eisler en Paul Dessau. Dessau was een goede vriend, hij woonde hier vlakbij. Voor Lien heeft hij wel tien liederen gecomponeerd. Hij zei altijd: ik sta op het standpunt van de communistische partij van Israël en die is ook tegen de oorlog.’

Rebling ondervond de gevolgen van de anti-Israëlpolitiek zelf: ‘In 1973 stelde ik een televisieprogramma samen over muziek in het antifascistische verzet. Met de Leningrad Symfonie van Sjostakovitsj, Eislers Deutsche Sinfonie en tot slot van Lien het jiddische Partizanenlied. Zoals altijd werden de opnamen van tevoren door de partij abgesegnet. Maar ’s avonds tijdens de uitzending bleek Liens lied geschrapt. Ik heb de televisiedirecteur en de onderminister van Muziek gebeld en kreeg te horen dat het uit tijdgebrek was. Onzin natuurlijk.’

Lien heeft het sluimerende antisemitisme altijd gevoeld, zegt Rebling: ‘Ze zei: er is een onzichtbare muur waartegen ik vecht. En ja, vaak genoeg heeft ze verzucht: laten we weer naar Nederland gaan. Maar hier hebben ze me nodig, vervolgde ze dan. Lien had een missie: het joodse leven zichtbaar maken. Want het is moeilijk een volk te haten als je zijn cultuurschatten leert kennen.’

Nadat de ddr als staat was erkend, kwam er wat lucht. De Reblings gingen nu met hun kinderen op tournee door de Verenigde Staten en zelfs naar Israël. Kathinka heeft in Moskou viool gestudeerd en is, net als haar vader, gepromoveerd in de muziekwetenschap, en Jalda draagt als actrice en zangeres, net als haar moeder, de joodse cultuur uit: ‘De reis naar Israël kwam in 1983 tot stand door de bemiddeling van een man op de Nederlandse ambassade, Jan Boeles, die we van zijn post te Berlijn, ddr, kenden en die daarna in Tel Aviv zat. Voor die reis ben ik persoonlijk toestemming gaan vragen bij partijchef Honecker. De ddr en Israël hadden geen politieke betrekkingen.’

Het mocht. De Reblings traden zelfs op in het Jeruzalemse herdenkingsoord Yad Vashem: ‘Aan het slot vertolkten we het Friedenslied van Brecht/Eisler en Ich bezeuge van Dessau. Na het enthousiaste applaus zei de directeur: “Beseft u wel dat op deze plek nooit eerder liederen in de Duitse taal te horen waren?”’