De Armeense genocide: voorgeschiedenis

‘Onze toorn wordt steeds heviger’

In de overgangsweken van 1914 naar 1915 leden de Turken in de Slag om Sarikamis een forse nederlaag tegen de Russen. Ze weten hun verlies aan ‘het verraad’ van de Armeense bevolking, die het al eerder moest ontgelden en nu helemáál haar borst kon natmaken.

Medium armenie1

Tussen Erzurum en Kars in Oost-Turkije ligt het skioord Sarikamis. Vanaf het monsterlijk grote Çamkar Hotel gaan skiliften naar de toppen van het Allahüekber-gebergte, het ‘God is groot’-gebergte. Tussen de forse pijnbomen door suizen skiërs en snowboarders omlaag tot aan het terras van het hotel. Ik zit op het terras, mijn gezicht naar de zon gewend, een glas warme wijn binnen handbereik. Om mij heen zitten honderden mensen met hun ski’s en boards rechtop in de sneeuw geparkeerd. De strakblauwe lucht, de koude aan wangen en oren, de zon, de takken van de pijnbomen die de dikke sneeuw zo waardig dragen, de Turkse toeristen die met gedempte stem met elkaar praten, de sneeuw die hier zo droog en fijn is dat ze in kristallen uit elkaar valt – het is de perfecte winterdag om later naar terug te kunnen verlangen.

Verderop staan houten tafels en banken. Daar beleven Turkse en Koerdische families het grootste genoegen van hun leven: eten in de open lucht. Ze hebben minikacheltjes bij zich en uit de kachelpijpjes komt rook. Ze koken er water op voor hun glaasjes thee. Boven open vuren braden ze stukken vlees. Anderen hebben kleine butagasflessen meegenomen om op te koken en te braden. Veel vrouwen dragen een hoofddoek en zijn gehuld in een lange saaie jas; de vrome middenklasse.

De skiërs dragen geen hoofddoek en hebben geen baard. Zij zijn net als in Europese skioorden gehuld in pastelkleurige, witte of zwarte pakken. De snowboarders gaan gekleed volgens de mode van dit jaar: geruite jacks, wollen petten tot ver over de oren en met een kleine klep, en een gevoerde, witte of knaloranje broek.

Honderd jaar geleden, in de dagen tussen 22 december 1914 en 5 januari 1915, was het hier geheel anders. Geen vrolijk gedol en gedartel in de sneeuw, maar drie weken van hevige sneeuwstormen en mannen en paarden en kanonnen die de dichtgesneeuwde passen op geduwd moesten worden en vast kwamen te zitten in de sneeuw. Een grote slag die de oprukkende legers van de tsaar moest stoppen en terugdringen. Van de negentigduizend Turkse soldaten die hier vochten kwamen er slechts twaalfduizend levend terug. De rest was doodgevroren, van de honger omgekomen, bezweken aan vlektyfus of gedood door de Russen.

Het gigantische verlies van Sarikamis bepaalde het lot van de Armeense bevolking van wat in naam nog het Ottomaanse Rijk was, maar steeds meer ‘Turkije’ werd. ‘Sarikamis’ leidde tot de Turkse dolkstoottheorie, het geloof in ‘de-verraders-zijn-onder-ons’. In Duitsland liep het geloof dat de Eerste Wereldoorlog was verloren door een dolkstoot van de joden later uit op de vernietiging van zes miljoen Europese joden. In Turkije leidde eenzelfde overtuiging tot de vernietiging van achthonderdduizend tot een miljoen Anatolische Armeniërs, in de geschiedenis bekend geworden als de Armeense genocide.

Het boek met foto’s genomen aan de vooravond van de Slag om Sarikamis geeft een wat reëler beeld van de reden van het verlies. De Turkse soldaten staan naast hun kanonnen redelijk opgewekt te kijken, er ligt nog niet veel sneeuw, maar zelfs van deze afstand in de tijd kun je zien dat het in december 1914 buitengewoon koud was in het Allahüekber-gebergte. Het gebergte is meer dan drieduizend meter hoog en in de winter kan de temperatuur er zakken tot onder de dertig graden Celsius.

De Turken op de foto lijken hun zomertenue aan te hebben. Een korte jas die tot net over de heupen valt, een muts van katoen, geen oor- en halsbescherming, geen handschoenen, een dunne broek met om de onderbenen zwachtels zoals in die tijd koloniale legers droegen, en lage schoenen. De Russische soldaten waren goed op de koude voorbereid: een bontmuts met kleppen om de oren tegen bevriezen te beschermen, dikke gevoerde jassen tot bijna op de enkels en dikke wanten. Toen de slag begon, ging het sneeuwen, zo hevig dat de soldaten geen hand voor ogen konden zien. Hun voeten werden letterlijk klompen ijs. De soldaten vielen in de sneeuw en vroren dood.

De man die verantwoordelijk was voor de erbarmelijke toestand van de Turkse manschappen en hen in Sarikamis aanvoerde, was een kleine man die zichzelf graag met Napoleon vergeleek: Enver Pasja, minister van Oorlog en hoofd van de generale staf. Enver was een van de leiders van het Comité voor Eenheid en Vooruitgang, beter bekend als Unionisten of Jong Turken, die de eens machtige padisjah, de sultan, tot hun marionet hadden gemaakt.

De idee-fixe van de Armeense dolkstoot kwam niet uit de lucht vallen. Plannen om de Armeniërs te deporteren bestonden al langer en pogroms op Armeniërs hadden vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog al aan tienduizenden Armeniërs het leven gekost. In de haat tegen de Armeense bevolking van Anatolië balde zich de existentiële angst van de Ottomanen samen voor de verdere afbrokkeling en de totale ondergang van het rijk.

Vooraanstaande historici van de Armeense genocide en van de Jong Turken, zoals Taner Akçam (Turk), Ugur Üngör (Turkse Nederlander), Sükrü Hanioglu (Turk) en Erik Jan Zürcher (Nederlander), zien de oorzaak van de volkerenmoord diep verscholen in de christelijke opstanden van de negentiende eeuw en de interventies van de Europese grootmachten die erop uit waren de ‘zieke man van Europa’, zoals het Ottomaanse Rijk werd genoemd, zo snel mogelijk ten grave te dragen. Europa legde het Ottomaanse Rijk hervormingen op die christenen gelijke rechten met mohammedanen gaven. Dat was een geweldige dreun voor het superioriteitsgevoel van de laatsten. In een land dat de koran als leidraad voor wetten en regels heeft, hebben niet-moslims (en vrouwen) nu eenmaal altijd een inferieure status.

Aan het begin van de negentiende eeuw strekte het Ottomaanse Rijk zich uit over drie continenten, van Algerije tot Jemen, van Bosnië tot de Kaukasus en van Eritrea tot Basra, met een bevolking van naar schatting dertig miljoen mensen. Maar gedurende de negentiende eeuw verloor het zestig procent van zijn grondgebied. Van de Europese bezittingen ging tachtig procent en van de Europese bevolking zeventig procent verloren. Grote stromen moslims, overlevenden van massaslachtingen door christenen, vluchtten naar Anatolië.

De meeste soldaten waren doodgevroren, van de honger omgekomen, bezweken aan tyfus of gedood door Russen

De Russen veroverden in de Kaukasus grote gebieden op de Ottomanen. Catharina de Grote maakte de Krim tot een Russisch protectoraat. In het Europese deel van het rijk kwam het ene na het andere christelijke volk in opstand tegen de politieke, economische en culturele onderdrukking. Slachtingen onder christenen leidden altijd tot slachtingen onder moslims. De onophoudelijke militaire nederlagen, en vooral het verlies van de Balkan, plus de massale exodus van moslims, legden de basis voor een diepgeworteld gevoel van wraak onder de Ottomanen.

Enver, die van de ene oorlog tegen christenen (Italianen) naar de andere oorlog tegen christenen (orthodoxen) racete, stortte in een brief aan zijn vijftienjarige echtgenote, een nichtje van sultan Mehmed V, zijn hart uit over zijn intense verlangen naar wraak. ‘Overal om je heen zie je de ellende die de meest recente kruistocht heeft veroorzaakt. Als ik je zou kunnen vertellen van de wreedheden die de vijand heeft begaan (…) op slechts een steenworp afstand van waar jij bent, dan zou je begrijpen wat er in de hoofden omgaat van de arme moslims. Maar onze toorn wordt steeds heviger: wraak, wraak, wraak, er is geen ander woord.’

Cadetten van de militaire academies leerden ‘het bloed van moslims die vermoord zijn niet ongewroken te laten’.

De opstanden van de christenen verliepen volgens eenzelfde patroon. Ze raakten een gevoelige snaar in de Europese publieke opinie. Die eiste ingrijpen om humanitaire redenen. De Europese grootmachten kwamen in het geweer en zetten de Ottomanen onder druk om hervormingen ten bate van de christenen in te voeren. De achterliggende reden voor ingrijpen was het ondermijnen en kapotmaken van het Ottomaanse Rijk. In de negentiende en begin twintigste eeuw was het Europese grootmachten er alles aan gelegen het Ottomaanse Rijk in stukken te scheuren.

Moreel was er niets tegen in te brengen om de arme onderdrukte christenen te hulp te komen. Maar het was wel selectief interveniëren. Rusland had concrete plannen om Ottomaanse gebieden in bezit te nemen. Het pan-slavisme, het verenigen van de Slavische volkeren, ook die op de Balkan, had een onweerstaanbare bekoring voor de Russen. De bevrijding van Constantinopel was het levensdoel van de tsaren. De strategische achtergrond was: bezit van de Bosporus en de Dardanellen en zo een eigen toegang verkrijgen tot de Middellandse Zee. Het was een eindeloos lange weg van Sint-Petersburg naar Constantinopel, links of rechts om de Zwarte Zee. Langs de oostelijke weg ronselden de Russen Armeense revolutionairen en deserteurs. Aan de andere kant van het Ottomaanse Rijk, in Roemenië, bedienden de Russen zich van de opstandige orthodoxe christenen om hun doel te bereiken en de sultan van twee kanten in te sluiten.

Engeland, Frankrijk en Italië hadden zelf oog op bepaalde gebieden. Frankrijk nam onder meer wat nu Marokko, Tunesië en Algerije is in. De belangrijkste buit voor de Engelsen was Egypte. Het leek een stoelendans. Iedereen wilde een stuk van het Ottomaanse Rijk voor zichzelf en probeerde tegelijkertijd te voorkomen dat de ander wat innam. Zo was het in het belang van Londen, Parijs en Berlijn om een Russische bezetting van de Bosporus en de Dardanellen te verhinderen. Het maakte de Ottomanen ziekelijk wantrouwig.

Sultan Abdülhamid II, een van de langst heersende padisjahs (van 1876 tot 1909) en de allerlaatste wiens wil wet was, was verantwoordelijk voor de Armeense pogroms van het midden van de jaren negentig van de negentiende eeuw. Ze dragen zelfs zijn naam: de Hamidische Massamoorden. Abdülhamid vond de suggestie dat er Armeens bloed door zijn aderen stroomde een grove belediging. Er werd beweerd dat zijn moeder een Armeense was. Het zou kunnen. Het enige wat over haar bekend is, is dat zij een slavinnetje was en aanvankelijk danste in de hofhouding van Abdülhamids tante. Na de geboorte van haar zoon werd ze een van de echtgenotes van de sultan, maar ze stierf al jong. Ze had een Armeens klinkende naam, kwam uit de Kaukasus en Abdülhamid kon, wat betreft zijn uiterlijk, heel goed doorgaan voor een Armeniër.

De Armeense allergie is nooit overgegaan; de huidige leiders van Turkije lijden er net zo goed onder. Niet lang geleden eiste een kemalistisch parlementslid een dna-onderzoek van Abdullah Gül, president van 2007 tot 2014, naar zijn vermoede Armeense genen. In plaats van de vrouw wegens haar initiatief op haar nummer te zetten, ‘bewees’ Abdullah Gül dat zijn voorouders van beide kanten al zeker vierhonderd jaar Turken en moslims waren. Hij was een volbloed Turk.

Zijn opvolger, Tayyip Erdogan, maakte het tijdens de laatste verkiezingscampagne al even bont met racistische uitspraken. Erdogans ouders komen uit Rize aan de Zwarte Zee, dicht bij de grens met Georgië. ‘Jullie zullen niet willen geloven wat er over mij gezegd is’, riep hij een plein vol aanhangers toe. ‘Ze hebben gezegd dat ik Georgiër ben, en ze hebben nog veel ergere dingen beweerd’, zei Erdogan. ‘Ze hebben me zelfs Armeniër genoemd, maar ik ben een Turk.’

Opperen dat een geadopteerde dochter van Atatürk, de Turkse vader des vaderlands, Armeense was, leidde indirect tot de moord op de Armeens-Turkse journalist Hrant Dink. Hij werd in 2007 op een drukke straat in Istanbul doodgeschoten door een ultranationalistische en fascistische jonge Turk. Dink was door het kemalistische establishment, waaronder de hoogste militairen, eerder veroordeeld wegens belediging van de Turkse natie. De journalist en mensenrechtenactivist had het niet alleen gewaagd de Armeense volkerenmoord van 1915 ‘genocide’ te noemen, maar had bovendien in zijn krant het verhaal opgenomen over de mogelijk Armeense afkomst van Sabiha Gökçen, een van de aangenomen dochters van Mustafa Kemal.

De fobie van sultan Abdülhamid ging zo ver dat hij de woorden ‘Armenië’ en ‘Armeniërs’ niet meer wilde tegenkomen. Kranten en tijdschriften mochten die woorden niet noemen. Boeken waarin Armenië werd genoemd kwamen het land niet in.

De fobie van de sultan ging zo ver dat kranten de woorden ‘Armenië’ en ‘Armeniërs’ niet meer mochten noemen

Op foto’s kijkt Abdülhamid vol hooghartige argwaan de camera in. Niets van zijn innerlijk leven gaf hij prijs aan de buitenwereld. Doodsbang voor een aanslag zette hij in de 33 jaar van zijn bewind nauwelijks een voet buiten zijn paleis.

Sultan Abdülhamid was een reactionair van dezelfde school als zijn tijdgenoten, de Oostenrijkse keizer en de Russische tsaar. Een enorm netwerk van spionnen hield zijn onderdanen in de gaten. Eén op de drie Ottomanen was een spion van de sultan, constateerde de Britse jurist Edwin Pears, die veertig jaar in Istanbul woonde. Abdülhamids achterdocht en angst waren zo groot dat hij zelfs de instituten die hem moesten beschermen wantrouwde. De marine werd dicht bij huis, in de Gouden Hoorn, gehouden. De kanonnen waren van de schepen verwijderd. Het gevolg was dat de Ottomaanse marine niet het verder afbrokkelen van het rijk kon voorkomen. Grote gebieden in Noord-Afrika en in de Middellandse en Egeïsche Zee gingen onder zijn bewind verloren. Hij liet het leger zodanig verzwakken dat het zich, dacht hij, niet tegen hem kon keren. Ook dat liep anders af: uit datzelfde leger kwamen de Jong Turken voort die eerst zijn positie als absolute vorst ernstig verzwakten en hem kort daarna afzetten.

Medium armenie4

Tegenover het groeiend christelijk bewustzijn en nationalisme legde Abdülhamid grote nadruk op de islam en het kalifaat als bindende elementen van zijn mohammedaanse onderdanen en moslims wereldwijd.

Zelf zo bang als een wezel zag Abdülhamid het belang in van angst zaaien om de Armeniërs eronder te krijgen. Hij gaf de Koerden, die met de Armeniërs de oostelijke provincies bevolkten, een vrijbrief om met de christenen te doen wat ze wilden. Bandieten, rovers, plunderaars, stammen en clans werden samengebracht in de hamidiye, Koerdische regimenten. Deze regimenten richtten tussen 1894 en 1896 bloedbaden aan onder de Armeniërs.

Ongetemde Koerden vormden zo’n succesvol wapen dat ze in 1915 door de Jong Turken opnieuw werden ingezet tegen de Armeniërs, deze keer met de opdracht drastischer te werk te gaan dan in de voorgaande jaren negentig. Koerden hadden altijd al huisgehouden onder de Armeniërs en hen uitgezogen, misbruikt en verkracht en nu kregen ze er van de padisjah ook nog een uniform voor en snelle paardjes en kogels en geweren.

Officieel was het de taak van de hamidiye om Russische infiltraties van de oostelijke provincies te voorkomen en het verzet van Armeense revolutionaire bewegingen de kop in te drukken. In werkelijkheid beroofden en vermoordden zij ‘schuldigen’ en ‘onschuldigen’. Op z’n best leefden niet-moslims en niet-Turken naast Turkse moslims; in feite leefden ze langs elkaar heen. Individuele gevallen daargelaten leefden ze nooit met elkaar. Joden en christenen hadden de status van dhimmi en moesten als zodanig een extra belasting betalen boven op wat van ieder werd afgenomen.

Armeniërs in Oost-Anatolië leden onder een derde vorm van uitbuiting: Koerden die voor een deel als nomaden leefden, dwongen Armeense dorpelingen tijdens de lange, strenge winters hun families, hun schapen en hun geiten onderdak te geven. Dikke pakken sneeuw sloten de dorpen met hun Koerdische ‘gasten’ in die periodes van de rest van de wereld af. Pas eind maart trokken de Koerden de bergen weer in. Gedurende de winter hadden ze als sprinkhanen de Armeense boertjes kaalgevreten.

Plunderen was naast schapen- en geitenteelt de voornaamste economische bedrijvigheid van de Koerden. De Armeniërs waren machteloos: als dhimmi mochten zij geen wapens dragen, maar de Koerden waren wel tot de tanden toe bewapend. Nooit werden de Koerdische aga’s en begs, de stam- en clanhoofden, gestraft voor de afpersingen. Zo ging het nu eenmaal volgens de natuurlijke orde van het leven in Oost-Anatolië: Koerden de baas over Armeniërs en Turken over Koerden. De Koerden waren echter zo onhandelbaar dat de Ottomanen hen zelden naar hun hand konden zetten.

Plunderen, verdrijven, in beslag nemen van akkers en velden, het kwam Abdülhamid goed uit. De honderdduizenden Ottomaanse moslims die waren gevlucht uit de nieuwe christelijke koninkrijken en koninkrijkjes moesten voor hun verliezen gecompenseerd worden. Ont-armeniseren van het Armeense Plateau, dat was de oplossing die de padisjah zag. Hoe meer Armeniërs er goedschiks of kwaadschiks verdwenen, hoe meer bouwland en hoe meer hoeven er vrij kwamen voor de mohammedaanse ontheemden uit de Balkan en de Kaukasus.

In juni 1894 bezocht een Ottomaanse belastingfunctionaris het district Sason in Oost-Anatolië, vergezeld van de militaire politie. Hij kwam de aan de sultan verschuldigde penningen innen. Een groep Armeniërs trad hem tegemoet en zei dat ze de staatsbelasting pas zouden afdragen als de staat hen beschermde tegen Koerdische afpersers en uitbuiters. Volgens het verslag van de Britse consul in dit gebied begonnen de functionaris en de gendarmerie de mannen daarop uit te schelden en te mishandelen. De Armeniërs verloren hun geduld en gaven de functionaris en zijn agenten een pak slaag en joegen ze het district uit. In de hoofdplaats van het district liet de belastingambtenaar rapport opmaken van ‘een gewapende Armeense opstand’ waarvan hij het slachtoffer was geworden.

Vrouwen werden verkracht, jonge meisjes als slavinnen verkocht en kleine kinderen als huisslaafjes gestolen

Kort daarop roofden Koerden tweehonderd schapen van Armeense herders uit Sason. Er brak een gevecht uit en de Armeniërs doodden enkele Koerden. De zaak escaleerde. De sultan stuurde legereenheden en de hamidiye. De ‘opstand’ moest worden neergeslagen. Tot het einde van de genocide zouden de kreten ‘De Armeniërs zijn in opstand’ en ‘De Armeniërs werken aan een eigen koninkrijk’ het voorwendsel zijn voor het aanrichten van pogroms en ten slotte volkerenmoord.

De mannen van Sason waren geen partij voor de overmacht van Ottomaanse soldaten en de hamidiye. Vertrouwend op de belofte van amnestie gaven de partizanen zich, voorafgegaan door een priester, over. Maar zoals de Armeniërs keer op keer zouden leren gedurende de hamidische bloedbaden en later tijdens de genocide liep de plechtige toezegging van generaal pardon steeds weer uit op verraad en op moorden, en deze keer in Sason was het niet anders. De priester werd de ogen uitgestoken en vervolgens met bajonetsteken om het leven gebracht. De Armeense mannen moesten toehoren hoe hun wanhopig huilende en kermende vrouwen werden verkracht. Op hun beurt werden de mannen binnen gehoorafstand van de door angst bevangen vrouwen met bajonetten doodgestoken.

‘Het ging van slecht tot erger’, rapporteerde de Britse consul, ‘uiteindelijk werden hier drieduizend Armeniërs gedood.’ Een collega-consul die ter plekke de kapotte en bebloede lijken in ogenschouw nam, meende te zien dat het niet zomaar om een woede-uitbarsting was gegaan. ‘Ik voel me genoodzaakt’, schreef hij, ‘om te zeggen dat [het doel] regelrechte uitroeiing was.’

In heel Anatolië, van Erzurum tot Diyarbakir en van Istanbul tot Van, vermoordden bloeddronken Turken, Koerden en vluchtelingen uit de Kaukasus en de Balkan Armeniërs. En altijd weer werden vrouwen verkracht, jonge meisjes als slavinnen verkocht en kleine kinderen als huisslaafjes gestolen.

Voor het eerst gingen Armeniërs in Istanbul de straat op en vroegen de sultan de bepalingen die het Congres van Berlijn van 1878 hem had opgelegd uit te voeren. Die bepalingen kwamen kort gezegd neer op: geef christenen gelijke rechten als moslims. De vreedzame Armeense demonstratie liep uit op een bloedbad. Politie en soldaten knuppelden demonstranten dood. De islamitische theologische scholen en academies stroomden leeg en de studenten, bewapend met knuppels en stokken, deden vol hartstocht mee aan de razzia’s. Een hele week hielden de slachtingen in Istanbul aan.

En weer ging er een golf van geweld door het land. Van de Zwarte Zee tot Aleppo en van Ankara tot Van werden Armeniërs aan het mes geregen of levend verbrand. Waarschijnlijk tachtigduizend Armeniërs – het kleinste aantal dat genoemd wordt – kwamen om bij de slachtingen van 1894 tot 1896, honderdduizenden raakten dakloos, duizenden Armeniërs bekeerden zich onder dwang tot de islam, honderden dorpen en gehuchten waren in brand gestoken en vernield. In een Amerikaanse krant dook voor het eerst het woord ‘holocaust’ op in de zin van volkerenmoord. ‘Armenian Holocaust’, kopte The New York Times in 1895 boven een artikel van een jonge Amerikaan die de wereld rond fietste en in Anatolië op de vervolging van Armeniërs was gestuit.

Medium armenie2

In de jaren van de hamidische massamoorden groeide het aantal leden van de Ittihat ve Terakki Cemiyeti, het Comité voor Eenheid en Vooruitgang. Deze Jong Turken haatten de sultan evenveel als de Europeanen hem haatten, zij het om andere redenen. Ze eisten herstel van de grondwet van 1876, die Abdülhamid in het begin van zijn regime had afgeschaft. De Jong Turken waren een verzameling jonge mannen opgeleid aan de militaire, medische en bestuurlijke academies van het Ottomaanse Rijk. Ze lazen Franse boeken over de Franse Revolutie, over de principes van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Al op jonge leeftijd waren ze agnost of atheïst. In de empirische wetenschappen, inclusief de nieuwe wetenschap van de sociologie, zagen ze de redding van het lijdende vaderland. Met hulp van de wetenschap, voorop de natuurwetenschappen, zouden de Ottomanen hun achterstand op christelijk Europa inhalen. Sociologie en biologie zouden sociale vraagstukken oplossen. Een geloof dat ontaardde in een ‘medische’ benadering van het Armeense probleem, dat een ‘tumor’ was die moest worden ‘uitgesneden’.

De enorme verliezen van grondgebied, het slechte functioneren van het rijksbestuur, de corruptie die welig tierde, ambtenaren en officieren die hun loon niet kregen terwijl hovelingen niet alleen hun honoraria kregen maar bovendien werden overladen met beurzen vol gouden munten: dat alles was de schuld van sultan Abdülhamid, vonden de Unionisten. De padisjah had het leger verzwakt; door hem ging het rijk kapot. In 1908 grepen ze de macht; zelf noemden ze het revolutie.

Vrij snel nadat zij de macht hadden gegrepen werd duidelijk dat de Armeniërs van de Unionisten evenmin iets te verwachten hadden als van Abdülhamid. En dat ondanks ‘Eenheid’ in de naam van hun partij, die aanvankelijk wel degelijk sloeg op de verbondenheid van alle volkeren en van alle geloven in het rijk. Binnen enkele jaren ging het niet om eenheid in verscheidenheid maar om eenheid als Turken en deed de nieuwe ideologie van een Turks nationalisme zijn intrede.

Zodra ze de macht hadden, weigerden de Unionisten die af te staan. Zoals het toen ging, in het eerste machtsjaar van de Jong Turken, ging het daarna onder Kemal Atatürk ook. Grote woorden over vrijheid en gerechtigheid en iedereen-gelijk-voor-de-wet, maar in de praktijk waren het dictators. Eenzelfde trend is te zien in de politieke carrière van de huidige president Erdogan. Aanvankelijk overtuigde hij de buitenwereld van zijn democratische en tolerante opvattingen, maar eenmaal aan de top van de macht heeft hij alle democratische pretenties laten vallen en heerst als een potentaat, een sultan. We hadden beter Erdogans eigen uitspraak ter harte kunnen nemen: ‘Democratie is als een trein: je stapt uit als je je doel hebt bereikt.’

Een soldaat schreef aan zijn ouders dat hij en zijn maten ‘dertigduizend ongelovige honden hadden gedood’

De dolle vreugde van Ottomaanse burgers in de dagen van de coup was snel bekoeld en sloeg om in kritiek. En daar konden de Jong Turken niet tegen, evenmin als Atatürk en Erdogan. Tegengas werd beschouwd als een persoonlijke belediging en dat kon dodelijke gevolgen hebben voor de criticus. Islamitische geestelijken, sjeiks van de derwisjen en hun volgelingen, gingen tijdens de ramadan van 1908 gewapend met stokken, messen en dolken de straat op tegen de Jong Turken. Ze riepen om sluiting van bars en theaters, verbod op fotografie en beperking van de bewegingsvrijheid van vrouwen. In een daarop volgende demonstratie eiste de islamitische menigte herinvoering van de sharia. Het was duidelijk wat ze daarmee op het oog hadden: christenen en joden terug in de kelder, terug naar hun ondergeschikte positie.

Het jaar daarop, in 1909, ver weg in Adana, in het gebied van het oude Cilicia, vielen de tegenstanders van moderne denkbeelden over wetenschap, rechten van vrouwen, christenen en joden de Armeense bevolking aan. Het mohammedaanse gepeupel beschouwde de Armeniërs als de katalysator van de nieuwe ideeën. Niet vreemd, want Armeniërs in en rond Adana en de andere grote Ottomaanse steden waren beter geschoold dan moslims. Armeniërs in dit deel van het Ottomaanse Rijk werden gezien als de rijkste burgers en inderdaad hadden zij een hoge levensstandaard bereikt. Het was de omgedraaide wereld: christenen lagen boven, moslims onder. Bovendien geloofde de meute dat Armeniërs op het punt stonden opnieuw het Armeense koninkrijk van Cilicia uit te roepen, zoals dat tijdens de Middeleeuwen had bestaan. Voormannen van de reactionaire opstand verklaarden ronduit dat er geen gelijkheid kon bestaan tussen moslims en niet-moslims. Armeniërs, zo werd gezegd, ‘hadden schaamteloos gebruik gemaakt van de vrijheid en gelijkheid die ze nog maar onlangs hadden verworven’.

Heftige emoties losten elkaar af. Het ene moment uitzinnige blijdschap om het herstel van de grondwet van 1876, het andere moment razernij om diezelfde grondwet omdat die alle Ottomanen dezelfde rechten gaf. In die hypergevoelige sfeer was één incident voldoende om massaal een bloedbad aan te richten. In Cilicia doodde een Armeense timmerman twee mohammedaanse bandieten die geprobeerd hadden hem te beroven. Dat was de vonk in het kruitvat van (valse) geruchten dat de Armeniërs op het punt stonden zich meester te maken van de wapenarsenalen van het leger en zich af te scheiden van het rijk en de moslims uit te roeien.

Volgens een ooggetuige was het ook hier de islamitische geestelijkheid die het gepeupel ophitste. Notabelen, officieren van het leger onder wie Jong Turken, officieren van gendarmerie en politie, zelfs de gouverneur van de provincie, namen de leiding van de aanvallen op de Armeniërs op zich. Drie dagen duurde het eerste bloedbad. Voor de kust verschenen Europese oorlogsschepen, wat de woede van de moslims alleen maar aanwakkerde; voor hen een teken dat de loyaliteit van de Armeniërs bij Europa lag, niet bij het rijk. Armeniërs, schreef een Jong Turken-krant, ‘hebben met opzet incidenten veroorzaakt zodat buitenlandse machten een excuus hebben om in de zaken van de Ottomanen in te grijpen’. De Armeense bevolking had de ellende gewoonweg over zichzelf afgeroepen en moslims geprovoceerd tot een bloedige en moorddadige aanval op hen om op die manier het medelijden van christelijk Europa op te wekken en tot ingrijpen te bewegen. Eigen schuld dat ze werden afgemaakt.

Negen dagen later volgde er een nieuwe golf van massahysterie. Opnieuw werden Armeense bedrijven, winkels, werkplaatsen en huizen aangevallen en in brand gestoken. De Jong Turken stuurden troepen om een einde te maken aan de tweede pogrom en daarmee buitenlandse interventie te voorkomen. In plaats van rust en orde te brengen, sloten officieren en soldaten zich aan bij de anti-Armeense meute. Enthousiast schreef een soldaat vanuit Adana aan zijn ouders dat hij en zijn maten zeker ‘dertigduizend ongelovige honden hadden gedood’ en ‘dat het bloed door de straten van Adana stroomde’. Dertigduizend is waarschijnlijk een te hoog aantal; naar wordt aangenomen werden tijdens de twee pogroms in Cilicia vijftien- tot twintigduizend Armeniërs gedood, maar het tekent de bloeddronkenschap van moslims in die tijd.

De werkelijke aanstichter tot wat de Jong Turken de ‘reactionaire tegenrevolutie’ noemden was volgens hen sultan Abdülhamid. Zij grepen de kans en lieten het parlement instemmen met zijn onmiddellijke afzetting. Ondanks al hun bravoure konden de Jong Turken verder verlies van grondgebied niet stoppen. Onder hen ging het even slecht als, of misschien slechter dan, onder Abdülhamid. Bosnië-Herzegovina, Bulgarije, Kreta, de Dodekanesos, Libië, Egypte, gebieden die soms niet meer dan nominaal Ottomaans waren, gingen verloren aan de volkeren ter plekke of aan Europese machten als Italië en Groot-Brittannië. Albanië, grotendeels mohammedaans, werd in 1913 onafhankelijk.

Tussen 1912 en 1913 voerden Servië, Griekenland, Montenegro en Bulgarije, staten die hun onafhankelijkheid op de Ottomanen hadden bevochten en voor korte tijd verenigd waren in de Balkan Liga, een voor de Turken desastreuze oorlog. De Liga veroverde vrijwel alles wat nog over was van Ottomaans Europa. De vijand stond zelfs tot op vijftig kilometer van het hart van het rijk: Istanbul. Een nederlaag van deze omvang toegebracht door voormalige onderdanen was de allerbitterste pil om te slikken.

Ismaïl Enver was razend toen parlement en regering instemden met de concessies die hun door de overwinnaars werden opgelegd. Gefrustreerd bestormden hij en enkele andere officieren op 23 januari 1913 de Sublieme Porte, de zetel van de regering. Iemand – het kan best Enver zelf zijn geweest – schoot de minister van Marine in de borst: dood. De grootvizier werd gedwongen af te treden. De dienst werd voortaan uitgemaakt door de Jong Turken. Vanuit hun midden had een triumviraat de touwtjes in handen: Enver Pasja, de nieuwe minister van Oorlog, Talaat Pasja, minister van Binnenlandse Zaken, en Cemal Pasja, die in de komende wereldoorlog als een brute padisjah over de provincie Syrië zou heersen.

Er vloeide een giftige mix door de aderen van de Jong Turken: gevoelens van vernedering, hulpeloosheid, woede en angst. Het verlies van de status van islamitische grootmacht sloeg de mythe van islamitische superioriteit aan gruzelementen. Een Jong Turk schreef in die dagen dat het ‘bijzonder moeilijk was om te leven onder de heerschappij van onze eigen voormalige onderdanen nadat we honderden jaren het dominante bestanddeel zijn geweest. O! Is het niet beschamend! Hoe kunnen de Ottomanen, die ooit over de wereld hebben geheerst, de ondergeschikten worden van hun eigen herders, slaven en knechten?’

Dat het zo ver had kunnen komen – en daarin namen ze hetzelfde standpunt in als Abdülhamid – was de schuld van de christenen die gelijke rechten en autonomie eisten. Talaat Pasja zei op een bijeenkomst van de Ittihat in 1910: ‘Jullie zijn je er wel van bewust dat de grondwet gelijkheid tussen muzelmannen en gavur (Turks scheldwoord voor christenen – bu) voorschrijft? Maar ieder van jullie weet en voelt ook dat dit een niet te realiseren ideaal is. De sharia, onze gehele geschiedenis, de gevoelens van honderdduizenden muzelmannen, en de gevoelens van de gavurs zelf zijn een onoverkomelijke barrière voor werkelijke gelijkheid. Er kan daarom geen sprake zijn van gelijkheid totdat we erin zijn geslaagd het rijk te ottomaniseren.’

Medium armenie3
Het nieuwe pan-Turkse Rijk zou zich uitstrekken van de Middellandse Zee tot de grote rivieren van India

Ottomaniseren, schreef de Britse ambassadeur die van Talaats toespraak had vernomen aan zijn minister in Londen, ‘betekent turkificeren en alle niet-Turkse elementen in een vijzel verpulveren’.

Turks nationalisme, het geloof in de superioriteit van de Turken, werd uitgewerkt door een man van Koerdische afkomst, Zia Gökalp, een van de eerste Turkse sociologen en een vooraanstaand lid van de Ittihat. Hij werd geboren in Diyarbakir, hoofdstad van Turks Koerdistan, centrum van het huidige Koerdisch nationalisme. Als achttienjarige raakte hij in een identiteitscrisis over zijn Koerdische achtergrond en zijn Turkse toekomst. Hij leek die twee niet te kunnen combineren en dat drukte zo zwaar op hem dat hij een poging tot zelfmoord deed. In de jaren daarna groeide het inzicht dat hij al tijdens zijn psychische crisis begon te krijgen. Taal, cultuur en religie, zo verklaarde hij, zijn de bindende elementen van een volk. Om één volk, en een sterk volk, te kunnen zijn moet iedereen zich schikken naar de meerderheid. De Ottomanen, de zonen van de sultans die de dynastie van Osman hadden gevestigd, waren Turken, net als hun voorgangers, de Seltsjoeken. En daaruit volgde dat de bewoners van het Ottomaanse Rijk allemaal Turks behoorden te spreken en zich de Turkse cultuur eigen moesten maken. Een Turk is een moslim, en als hij een ongelovige is, dan is hij dat binnen de islamitische cultuur. Waar de meerderheid is opgegroeid in de Turkse cultuur moet de minderheid zich conformeren aan die cultuur. Met andere woorden: geen autonomie of speciale rechten voor Armeniërs, Grieks-orthodoxen of Koerden.

In het Ottomaanse Rijk waarover de Jong Turken steeds vaker dachten en spraken als een pan-Turkse staat zouden alleen nog Turken wonen. Koerden zijn eigenlijk Turken, volgens Gökalp: zij zijn ‘medegelovigen die, ook al zijn ze van een ander ras dan de Turken, toch de Turkse ziel bezitten vanuit het perspectief van opvoeding en cultuur’.

Van de Turkse taal en cultuur tot bindend element van een heterogene samenleving was het een kleine stap naar de Turkse taal en cultuur als superieur aan alle andere talen en culturen. Vandaar was het weer een kleine stap om al het andere met wortel en tak uit te roeien: Armeniërs, Grieks-orthodoxen, Souriyani en Koerden – om enkele voorbeelden te noemen van volkeren die lang voordat Turken op het toneel verschenen in Anatolië woonden – werden uitgemoord of wreed onderdrukt door de Jong Turken en hun opvolgers, de kemalisten.

Vooral Enver viel voor het nieuwe Turkse nationalisme waarin een mythische entiteit, ‘Turan’, werd verheerlijkt. Alle Turken verenigd, alle buitenlanders eruit. Turan was het ‘geheel van alle landen waarin Turken leven en waar Turks wordt gesproken’. Dat doel, de Turken van alle landen verenigen, nam in de fantasie van Enver zulke reusachtige vormen aan dat hij zichzelf ging zien als de heerser over het nieuwe pan-Turkse Rijk, dat zich zou uitstrekken van de Middellandse Zee tot de grote rivieren van India.

Rusland stond in de weg van dat grandioze plan. Ruim een jaar na de coup van Enver moesten de Jong Turken al weer een grote vernedering slikken. Dat was het Verdrag van Yeniköy van 8 februari 1914. Daarin dwong Rusland de Turken eindelijk werk te maken van de hervormingen ten bate van de Armeense bevolking van Anatolië. Erger nog was dat de Turken akkoord moesten gaan met een zekere mate van autonomie voor de Armeense gebieden. De oostelijke provincies zouden worden omgevormd tot twee superprovincies. Twee Europese, christelijke inspecteurs-generaal zouden toezicht houden op de uitvoering van de hervormingen. De ene was de Nederlands-Indische bestuursambtenaar Louis C. Westenenk, de andere een Noor. Ze slaagden er niet in hun werk te doen. De Turken hadden dan wel het verdrag over de Armeense hervormingen getekend, ze waren niet van plan geweest het uit te voeren.

Autonomie, in welke vorm dan ook, betekende naar het idee van de Unionisten afscheiding, en Oost-Anatolië van het rijk afsnijden hield de definitieve ondergang van het rijk in. Dat nooit! Met het tekenen van het Verdrag van Yeniköy dacht de Ittihat tijd te winnen. Tegelijkertijd werd er een streep in het zand getrokken. Tot hier en niet verder. Een radicaal antwoord was vereist. Het Armeense probleem zou geen probleem zijn als er geen Armeniërs meer bestonden. Conclusie: liquideer ze!

Zonder ons, waarschuwden Talaat Pasja en Cemal Pasja, geen uitvoering van de hervormingswet. Talaat zei: ‘We zullen niet reageren op de voorstellen van de Europese inspecteurs. De Armeniërs zijn bezig een nieuw Bulgarije te creëren. Zo te zien hebben ze hun lesje niet geleerd. Initiatieven van hun kant zijn gedoemd te mislukken. Laat de Armeniërs maar wachten, onze kans komt nog wel. Turkije is van de Turken!’

Cemal Pasja was nog duidelijker dan de minister van Binnenlandse Zaken en zei onomwonden wat er waarschijnlijk in de hoofden van de andere Jong Turken omging: ‘Als jullie blijven staan op Europese controle zullen wij verplicht zijn die te accepteren. Maar dan zal de moslimbevolking van die zes provincies de wapens opnemen en zullen er drie- tot vierhonderdduizend Armeniërs wreed vermoord worden. Het is waarschijnlijk dat de Russen van de situatie gebruik zullen maken en deze provincies zullen bezetten.’

Inderdaad was Rusland bezig Oost-Anatolië te bezetten. Er was geen reden om te verbloemen, zo had de Oostenrijkse ambassadeur in Istanbul zijn Russische collega horen zeggen, dat met de implementatie van het Verdrag van Yeniköy de verdeling van Turkije in Azië zo goed als een vaststaand feit was. De Turkse historicus Taner Akçam concludeert uit officiële Turkse documenten van dat jaar dat de Jong Turken plannen voor deportatie van Armeniërs gingen maken. Talaat Pasja stuurde een telegram naar alle Ottomaanse provincies waarin hij vaststelde dat ‘het doel van de regering met het deporteren van Armeniërs is: het voorkomen van hun nationalistische acties en de vorming van een Armeense regering’.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog leek de Jong Turken een uitgelezen kans om de Armeense kwestie eens en voor altijd op te lossen. ‘Wij zullen’, had Talaat Pasja in die crisistijd gezegd, ‘de wereldoorlog benutten om definitief met onze binnenlandse vijanden af te rekenen zonder daarbij gehinderd te worden door diplomatieke interventies uit het buitenland’.

Na de oorlog, tijdens zijn ballingschap in Duitsland, schreef Cemal Pasja in zijn memoires over de Turkse oorlogsverklaring aan de Entente: ‘Onze enige doelstelling was ons met deze oorlog compleet te bevrijden van alle boeien, inclusief de hervormingen van onze oostelijke provincies.’

Enver Pasja meende midden in de winter in het hooggebergte met de naam van Allah de Russische opmars tot staan te kunnen brengen. Het werd een grandioze nederlaag: vrijwel het hele Derde Leger werd weggevaagd. Het verlies, beweerden de Unionisten, was de schuld van de Armeniërs die de Turken een dolk in de rug hadden gestoken. Ze moesten letterlijk van de aardbodem verdreven worden.


Dit is deel 1 van een drieluik over de Armeense genocide


Beeld: (1) Ottomaanse soldaten op weg naar het slagveld (Makineli Tüfik). (2) Sultan Abdülhamid II, 1908. (3) 1899. Armeense weduwe met haar kinderen op de vlucht (George Grantham Bain Collection / Library of congress). (4) Armeniërs gedood tijdens de genocide. Foto uit het boek van de amerikaanse ambassadeur (1913-1916) Henry morgenthau sr., gepubliceerd in 1918. ‘Zulke taferelen zag je overal in de armeense gebieden, in de lente en zomer van 1915’ (Henry Morgenthau, sr.).