Essay - Het bedrog van V.S. Naipaul

‘Onze’ ‘universele’ beschaving?

Twintig jaar geleden hield V.S. Naipaul een lezing over onze universele beschaving. Het stemde Anil Ramdas hoopvol: hij dacht dat Naipaul islamitische landen in hun waarde liet. Tot hij er langzaam achter kwam dat het om vulgaire westerse hoogmoed ging.

Medium essay ramdas naipaul

VIDIADHAR SURAJPRASAD NAIPAUL was nog maar net geridderd door koningin Elizabeth II tot Sir Vidia toen hij een uitnodiging ontving van het Manhattan Institute for Policy Research om in oktober 1990 de Wriston Lecture te houden in New York.

De in 1987 ingestelde Wriston Lecture is vernoemd naar Walter Bigelow Wriston, topadviseur van Ronald Reagan en chief executive van Citicorp, later Citigroup. Onder zijn leiding werd het agressieve financiële beleid ingezet dat in 2008 zou leiden tot de diepste wereldwijde financiële crisis sinds de Tweede Wereldoorlog. Deze ‘grootste casinokapitalist aller tijden’, zoals sommige kranten hem noemden, kwam in 2005 te overlijden en kon daarom nergens meer aansprakelijk voor worden gesteld - wat het Manhattan Institute er niet van weerhield de jaarlijkse lezing waaraan zijn naam is verbonden voort te zetten.

Het Manhattan Institute is een gezaghebbende, rechts-conservatieve denktank op Vanderbilt Avenue in New York, die zich ten doel stelt 'ideeën te ontwikkelen en te verspreiden die leiden tot een grotere economische keuzevrijheid en individuele verantwoordelijkheid’. De instelling is vooral beroemd geworden door de lancering van de Broken Window-theorie in 1982, door de medewerkers James Wilson en George Kelling, die inhoudt dat de binnenstedelijke criminaliteit bestreden moet worden door enerzijds het tegengaan van zichtbare verloedering (het verwijderen van graffiti en opknappen van vervallen gebouwen), en anderzijds het inzetten van een overweldigende politiemacht met vergaande bevoegdheden om 'ongewenste personen’ te verwijderen of te detineren. De Broken Window-theorie werd sinds midden jaren negentig met groot succes toegepast door burgemeester Rudolph Giuliani van New York.

Naipaul zou de vierde zijn die de Wriston-lezing hield, na de computerpionier Carver Mead (die de draadloze verbinding ontwikkelde), de schrijver Tom Wolfe en de mediamagnaat Rupert Murdoch. Naipaul zou later worden gevolgd door onder anderen Condaleezza Rice, minister van Buitenlandse Zaken onder George W. Bush, en het ooit van seksuele intimidatie beschuldigde lid Clarence Thomas van het Supreme Court.

Op de uitnodiging die namens het Manhattan Institute was ondertekend door Myron Magnet was als titel opgegeven: 'Onze universele beschaving’. Naipaul wist niet goed wat hij met de uitnodiging of met de opgegeven titel aanmoest. Het liefst gaf hij een lezing over Amerika; zijn boek A Turn in the South was een jaar ervoor gepubliceerd, maar niet ontvangen als een baanbrekend werk. Kennelijk was zijn belangrijkste stelling, namelijk dat de burgerrechtenbeweging de Amerikaanse zwarten voordelen had gebracht maar uiteindelijk ook had gedesoriënteerd en de vroegere eenheid had gebroken, ondergesneeuwd geraakt in de talloze miniaturen die hij op zijn reis door het zuiden had verzameld en zo liefdevol had opgetekend. Daar had hij over willen spreken, over de onverwachte gevolgen van politieke successen. Maar daar wilde Myron Magnet van het Manhattan Institute het dus niet over hebben.

Myron Magnet was in 1990 nog nauwelijks bekend. Zijn eerste en belangrijkste boek, The Dream and the Nightmare: Sixties’ Legacy to the Underclass zou pas in 1993 verschijnen. Hierin beweerde hij dat de grote culturele veranderingen van de jaren zestig, met name de ontkerkelijking, de seksuele revolutie en het feminisme, rechtstreeks verantwoordelijk waren voor het ontstaan van de onderklasse van de Verenigde Staten. George W. Bush zou dit boek later bejubelen als het belangrijkste boek van zijn leven, op de bijbel na. En Bush-strateeg Karl Rove sprak van de grondslag van het zogenaamde 'compassionate conservatism’, het sociaal-conservatisme, dat het theoretische raamwerk vormde van het Bush-tijdperk, waarin christelijk rechts en de Republikeinse Partij elkaar vonden.

V.S. Naipaul belde deze Myron Magnet op met de mededeling dat hij niet begreep wat men met de titel 'Onze universele beschaving’ bedoelde en ook niet wist wat van hem verwacht werd. Hierop stuurde Magnet Naipaul een handgeschreven lijstje vragen die hij graag in de lezing behandeld wilde zien. Naipaul nam de conversatie tussen hem en Magnet integraal op in de inleiding van zijn lezing, en we weten daarom dat het Magnet ging om de volgende vragen: zijn wij als samenleving zo sterk als onze idealen? Is het voldoende om ons geloof en onze ethische beginselen in ere te houden, of moeten we ze verdedigen of zelfs actief uitdragen?

Moeilijke vragen, zei Naipaul in zijn inleiding, vragen die duidelijk voortkwamen uit een zekere ongerustheid, die hij begreep, maar die hij niet deelde.

HIERNA VOLGDE zijn verhaal onder de titel 'Onze universele beschaving’, dat in verkorte vorm verscheen in NRC Handelsblad van 2 februari 1991. Ik knipte het uit en bewaarde het. Ik herlas het elk jaar. Wat mij betreft hield Naipaul een mooi en eerlijk pleidooi voor een open intellectuele atmosfeer, zoals hij het zei, waartegen hij de beklemmingen in sommige islamitische landen afzette.

Hij vertelde over een jongeman die hij elf jaar eerder ontmoette in een stadje op Java. Die wilde dichter worden, maar zijn moeder begreep daar niets van. Ze was een verfijnde, ontwikkelde vrouw, benadrukte Naipaul, maar ze kon zich niet voorstellen dat het mogelijk was iets toe te voegen aan dat immense geheel van klassieke poëzie, heilige geschriften en epische vertellingen dat reeds bestond.

Naipaul zei dat hij de positie van deze jongeman in dat stadje op Java goed begreep. Hijzelf kwam uit een kleine hindoegemeenschap op Trinidad, waarin het geheel van heilige teksten en rituelen als voldoende werd ervaren. Ze leerden je je te verhouden tot het leven en tot de dood, tot familie en tot vreemden; meer hoefde je niet te weten, verder hoefde je niet te zoeken.

De eerste die uit dit gesloten geheel wilde treden, zei Naipaul, was zijn vader. Die wilde schrijver worden, maar miste daarvoor de noodzakelijke intellectuele omgeving, een zekere sensitiviteit, een taal, een vorm, als ook al die andere zaken zoals uitgevers, omslagontwerpers, drukkers, boekwinkels, kranten en recensenten en niet te vergeten kopers en lezers.

Ook zoon Vidiadhar Surajprasad wilde schrijver worden, maar hij begreep dat hij daarvoor het eiland moest verlaten. Dat hij van de periferie van de beschaving naar het centrum ervan moest. Een centrum dat niet op hem stond te wachten, overigens, en hij realiseerde zich dat hij ook wel erg veel vroeg: dat er ruimte werd gemaakt voor hem als persoon, en dat er plaats zou worden gecreëerd in de bestaande literatuur voor verhalen over onbekende oorden, verre gemeenschappen en wonderlijke personages.

OMDAT HIJ een relatieve buitenstander was in Engeland kon hij met frisse ogen en met een zekere onbevangenheid kijken naar zijn nieuwe culturele omgeving. Hij merkte pas langzaam de ongerustheid op, die ook te horen was in de vragen die Myron Magnet hem gesteld had. In die vragen zit een bezorgdheid over andere culturen en beschavingen, die fanatieker en hartstochtelijker zijn dan die waarin Naipaul zich kon ontplooien als schrijver. En later, tijdens zijn grote reizen door islamitische landen, begreep hij de dreiging die uitging van dat fanatisme nog beter. Het begrip 'moslimfundamentalisme’ werd in die tijd, eind jaren zeventig, nauwelijks gebezigd. De wereld was nog trots op de Iraanse revolutie, omdat het een revolutie van onderaf was; in de moderne beschaving werd een revolte van het volk tegen een tirannieke heerser wel gewaardeerd.

Maar de tirannie van het volk bleek vele malen erger. Volgens het islamitische fundamentalisme moest al het voor-islamitische verworpen en vergeten worden, als zijnde een langdurige dwaling. En van elke vorm van zelfonderzoek en zelfkritiek kon worden afgezien, omdat een vrome moslim verondersteld wordt 'af’ te zijn. Aan een goede moslim valt niets te verbeteren.

In zijn lezing citeert Naipaul extensief uit het boek van Nahid Rachlin, getiteld Foreigner. Het gaat over een jonge Iraanse vrouw die in Boston werkt als bioloog en gehuwd is met een Amerikaan. Tijdens een vakantie in Teheran begint ze weerzin te voelen tegen haar leven in Amerika, dat zij beschrijft als een zinloze leegte. Ze wordt steeds nieuwsgieriger naar de islamitische cultuur, die haar niet de loodzware last oplegt van de individuele verantwoordelijkheid, maar haar opneemt in een warm collectief.

Als ze op zeker moment ziek wordt, bezoekt ze een arts, die ook enkele jaren in de VS heeft gewoond. Ze heeft een maagzweer, die de arts 'een westerse aandoening’ noemt. De arts vertelt dat hijzelf hier in Iran eindelijk rust vond in de vele moskeeën en heiligdommen. Ze volgt het advies op van de arts, keert haar stressvolle en betekenisloze leven in Amerika de rug toe, trekt een chador aan en vindt het ware geluk in de talloze moskeeën en heiligdommen.
Naipaul in zijn lezing: 'Deze nieuwe bekering, hoe bevredigend ook, is intellectueel ten diepste verdorven. Al was het maar vanwege de veronderstelling dat ze daar, in die betekenisloze wereld vol gestreste mensen, altijd wel door zullen gaan met het produceren van medicijnen en medische apparatuur, waarvan de arts in Iran zich bedient.’

Het is, kortom, een filosofische hysterie die in de islamitische wereld heerst. Desondanks maakt Naipaul zich niet zulke zorgen als Myron Magnet van het Manhattan Institute. Hij heeft niet het gevoel dat het nodig is onze ethische beginselen te verdedigen of zelfs actief uit te dragen, al was het maar omdat we ons, in navolging van Joseph Conrad, moeten herinneren dat ook onze beginselen onvolkomen, want raciaal getint waren. Op Trinidad, in de koloniale tijd en ook daarna, wist men maar al te goed dat juist dit racisme, dat zo velen buitensloot en minachtte, zich presenteerde als beschaving.

JAAR IN, JAAR UIT kreeg ik bij herlezing grote voldoening in de wending die Naipaul gaf aan zijn verhaal. Alsof hij zei dat er geen sprake was van een universele beschaving, maar dat de beschaving nog universeel moest worden - ja, in zekere zin zelfs nog beschaafd moest worden. Een beschaving die uiteindelijk zou staan voor individuele vrijheid, verantwoordelijkheid en ambitie. Voor begeerte en zelfvervolmaking, en net zo goed voor betrokkenheid en solidariteit. Die beschaving was nog niet overal, misschien was die beschaving nog nergens. Maar het zou ontstaan en het zou uiteindelijk overal komen.

Het was zo'n hoopvol inzicht, twintig jaar geleden, dat het in al mijn werk als schrijver en journalist een belangrijke, leidende rol heeft gespeeld. Tot ik recentelijk het krantenknipsel weer te voorschijn haalde en mijn oog viel op het woord dat ik over het hoofd had gezien: 'Onze’. Waarom ging het over 'Onze universele beschaving’?

Eerder had ik er geen acht op geslagen, omdat ik 'ons’ las in termen van de mensheid: wij de mensheid, de universele beschaving van iedereen die de wereld bevolkt. En Naipaul had tegenover de 'filosofische hysterie’ van de islam en het fundamentalisme duidelijk iets anders geplaatst: hij sprak van 'filosofische schroomvalligheid’. Omdat hij als buitenstaander uit de periferie naar het centrum was gekomen, kon hij met zijn frisse blik niet de angst en het pessimisme ontwaren van mensen als Myron Magnet. Hij zag vooral de terughoudendheid en de twijfel, die elegant overkwam. En die zo radicaal tegengesteld was aan hysterie en drammerigheid. Naipaul nam een cultuur waar die zelfvertrouwen en wilskracht uitstraalde, maar ook bescheidenheid en ingetogenheid. Terwijl de islam alle voor-islamitische herinneringen wegvaagde, onderwierp de moderne beschaving zich aan zelfonderzoek, zelfkritiek, ja, een zekere mate van zelfkastijding soms. Want dat racisme, die slavernij, die onderwerping en onderdrukking van de wereld, dat had echt plaatsgehad. Joseph Conrad had daar op meesterlijke wijze literaire woorden aan gegeven. Historici hadden er talloze bewijzen voor geleverd. Staatshoofden verontschuldigden zich ervoor.

Ik las Naipauls lezing dus als een belofte, als iets wat we met z'n allen moeten nastreven, als een nog niet bereikt doel, dat te bereiken is. In deze incarnatie nog wel.

Maar mijn stemming raakt kennelijk bedrukt. Ik voel me niet meer zo optimistisch als in de jaren negentig. Ergens sinds 11 september 2001, sinds de opkomst van Fortuyn, sinds Hirsi Ali en haar 'liberale jihad’, zie ik ook in deze beschaving een filosofische hysterie opkomen die ik tot ver in de vorige eeuw niet voor mogelijk had gehouden. Zoals ik het bestaan van een partij als de PVV niet voor mogelijk had gehouden. Laat staan dat die partij regeringsmacht zou krijgen. Hoezo 'onze universele beschaving’: de beschaving die men vandaag de dag in Nederland nastreeft, wil alles behalve universeel zijn. Waardoor die ook de mijne niet kan zijn.

Dus weer dat 'onze’. Werd daarmee de mensheid bedoeld, of stak daar iets anders achter? En zo kwam ik erop de precieze herkomst van de verkorte lezing van NRC Handelsblad op te zoeken. En kwam ik op The Manhattan Institute, en op Walter B. Wriston, en op Myron Magnet, die volgens de laatste berichten zelfs zijn sociaal-conservatisme achter zich heeft gelaten en de beweging van de Tea Party omarmt. Aan de oorsprong, aan de intentie voor de lezing van V.S. Naipaul was iets verdachts. Noem het bedrog. Verraad. Platte partijdigheid. Vulgaire hoogmoed.

HET IS TROUWENS niet de eerste keer dat zulke vulgariteit mij choqueerde. De allereerste keer was bij het lezen van de speech van Frits Bolkestein, die hij hield tijdens de Liberale Internationale te Luzern, in september 1991. Ook Bolkestein begon over beschavingen, en hij zei dat iedere beschaving mooie dingen voortbrengt. Hij noemde de Vrijdagmoskee in Isfahan, de gamelanmuziek van Midden-Java en het houtsnijwerk van West-Afrika. Met gevoel voor ironie zei hij dat hij de voorkeur gaf aan een strijkkwartet van Beethoven boven de qawwali-muziek van India, maar ik liet het passeren, vanuit de wetenschap dat de man geen verstand had van qawwali-muziek, deze hoogste uiting van zangkunst uit de soeficultuur, de meest kunstzinnige van alle islamitische stromingen.

Natuurlijk had het Westen de verhouding tussen kerk en staat beter geregeld. Uiteraard was er hier meer vrijheid van meningsuiting. Ook waren er de voortreffelijke beginselen van non-discriminatie en verdraagzaamheid, aldus Bolkestein. Maar wat zo vulgair was, was dat deze belangrijke politicus, die zich presenteerde als een man van de rede, zonder meer uitging van de superioriteit van de beschaving waarin hij leefde.

Nog los van de vraag of hij daarin gelijk had: zoiets zeg je niet als je beschaafd wilt overkomen. Als wezens van Mars de beschavingen op aarde vergelijken en tot de slotsom komen dat de westerse net ietsje beter is, akkoord. Maar vanuit een bepaalde beschaving jezelf superieur verklaren, daarmee val je onherroepelijk uit de beschaving. Hoogmoed is voor de onbeschaafden.

En wat, twintig jaar na dato, te zeggen over die voortreffelijke beginselen van non-discriminatie en verdraagzaamheid? De huidige regering van VVD, CDA en PVV treedt de beginselen met voeten, als het om migranten gaat, als het om moslims gaat. Maar slaat Bolkestein met zijn vuist op tafel, beukt hij met zijn hoofd tegen de muur, omdat zoiets moois en superieurs als de westerse beschaving door een stel kwajongens als Rutte en Wilders wordt besmeurd en onteerd? Nee, hij knort en mort een beetje, over een te grote bezuiniging op cultuur, en dat Wilders is geradicaliseerd, maar dat dit kan gebeuren als je in een isolement verkeert - alsof het nog goed komt met Wilders.

Maar terug naar V.S. Naipaul: hoe precies had hij zich laten vangen door een vulgair type als Myron Magnet? Wat bewoog hem te gaan naar de Vanderbilt Avenue in New York? Had hij ook maar één moment het idee gehad dat een zo subtiel begrip als 'filosofische schroom’ zou worden begrepen? Heeft hij nooit bedacht dat hij alleen was uitgenodigd om de superioriteit van de rijke, overwegend blanke, rechts-conservatieven te bevestigen? En dat de onrust die zij zeiden te voelen tegenover het fanatisme van andere culturen, gebaseerd was op een gelijksoortig fanatisme?

Ik weet dat V.S. Naipaul bepaald geen linkse man is. Hij hecht iets meer aan persoonlijke ambitie dan aan sociale bewogenheid. Hij hecht aan karakter, aan doorzettingsvermogen, aan kennisvergaring en zelfvervolmaking. Elementen van al deze ideeën komen zowel bij progressieven als bij conservatieven voor. Maar van fanatisme en hysterie moet hij niets hebben.

Hij kan met buitengewone aandacht luisteren naar moslimfundamentalisten, rednecks, nationalisten, communisten, hindoe-extremisten, tribalen en misdadigers, en met verrassende tederheid hun verhalen opschrijven. En er toch een fel oordeel over vellen, zoals hij deed bij het verhaal van Nahid Rachlin over de Iraanse vrouw in Teheran. Zijn zachtmoedige benadering van rednecks in A Turn in the South was hem in Amerika nog net niet op hoon komen te staan. Maar Naipaul deed het racisme van de rednecks niet af als moedwillige verdorvenheid; hij zag het als een gevolg van intellectuele beperktheid. Niemand is in essentie racistisch. White trash is white trash omdat het dat is geworden. Omdat het in de steek is gelaten door mensen die beschaving beloofden. Die mensen, degenen die intellectuele bevrijding beloofden, maar de intellectuele bevrijding uiteindelijk in eigen kring hielden, dat waren juist de leden van het Manhattan Institute! Het instituut bestaat uit intellectuele verraders, en Naipaul had zich door verraders laten uitnodigen, hij was in de val van verraders gelopen.

Men kan zeggen dat dit aan de inhoud van zijn lezing niets afdoet. 'Universeel’ kun je blijven lezen als wat nog universeel moet worden, en 'onze’ als verwijzing naar ons, de mensheid. Maar de context van een tekst is belangrijk. Kaviaar genuttigd in een paleis smaakt anders dan wanneer je het in je mond stopt in een wc. Het is guilt by association wat maakt dat de tekst bezoedeld raakt; het is te vergelijken met wat Rutte zei over zijn maatregelen om migratie te beperken. Zijn intentie is een andere dan die van de PVV, maar het pure feit dat de PVV die maatregelen met zoveel hartstocht steunt, besmet de maatregelen als zodanig, en maakt ze fout.

En de mogelijkheid dat Naipaul misschien niet wist wat voor club het Manhattan Institute was, of welke bedoeling Myron Magnet had? Ja, zolang je het niet weet, is er inderdaad niets aan de hand. Ik heb de tekst dan ook jaarlijks herlezen, twintig keer, en telkens met veel voldoening. Maar nu ik het wel weet, is het alsof ik geniet van kaviaar in een paleis, terwijl ik weet dat de ober erin heeft gespuugd.