De neurobiologische basis van God

Onze Vader, die in de hersenen zijt

Amerikaanse onderzoekers claimen dat God zit verankerd in onze hersenstructuur, en dat religie daarom nooit uit ons bestaan zal verdwijnen. We zijn «hardwired for God»; een aantal neurotransmitters meer of minder in bepaalde hersendelen, en de mens zit bij Hem op schoot.

De proefopstelling voor het experiment dat de onderzoekers «een foto van God» moet opleveren, bestaat uit een geluiddichte kamer, kaarsen, wierook, een bolletje wol en een boeddhist met een slangetje in zijn arm. De boeddhist ontsteekt de kaarsen en de wierook, bindt het begin van het bolletje wol rond zijn vinger en begint te mediteren. Het bolletje wol wordt uitgerold tot buiten de deur, waar ook het slangetje onderdoor loopt, en waar de Amerikaanse neurobiologen Andrew Newberg en Eugene d’Aquili aan een pomp met radioactieve vloeistof wachten op wat komen gaat. Als er enige tijd verstreken is, trekt de boeddhist aan het touwtje, ten teken dat hij op het hoogtepunt van zijn meditatieve staat is aangekomen. Direct wordt de pomp in werking gesteld en de boeddhist via het slangetje met de vloeistof geïnjecteerd. Na een kleine pauze wordt de proefpersoon op een gereedstaande hersenscan aangesloten die een fotografische opname maakt van diens hersenactiviteiten vlak na het meditatieve hoogtepunt. De vloeistof toont op de foto aan in welke delen van de hersenen bloed heeft gestroomd, ofwel waar neurotransmitters bezig waren met informatieoverdracht.

Hetzelfde experiment werd herhaald met mediterende personen van andere gezindten, en elke keer toonde de scan hetzelfde patroon aan hersenactiviteiten, schrijven Newberg en D’Aquili in Why God Won’t Go Away: Brain Science and the Biology of Belief. Opvallend was niet een toename van activiteit in bepaalde hersengebieden, zoals te verwachten viel, maar een enorme afname van hersenactiviteit in de lobus parietales, de twee meest naar de buitenkant gelegen hersengebieden, en dan hiervan vooral de boven-achterkant. Hier bevindt zich het zogenaamde oriëntatie- en associatiegebied, het gebied dat verantwoordelijk is voor het plaatsen van de mens in ruimte en tijd. Alle sensorische informatie betreffende de plaats van het lichaam in de omgeving, de verhouding tussen waar vingers eindigen en krant begint, wordt hier verwerkt. Het blokkeren van informatiedragende neurotransmitters die van en naar dit gebied stromen, leidt automatisch tot het wegvallen van het onderscheid tussen het Zelf en het niet-Zelf. Dit is precies wat gebeurt bij meditatie, aldus de onderzoekers: tijdens de trance-achtige staat waarin de meditatie de hersenen brengt, worden informatiestromen van en naar het oriëntatie- en associatiegebied onderbroken, en vervalt gradueel het onderscheid tussen mens en omgeving. Tijdens meditatieve piekervaringen vervalt dit onderscheid helemaal, waardoor Zelf en niet-Zelf in de door de hersenen aangemaakte perceptie van de werkelijkheid volledig samenvallen.

Met andere woorden: het Ik is dan deel van het Al, een omschrijving die door de eeuwen heen door mensen van alle religies is gegeven voor de meer enerverende momenten tijdens meditatie. Van de christelijke mysticus tot de Indiaanse sjamaan, van islamitische soefi’s tot New Age-aanhangers, allen claimen op hun meditatieve hoogtepunt los te komen van hun aardse omhulsel en deel te worden van het Hogere, Alomvattende.

Belangrijk in verband met de vindingen van Newberg en D’Aquili is dat het proces van meditatieve «uittreding» wereldwijd volgens exact dezelfde lijnen verloopt. Al in 1902 legde William James, broer van schrijver Henry James en vader van de godsdienstpsychologie, in zijn fameuze The Varieties of Religious Experience vast waaraan mystieke ervaringen wereldwijd voldoen. Mystici ervaren een staat waarin de peilstok van het intellect nog niet is doorgedrongen. Ze merken dat hun ervaring slecht is uit te leggen aan anderen, dat de bijzondere staat van meditatie waarin Ik en Al versmelten maar zeer kort duurt en dat de versmelting «de individu in kwestie totaal overdondert». Precies de omschrijving die ook de proefpersonen van Newberg en D’Aquili gaven.

«Dit overstijgen van de gebruikelijke barrières tussen het individu en het Absolute, is de grote verworvenheid van de mystici», schreef James. Met de biologische verklaring van Newberg en D’Aquili in het achterhoofd valt het met die verworvenheid wel mee. Volgens hun opvatting is de religieuze ervaring te herleiden tot de biochemische situatie in de hersenen op het moment van de meditatieve piekervaring. Een situatie die met wat training door iedereen is te bereiken, of zelfs via elektronische weg is op te wekken. De Canadese neuropsycholoog Michael Persinger experimenteerde de afgelopen jaren met een helm die door middel van de juiste elektronische prikkels het brein aanzet tot afsluiten van het oriëntatie- en associatiegebied, en aldus de proefpersonen een religieuze ervaring laat beleven.

Meer dan negenhonderd mensen, onder wie een aantal Amerikaanse journalisten die de proef op de som wilden nemen, verklaarden na afloop van de test een «aanwezigheid» te hebben ervaren. Gevraagd naar wat of wie die aanwezigheid was, liepen de verklaringen uiteen, al naar gelang de culturele achtergrond van de testpersoon. Christenen beschreven de Heilige Maagd, islamieten Mohammed, atheïsten hun overleden grootvader en New Age-adepten wezens die doorgaans in «alien abduction»-verhalen figureren.

Voor Persinger is de conclusie helder: alle menselijke ervaringen die worden geschaard onder het paranormale, het buitenzintuiglijke, zijn te herleiden tot toestanden in het menselijk brein. Een idee waar New-Age aanhangers gretig op inhaken, zij het op een manier die niet door Persinger wordt gesteund. Voor hen geldt zijn werk als bevestiging van hun theorie dat de godheid een energieveld is waar men door middel van meditatie deel van wordt. En omdat in de New Age elk middel dat er wetenschappelijk uitziet het doel heiligt, is via internet een variant op Persingers elektrodenhelm voor 250 dollar te koop, om praktiserende «technosjamanisten» te helpen het energieveld te bereiken.

Dit soort oneigenlijk gebruik van wetenschappelijke middelen is niet nieuw. Zo omschrijft William James de door Victoriaanse Engelsen ontwikkelde gewoonte met behulp van narcosemiddelen een religieuze ervaring op te wekken. De schrijver J.A. Symonds prefereerde ether. Hij ziet «God, in Zijn pure, zachte waarheid en absolute liefde», maar dan wijkt de narcose en moet hij toegeven «gefopt te zijn door de abnormale prikkeling van de hersenen». The Varieties of Religious Experience staat vol met dit soort illusies en visoenen, en vergeet hierbij niet naar de pathologische kant van de zaak te kijken. Het is een oude discussie of en hoe hersenziekten en -afwijkingen bijdragen aan zijnstoestanden die tot religieuze inzichten leiden.

William James is nog iemand die dit soort «medisch materialisme» aan de kant schuift als niet ter zake doende, maar met de moderne inzichten in de werking van de hersenen wint het idee terrein dat pathologische aandoeningen als epilepsie en psychose bijdragen aan religieuze bevattelijkheid. De ideeën vallen vooralsnog in de categorie speculatieve wetenschap, maar zijn voor gelovigen verontrustend genoeg. Christus’ gesprekken met God zijn symptomen van een psychose, zo wil een theorie. En Mozes’ gesprek met een engel in de brandende braamstruik een jammerlijke uiting van zijn door epilepsie geplaagde lobus temporalis.

In deze lijn doorfilosoferend kan worden gesteld dat de mensheid zich door een paar verdwaasden behoorlijk in de luren heeft laten leggen. Elke religie begint met een aantal «pattern-setters», zoals William James ze noemt. «Deze religieuze genieën hebben vaak blijk gegeven van instabiliteit, zagen visioenen en toonden allerlei vreemde gedragingen die normaliter onder de noemer ‹pathologisch› worden geschaard.» De sociale omgeving is onder de indruk van het charisma van de geniale voorganger, bouwt een kerk om hem heen, drilt kinderen om van jongs af aan de hersenschimmen van de voorganger voor waar te houden en voilà, een nieuwe religie is geboren.

Voorlopig is de wereld gered van deze blasfemische theorie doordat in onderzoeken als dat van Newberg en D’Aquili nog vele gaten kunnen worden geschoten. Nederlandse deskundigen verklaren desgevraagd niet zo onder de indruk te zijn van het onderzoek en de conclusies. Het is een geaccepteerd gegeven dat in de hersenen visuele en auditieve hallucinaties kunnen worden opgewekt, maar het is erg tendentieus hieraan religieus bewustzijn te koppelen.

Professor Gerrit Glas, psychiater in psychiatrisch ziekenhuis De Zwolse Poort te Raalte en bijzonder hoogleraar reformatorische wijsbegeerte te Utrecht, heeft verschillende bezwaren tegen het onderzoek. De eerste is methodisch. Glas: «Het correlatieve verband tussen de gemeten activiteit tijdens een hersenscan en de religieuze ervaring die de proefpersoon zegt te hebben, bewijst nog geen causaal verband tussen die twee. De veronderstelling van een causaal verband is conceptueel onjuist, al geeft het onderzoek op descriptief niveau natuurlijk zeer interessante informatie. Om er echt achter te komen hoe de hersenen op dit punt werken, zou eigenlijk fysiek moeten worden ingegrepen. Dan zouden bepaalde onderdelen van de hersenen geblokkeerd of geactiveerd moeten worden om te zien of een bepaald proces wel of geen stremming ondervindt.»

Zelfs al zou aan deze methodologische eisen zijn voldaan, dan is er op de inhoudelijke conclusie nog een en ander aan te merken. Glas: «Het is oppassen geblazen met opmerkingen als: ‹En dus is religie niets anders dan een product van een biochemische toestand in de hersenen.› Als deze Amerikaanse onderzoekers er al in geslaagd zijn iets te ontdekken over de gedragingen van onze hersenen tijdens een religieuze ervaring, zegt dat nog niets over gene zijde. De religieuze ervaring is iets anders dan het object van religie, de ten principale transcendente, niet meedeelbare werkelijkheid van de godheid, van welke signatuur die ook is. Het punt is, en daar wordt al sinds de Middeleeuwen door theologen over gediscussieerd, dat de grens naar het buitenzintuiglijke voor de mens niet te overbruggen is. Wat dat betreft brengt dit onderzoek ons geen stap verder.»

Al blijft het wetenschappelijk bewijs dus mager, het speculeren is niet minder interessant. Wat als Jeanne d’Arcs hemelse visioenen persoonlijke hallucinaties zijn, zoals recent onderzoek beweert? Creëerden haar hersenen God of is het omgekeerde het geval: creëerde God haar hersenen?

Andrew Newberg, Eugene d’Aquili, Why God Won’t Go Away: Brain Science and the Biology of Belief

Ballantine Books. Verschijnt dit voorjaar in een Nederlandse vertaling bij uitgeverij Het Spectrum.