Donderdag 7 oktober begint het tweede en laatste seizoen van Onze straat, reeks losse spelen (single plays) met de ideale tv-lengte van 45 tot 50 minuten. Het zijn de allerlaatste zes van in totaal 116 films die het samenwerkingsverband van NTR, VARA en VPRO sinds 2004 produceerde. Dertien seizoenen onder de naam One Night Stand, één maal als Centraal en twee maal als Onze straat. Elk spel van de hand van een andere scenarist en/of regisseur (vaak is het scenario ook door de regisseur geschreven, zoals dat in de bioscoopspeelfilmwereld ook veel gebeurt). Wat de twaalf van Onze straat bindt is dat ze, jawel, de straat delen waarin het verhaal zich afspeelt, begint of eindigt. Zoals de films van het eraan voorafgaande seizoen gemeen hadden dat ze zich op, rond of vanuit het Rotterdamse Centraal Station afspeelden. In De straat zit nóg een piepklein verbindend element: de pakketbezorger die in alle afleveringen opduikt, soms verrassend functioneel en/of geestig in het verhaal verwerkt. Functioneel in het meer ernstige, geestig in het komische genre, want de vlag van de drie verzameltitels dekt steeds een zeer diverse lading, variërend van tragedie tot komedie, van realisme tot absurdisme. Hieronder iets over nummer 111, 112 en 113; later over het tweede trio.

Little Amsterdam | Scenario: Pepijn van Weeren, Jörgen Scholtens | Regie: Jörgen Scholtens

Een spel over vreemdelingenhaat onder ‘gewone mensen’. Heel actueel, wat u zegt, maar vergeet de loden zwaarte van de vluchtelingenproblematiek. De vreemdeling is hier de toerist met rolkoffer en de locatie een stadje dat lijdt onder het spreidingsbeleid waartoe de Amsterdamse city-marketeers gedwongen werden door het rampzalige succes van hun wervingscampagnes dat Mokum onleefbaar maakte. Beleid met imperialistische trekken want Zandvoort werd Amsterdam Beach, Muiderslot Amsterdam Castle en zo werden meer provinciale bestemmingen van het hoofddstad-predicaat voorzien, in de hoop de druk te spreiden. Menig bewoner van het fictieve oude stadje waarin ‘onze straat’ ligt, is van het effect daarvan niet gediend en dat zet een aantal tragikomische ontwikkelingen in gang, tot en met fatale afloop. Dat tegen een rolkoffertoerist uit pakweg Ierland of Zweden geschreeuwd wordt: ‘Ga terug naar Amsterdam’ (en dus niet ‘naar je eigen land’) vind ik behoorlijk geestig.

Kern van de vertelling is dat middelbare Lenie de kamer van haar zoon (kapitein op de grote vaart naar eigen zeggen, maar of dat waar is?) aan toeristen verhuurt, wat haar min of meer bevriende buren, overwegend middenstanders van haar leeftijd, maar beter niet kunnen weten, want rolkoffers zijn de kern van toenemend onbehagen – wat zeg ik, verzet. Als de slager een oude dame zijn winkel uit blaft is dat omdat hij weet dat zij openlijk doet wat Lenie stiekem doet. Ze juinen elkaar op in de actiegroep en radicaliseren. Wat Lenie in een buitengewoon lastig parket brengt. Toegegeven, het waarschijnlijkheidsgehalte van de vertelling is piepklein, want de sociale controle in de straat is groot, en dat Lenie over een compleet gastenboek met lyrische bedankjes beschikt (ze is buitengewoon hartelijk, bakt boterkoek, maakt stamppot, sjoelt en speelt rummikub met ze voor de typical-Dutch-ervaring) maakt het een raadsel dat niemand zou weten van haar geheime leven. Al komen haar gasten, toegegeven, niet via de voordeur maar langs de brandtrap. Maar wat zou het? In komedie mag veel. Heel voorzichtig roept ze met de anderen mee tegen een rolkoffertype: Oprotten. Anders gaan ze haar immers verdenken.

Plezier over een misdaadfilm, bloedserieus of humoristisch, dien je niet te spoilen, dus ik laat het erbij qua verhaal. De cast is bepaald niet gering (Anneke Blok, Leny Breederveld, Kees Hulst, Frank Lammers en anderen) en hun schemerige wereld van spaarlampen en legio bruintinten waaraan elke modernisering voorbij is gegaan is consequent toegepast. Het lijkt meer jaren vijftig dan 2020; en zoveel oerhollandse middenstanders in één niet al te welvarend straatje vind je ook nog zelden bij elkaar. Maar een kniesoor… Je valt ervoor of je vreest dat de bewust gekozen oubolligheid toch een klein beetje de productie zelf infecteert.

Loïs Lane | Scenario en regie: Ashgan El-Hamus

Het bloedserieuze verhaal van jonge moeder Loïs en haar puberzoon Jeremy die door Jeugdzorg in een tehuis is geplaatst. Een maatschappelijk werkster komt ter inspectie langs in haar nieuwe woning (Loïs had een verkeerd huisnummer opgegeven, wat haar meteen typeert – niet in domheid maar in lichte tot middelgrote chaos). ‘Mooi’, zegt de vrouw over de keurige jongenskamer. ‘Hij heeft eigenlijk nog nooit een eigen kamer gehad’, zegt Loïs vertrouwelijk, wat genegeerd wordt (slechte professional dus): ‘Je kent de afspraken: je belt ons…’ Scène breekt af. Maar we gaan begrijpen dat Jeremy voor het eerst na lange tijd, op proef, een nacht bij zijn moeder mag logeren. Onder strakke condities, waaronder belcontact. En we zien Loïs, wachtend bij de instelling om hem op te halen. Nerveus in de weer met het haar, plukkend aan rokje en truitje: alsof ze op een minnaar wacht. Zo voelt het ook wel: haar kind de liefde van haar leven. De deur gaat open: de jongen komt met begeleidster naar buiten. Ze lopen naar elkaar toe, maar het gaat Loïs niet snel genoeg: ‘Kom dan.’ Omhelzing. Het eerste fysiek contact van ontelbare aanrakingen die volgen. Apenliefde werd dat vroeger genoemd, als mensen veel aan elkaar zaten, tegen de ooit afstandelijke codes in. Zonder zoetsappigheid trouwens: er zijn, uiteraard, onzekerheden, irritaties, onuitgesproken verwachtingen, wat het alleen maar levensechter maakt. Jeremy begint prompt te vertellen over ‘die jongen met die mes waar die begeleider…’ maar Loïs kapt het af: ‘Straks.’ De begeleidster van de instelling tegen Loïs: ‘Alle afspraken zijn nog met je doorgenomen?’ Ja. Moeder en zoon zitten in de auto. Loïs groet de begeleidster vriendelijk ten afscheid en als het raampje dicht is en ze optrekt, zegt ze: ‘Kutwijf.’ Want zo voelen die bevoogdende middle class types die haar jongen hebben weggehaald en die van alles van haar eisen dus aan. Jeremy lacht. Nu kan het pas echt beginnen voor moeder en zoon.

Dit is het begin en de setting. Pas in de loop van de vertelling wordt duidelijk waarom de jongen uit huis is geplaatst, wat tegelijk, heel knap gedaan, want haast tussen neus en lippen door, de katalysator is voor verdere dramatische ontwikkelingen. Maar eerst zien we hoe verwachtingsvol Loïs hem het nieuwe huis laat zien. ‘Slaap ik niet bij jou?’ is zijn verblufte reactie als hij zijn kamer ziet die Loïs hem trots laat zien. ‘Nee schat, je hebt nu een eigen kamer.’ Jeremy is beginpuber, maar ook nog kind. Dat moeder te lang heeft gemist. Ze gaan de stad in en daar komt alles even goed: hij krijgt een nieuw jack, met (kunst)bontkraag. Dolblij. Zoals ze hem steeds zal overladen met tekenen van liefde, van een helm voor de kartbaan, via bergen suiker op de cornflakes tot aanhalingen. Toch gaat het mis, door haar gebrek aan structuur in kleine en grote zaken. Maar ze krijgt een nieuwe kans. Zie zelf of ze het redt, ze het redden.

Ik vind het een van de beste producties in de lange reeks. Zowel qua script, als qua spel- en filmregie. En casting niet te vergeten. Loïs en Jeremy zijn ongelofelijk goed. Zelfs in voortreffelijk drama dat in jeugdinrichtingen speelt, hoor, zie en voel je vaak dat de actrice/acteur niet uit de sociale laag komt waaruit zij/hij geacht wordt te stammen. Bij ‘Jeremy’ doet dat er niet eens zoveel toe, maar in de complexere rol van Loïs luistert dat nauw. Ik ken de actrice niet en lees in de aftiteling: Tekla Reuter. Even ben ik stupéfait, tot ik besef dat je Thekla Reuten inderdaad anders schrijft. Deze Tekla is (ook) geweldig: in Loïs’ impulsiviteit, nervositeit, onberekenbaarheid, goede bedoelingen. Waarschijnlijk laagopgeleid (Loïs wel te verstaan) maar verre van dom. Falend door ‘gebrek aan beheersing van de drifthuishouding’ (zoals sociaalpsychologen dat noemden) en toch ook domme pech (in het heden van de film, maar geheid ook in haar eigen jeugd). Zoals Jeremy (Jamie van Stelten) ook door het lint gaat, ironisch genoeg uit liefde voor zijn moeder. Loïs vindt tijdelijk troost bij een (ook al geweldig gespeelde) vriendin – het levert bloedmooie scènes op. Maar ja, dan kan het ook weer gierend mis gaan. Tekla Reuter is actrice en geen Loïs-achtige. Maar dat doet ze me volledig vergeten. Wat ook weer alleen kan door kwaliteiten van script/regie. De maakster heeft niet alleen goed bedacht, maar ook heel goed geluisterd en gekeken. Liefdevol bovendien. Je verwacht een dreun aan het einde. Je krijgt, verrassend, iets anders, dat toch geen obligaat happy end is. Intiem. Mooi. Het is de eerste productie die ik van Ashgan El-Hamus zag. Wat een talent uit een getalenteerde familie.

Het meisje dat vervloekt was | Scenario en regie: Zara Dwinger

Alweer onder ‘gewone mensen’, sociaal gezien. Alweer een weinig succesvolle jonge vrouw als hoofdpersoon. Net als Loïs kettingrokend, maar dan ‘shit’ van de bewustzijnsverruimende soort (al lijkt me ‘bewustzijnsvervormend’ hier adequater). De voertaal is voor een groot deel Turks, want Gizem drijft vooral moeder (kapster) en broer (taxichauffeur) tot ergernis en wanhoop. Meestal ligt ze op haar bank de overburen te begluren door een verrekijker. Om ze neer te schieten met denkbeeldig pistool of mitrailleur. Een wezenloos bestaan. Terwijl ze talent moet hebben want ze was toegelaten tot een muziekopleiding. Met een keyboard kan ze uit de voeten, maar ze is weggestuurd vanwege totale indolentie. Blowen maakt meer kapot dan je lief is.

Rear Window heeft ons geleerd dat wie genoeg buren begluurt altijd wel bijzondere zaken op het spoor komt. Wat zeg ik? Misdaad signaleert en met een beetje goede wil oplost. Groter verschil dan tussen Hitchcocks Jeff (James Stewart) en Dwingers Gizem (Sinem Kavus) is nauwelijks denkbaar. En dan tussen Hollywood 1954 en Hilversum 2021 evenmin. En toch gebeurt het. Dat je min of meer gefascineerd blijft kijken. Niet naar een positieve mannelijke held, door beenbreuk aan rolstoel en appartement gekluisterd, maar naar een jonge vrouwelijke loser die het mislukken van haar leven door het roken van amnesia (jawel) tracht te verdringen, wat de mislukking alleen maar versterkt. In passief conflict over haar passiviteit met haar hardwerkende familieleden. Gizem is van de fuck-you-jongerenbrigade, nergens op aan te spreken en hondsbrutaal tegen haar hardwerkende moeder, wat me in Turkse, of Turks-Nederlandse kringen nog een slagje wranger lijkt. Moeder is ervan overtuigd dat haar dochter vervloekt is en daar bestaan occulte remedies tegen. Dus geeft ze haar een amulet-met-oog (‘geloof niet in die shit’ krijgt ze als bedankje) en komt ze met een kennisje aan de deur dat de kunst van het koffiedik lezen beheerst . ‘Serieus? ik lust geen koffie’, waarna Gizem prompt in de coffeeshop koffie gaat drinken. ‘Kun jij koffiedik lezen?’ vraagt de verkoopster daar – want ja, deze film mag een ‘neo-noir’ genoemd worden, gein zit er volop in. ‘Heb je al een nieuwe studie?’ vraagt moeder. ‘Nee, ik ben te druk’. En dat is na een kort stukje film, waarin apathie meester is, al om te grijnzen. Of te janken, als je alles serieus neemt.

Gizeh mag dan niet in het bovennatuurlijke geloven, marathonblowen helpt niet om in de werkelijkheid te blijven, en haar waarnemingen overstijgen regelmatig de normaliteit. Waarbij trouwens ook spiegels zomaar kunnen barsten als ze haar moeder bruskeert, wat de indruk wekt dat mama misschien toch gelijk heeft in haar overtuiging dat er meer tussen hemel en aarde is.

Een lang verhaal kort, want het is zonde deze absurde mysterievertelling ‘weg te geven’. Gizeh rookt en zuipt zich lam na de eerste confrontatie met haar moeder en wie raapt haar van straat op (en wiens jas kotst ze onder?): die intrigerende gozer aan de overkant die ze met regelmaat beloert. Wat hij tot haar schrik gewoon blijkt te weten: hij is niet achterlijk. Maar wel op zoek naar zijn zwarte (!) kat Gucci, die verderop nog een rolletje speelt. Tot haar verbijstering blijkt hij kort daarop plots met de noorderzon verdwenen. Dat raadsel dwingt haar haar lethargie te doorbreken. Niet dat ze stopt met gebruiken, maar nu in combinatie met een queeste. Die nogal wat nieuwe raadsels oplevert. En uiteindelijk een catharsis. Het is een mysteriespel van de modernste soort. Waarin net als in Loïs Lane echt de handtekening van een maakster is te zien.

En dat maakt het zo verdomde jammer dat het NPO Fonds niet op de weg van One Night Stand, Centraal en Onze straat door wilde gaan. Want auteursdrama kom je meer en vaker tegen in de single plays dan in series. O zeker, ‘we’ hebben grote stappen gezet op seriegebied. Maar de ‘kleine persoonlijke stem’ waar de grote Dennis Potter voor pleitte, het tv-equivalent van de arthousefilm, krijgt meer kans en ruimte in het losse tv-spel. Dat ook nog eens een keer kansen biedt, of helaas bood, aan jonge en of beginnende makers. Goed, eerst nog de laatste drie spelen van Onze straat zien en dan een lege plek overhouden.