Italië pakt de misdaad niet zo hard meer aan

Onzegbare afspraken

De Italiaanse president Giorgio Napolitano wordt op 28 oktober verhoord over het pact tussen maffia en staat dat 22 jaar geleden het leven kostte aan de twee grootste anti-maffiastrijders die Italië heeft gehad: de onderzoeksrechters Giovanni Falcone en Paolo Borsellino.

Medium maf

Trotyl en nog eens trotyl. En twee keer Palermo, 22 jaar geleden. Giovanni Falcone (53) werd op 23 mei 1992 samen met zijn vrouw en drie veiligheidsagenten op weg van het vliegveld naar de stad van het wegdek geblazen. Op 19 juli 1992 ging Paolo Borsellino (52) de lucht in, samen met vijf veiligheidsagenten. De trotyl was verstopt in een Fiatje 126 op de parkeerplaats voor het flatgebouw van zijn moeder. De parkeerplaats zag eruit als Beiroet. Van Falcone, de man die het onderzoek naar de mafia (zoals de Italianen schrijven) in Italië uit de kinderschoenen naar Amerikaans niveau had getild, bleef alleen een gapende, walmende krater over. De springstof was verstopt in een rioolbuis onder de snelweg.

De moorden waren bedoeld als statement. Niets was aan het toeval overgelaten. De daders kenden de gewoonten van de slachtoffers op hun duimpje. Falcone vloog ieder weekend met een geheime regeringsvlucht van het ministerie van Justitie in Rome, waar hij zich niet thuis voelde, naar zijn geboortestad Palermo. Hoe laat exact werd kort van tevoren binnen zeer beperkte kring bekendgemaakt. Maar omdat alles zich altijd voltrok volgens hetzelfde stramien was het voldoende om de vaste veiligheidsagenten van Falcone in Palermo in de gaten te houden. Toen de colonne met zwaailichten die zaterdagmiddag 23 mei richting vliegveld Punta Raisi vertrok, wist wie weten moest genoeg en konden de orders via – toen nog – walkie-talkie’s worden doorgegeven: ‘Hij komt eraan, iedereen in positie.’

Hetzelfde gold voor Paolo Borsellino, die iedere zondag na de lunch het traditionele bezoekje aan zijn moeder kwam afleggen, als goede zoon van het zuiden. Zo exact wisten de daders hoe laat hij zou komen dat ze het commando waarmee de met trotyl volgestouwde gestolen Fiat 126 moest worden ontstoken hadden verstopt in de intercom van het flatgebouw. De eerste die zou aanbellen bij moeder Borsellino zou de bom activeren, en er was geen twijfel wie die eerste zou zijn. Zo dicht zaten de daders op de huid van de twee belangrijkste anti-maffiastrijders die Italië ooit heeft gehad. En de daders waren natuurlijk de mannen van ‘Cosa Nostra’, ‘Onze Zaak’, oftewel de Siciliaanse maffia. Wie anders?

Juist die beklemmende vraag – wie anders? – is de reden dat een delegatie van de rechtbank van Palermo zich op 28 oktober aanstaande naar het Quirinaal, de zetel van de president van de republiek in Rome, zal begeven. Om de 89-jarige president Giorgio Napolitano te verhoren, tot zijn verontwaardiging. Aanleiding voor het verhoor is het volgende zinnetje: ‘(…) dringt de angstige hypothese zich aan me op dat ik alleen werd beschouwd als een naïeve kantoorklerk die diende als schild voor onzegbare afspraken’.

Het zinnetje is afkomstig uit een brief van een naaste medewerker van president Napolitano. Loris d’Ambrosio was de presidentiële adviseur op het gebied van justitie, na een imposante carrière als onderzoeksrechter van de georganiseerde misdaad, raadsheer van het Hof van Cassatie – de Hoge Raad – en rechterhand van Giovanni Falcone op het ministerie van Justitie. Een jurist van onkreukbare reputatie en onomstreden verdiensten in de strijd tegen het kwaad. Des te meer leed D’Ambrosio onder het feit dat hij in de zomer van 2012 ineens verdacht was. In het onderzoek dat het Openbaar Ministerie van Palermo had geopend naar La Trattativa – de onderhandeling tussen maffia en staat – kwam de naam van D’Ambrosio veelvuldig voor.

Uit afgeluisterde en breeduit in de kranten gepubliceerde telefoongesprekken bleek dat D’Ambrosio een willig oor was geweest voor de klaagzangen van Nicola Mancino, de minister van Binnenlandse Zaken tijdens de bloedige jaren 1992-1994. In die jaren zou ‘de onderhandeling’ zich hebben afgespeeld, oftewel de voorwaarden die Cosa Nostra aan de staat dicteerde, brutaal kracht bij gezet met de spectaculaire moorden op de twee hoofdvijanden Falcone en Borsellino, een enorme bomexplosie in het historisch centrum van Florence, en nog twee andere bommen in Rome. Wij maken hier de dienst uit, was de boodschap.

Nicola Mancino (83) kan zich een hele hoop niet meer herinneren van de periode tussen 1992 en 1994. Zijn geheugenverlies over precies die jaren steekt ongeloofwaardig af bij de hoge posities die hij daarna nog mocht bekleden: van 1996 tot 2001 voorzitter van de Senaat, en van 2006 tot 2010 voorzitter van het Consiglio Superiore della Magistratura (csm), het grondwettelijke hof. Het csm is de terminal van de wetgevende en uitvoerende machten van de Italiaanse democratie, zoals drievoudig premier Silvio Berlusconi meer dan eens heeft gemerkt. Zijn fantasievolle wetsideetjes op maat om uit handen van justitie te blijven kwamen er niet door bij het csm.

Hij kan niet aan dementie hebben geleden, Nicola Mancino, toen hij Paolo Borsellino twee dagen voor diens dood in die hete julimaand van 1992 op zijn ministerie in Rome ontmoette. En toch kan hij het zich niet meer herinneren. De afspraak staat genoteerd in zijn agenda, de weduwe Borsellino heeft getuigd dat haar echtgenoot de nieuwe minister had ontmoet, en zelfs de belangrijke spijtoptant van Cosa Nostra, Gaspare Mutolo, die Borsellino op die dag in Rome urenlang had verhoord, kan het zich herinneren. ‘Il signor giudice kwam zeer geagiteerd terug van zijn ontmoeting met de minister. Alsof er iets fout was gegaan. Maar dat ging hij mij natuurlijk niet uitleggen.’

Voormalig minister van Binnenlandse Zaken Mancino is inmiddels officieel beschuldigd van valse getuigenis in het onderzoek over die jaren. Maar dat was hij in de zomer van 2012 nog niet, en daarom bestookte hij de adviseur van de president Loris d’Ambrosio met smeekbedes om die ‘prutsers uit Palermo’ een halt toe te roepen. Want dat kan de president van de republiek doen, middels een inspectie van het csm, waar hij het overkoepelende hoofd van is. In halve zinnetjes en toespelingen lijken Mancino én D’Ambrosio zich beiden bewust van het feit dat er grotere belangen op het spel staan dan het kinderachtige gedoe van het OM van Palermo, met zijn Trattativa. Jongens toch, als de zaken zó simpel zouden liggen!

Napolitano gaat niet weg­komen met zijn ‘ik heb nooit met mr. D’Ambrosio gesproken over zaken uit het verleden’

Hoe het precies zat en zit tussen maffia en staat in Italië, daar weten de uitgestreken mannen van de instituties veel meer van dan jullie, maar we gaan het jullie zeker niet aan de neus hangen. Dat zijn de indicibili accordi – de onzegbare afspraken – waarop D’Ambrosio zinspeelt in zijn ontslagbrief aan de president van de republiek Giorgio Napolitano. De brief is van 18 juni 2012, op 26 juli 2012 overlijdt de nog maar 65-jarige Loris d’Ambrosio aan een plotselinge hartaanval. Op de een of andere manier overlijden mensen in Italië vaak op strategische momenten, zonder dat je daar een conclusie aan mag verbinden. Giorgio Napolitano nam diep bedroefd deel aan de begrafenis van Loris d’Ambrosio en had het over ‘een grote persoonlijke vriend, een trouwe dienaar van de staat, die ten onrechte door het slijk is gehaald’.

Maar daarmee was de president van de republiek nog niet van het OM van Palermo af. Nu werd het natuurlijk helemaal interessant, wat wijlen D’Ambrosio had bedoeld met die ‘onzegbare afspraken’. Vergeefs schreef Napolitano in november 2013 een brief aan het hof van Assisen van Palermo, dat moest beslissen over de wrikkende vraag of de president van de republiek als getuige kan worden opgeroepen. De president zit als hoogste vertegenwoordiger van de staat in een ijzeren pantser van grondwettelijke onschendbaarheid dat slechts bij allerhoogste uitzondering kan worden opengebroken. ‘Ik beschouw het als mijn plicht u te wijzen op de bijzondere omstandigheden die mij ertoe hebben gebracht om de ontslagbrief aan mijn adres van mr. Loris d’Ambrosio publiek te maken. Ik was daartoe niet verplicht, ik heb het gedaan in naam van de maximale transparantie, uit respect voor het menselijke en morele dilemma waarin mijn adviseur D’Ambrosio zich bevond’, schreef Napolitano aan het hof van Assisen.

Het is waar. De president heeft uit eigen beweging een brief van een medewerker in het nauw publiek gemaakt na diens dood. Dat is op zich zeer prijzenswaardig. Maar dat hij echt niet weet waarop D’Ambrosio doelde, gelooft het OM van Palermo niet. Daarvoor is Napolitano – ‘my favourite communist’ noemde Henry Kissinger hem in de Koude Oorlog – te veel vervlochten met de haarkloven van het systeem Italië. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog stond hij altijd overal met zijn neus bovenop en hij werd door Amerika beschouwd als de meest redelijke, de meest ‘staatsbelang-gevoelige’ van de grootste en gevaarlijkste communistische partij van het vrije Westen, de Partito Comunista Italiano.

Tweemaal achter elkaar unaniem door het parlement tot president van de republiek worden gekozen, met een enthousiaste Berlusconi voorop, gebeurt ook niet zomaar. De stokoude communist Giorgio Napolitano werd in 2013 voor zijn tweede presidentstermijn van zeven jaar gekozen, een unicum in de geschiedenis van de Italiaanse republiek. Dan ben je meer dan je functie. Dus Napolitano gaat niet wegkomen met zijn ‘ik heb nooit met mr. D’Ambrosio gesproken over zaken uit het verleden’. Over zaken die je al weet hoef je niet te spreken, dat doen alleen domoren. En Napolitano is beslist geen domoor.

Medium maf2

Het verhaal van La Trattativa laat zich het best vergelijken met de traditionele overstroming van Genua, die ook deze herfst weer tot enorme schade heeft geleid. De ingekapselde, deels onderaardse rivier Bisagno, die dwars door het centrum van Genua loopt, barst bij het losbreken van de steeds heviger regenbuien van de laatste jaren uit zijn voegen via de afvoerputjes van het historisch centrum. Het is een spectaculair gezicht: grote geisers van modder, prut en water die in no time een rampgebied maken van wat een uur daarvoor nog een fotogeniek stadsstraatje met oude winkeltjes was. De reden is de mens, of specifieker gezegd de Italiaanse mens, die de hoge bergflanken die Genua omringen ondoordacht heeft kaalgekapt en volgekwakt met cement, de natuurlijke afvoerkanalen van het water incluis, want dat kon het best lijden. Het gaat altijd om het gewin van hier en nu, niet om dat van morgen, in Italië.

Op dezelfde manier is de waarheid omtrent het ware waarom van de dood van de twee grootste anti-maffiastrijders die Italië ooit heeft gehad 22 jaar na dato ineens uit zijn putjes gebarsten. Een enorme geiser van modder en prut die niet meer te stoppen valt. De verwoestende gevolgen van deze ingekapselde waarheid beginnen nu pas door te dringen. Paolo Borsellino wist in de krap twee maanden die hem nog restten dat hij ten dode was opgeschreven, na de moord op zijn collega en geestelijke tweelingbroer Falcone. Maar hij heeft zijn leven met die wetenschap niet kunnen redden. Hij stond er alleen voor, verlaten door de staat, en door de enige met wie hij zijn wetenschap had kunnen delen. Hij was aangeschoten wild, aan zijn lot overgelaten in Palermo, wat op zich al alles zegt. Palermo was op dat moment niet de handigste plek om doelwit nummer één van de maffia, Falcone’s enige erfgenaam, te laten ronddolen. De rookpluimen van de krater op de snelweg hingen nog over Palermo.

Giovanni Falcone had zich in 1991 laten verleiden tot het schrijven van een boekje dat Cose di Cosa Nostra (Zaken van Onze Zaak) heet. De Italië-correspondente van Le Nouvel Observateur, de Corsicaanse ijzervreter Marcelle Padovani, had hem zo gek gekregen. Dankzij haar bijzondere band met de meest onbenaderbare man van Italië had hij haar toegestaan om een soort maffia-abc te schrijven dat was gebaseerd op zijn dertigjarige ervaring in de frontlinies van de strijd tegen Cosa Nostra. Voor in het boekje staat een citaat van Falcone: ‘Je sterft meestal omdat je alleen gelaten wordt of omdat je in een spel dat groter is dan jij terecht bent gekomen. Je sterft omdat je niet over de nodige allianties beschikt, omdat je niet de nodige ondersteuning krijgt. Op Sicilië treft de maffia die dienaars van de staat die de staat niet heeft weten te beschermen.’

Met terugwerkende kracht stijgt het schaamrood me naar de kaken voor het interview dat ik in oktober 1991 – zeven maanden voor zijn dood – met Falcone had op het ministerie van Justitie van Rome. Niet omdat het geen mooi verhaal is geworden. Het Parool was zeer tevreden. Maar omdat ik tegenover een ten dode opgeschrevene zat die, vond ik, zo stúg deed. Dat leek mij toen, op mijn 27ste, de belangrijkste observatie. De toegang tot zijn kantoor op het ministerie was een gepantserde deur, die alleen Falcone van binnenuit met een knopje op zijn bureau kon ontgrendelen. Hij was weggeparkeerd in Rome als ‘directeur strafzaken’, een speciaal voor hem gecreëerde functie, zo ver mogelijk van de core business op Sicilië, waar hij in de weg zat. Het was een aanfluiting dat hij niet was benoemd tot nationale anti-maffiaprocureur, een functie waar niemand meer dan hij voor in aanmerking kwam.

De strijd tegen de maffia is gefragmenteerd, ieder beschermt zijn eigen gebiedje om op tv te komen

Het coördineren van de strijd tegen de maffia, waarvan het machtscentrum in die jaren nog op Sicilië lag, was Falcone op het lijf geschreven. Maar hij werd gezien als te lastig, te eigenzinnig, te weinig meebuigend. Voor hem in de plaats was een keurige Toscaan benoemd, die alleszins zijn best heeft gedaan, maar die natuurlijk nooit in de buurt kon komen van Falcone’s kennis van zaken en gevoel voor de codetaal van de maffia. Falcone had het beroemde maxi-proces (1986-1987) tegen de maffia samen met Don Tommaso Buscetta, ‘de boss van de twee werelden’ – Sicilië en Amerika – na jarenlange verhoren van de grond weten te krijgen. Honderden maffiosi die zich onaantastbaar waanden verdwenen razend achter de tralies. Falcone was binnengedrongen in een hermetisch gesloten wereld die niemand anders dan hij had kunnen ontsluiten. Amerika zond kopstukken van de fbi naar Palermo om van Falcone te leren hoe je dat deed. En nu zat hij op het ministerie in Rome, wat helemaal niet was wat hij bedoelde, tegenover een Nederlands meisje dat hem vanuit _Godfather-_romantiek vragen stelde. Hij was stug, ja. Gek.

Tot mijn verontschuldiging kan alleen worden aangevoerd dat de ware context van die laatste maanden van Falcone in Rome niet alleen mij totaal ontging. De schijnwerpers richtten zich op de rechtbank van Milaan, waar ‘de Steekpenningenpool’ zich warm liep langs de zijlijn. Een paar maanden later zou het hele politieke systeem dat Italië had geregeerd vanaf de Tweede Wereldoorlog worden ontmanteld. De Berlijnse Muur was gevallen, machtsevenwichten van decennia waren niet meer nodig. De onaantastbare positie van de christen-democraten in Italië, altijd van harte gesteund door Amerika, dat geen bezwaar had tegen de Siciliaanse maffia als dragende pilaar onder de DC, stortte als een kaartenhuis in elkaar. En daar houdt de maffia niet van, niet weten wie de baas is in de wereld waar ze zaken mee moeten doen. De echte baas zijn zij natuurlijk, maar dat is Onze Zaak, ‘Cosa Nostra’.

Springend en glijdend over de drijvende ijsschotsen van instortende zekerheden en politieke machtsbolwerken trachtte Cosa Nostra de overkant veilig te bereiken. Er was maar één zekerheid: wat die infame (vervloekte) van een Falcone had gedaan, geholpen door die andere infame Borsellino, moest ongedaan worden gemaakt. Het was zaak snel toe te slaan in het ontstane machtsvacuüm van Italië. Als niemand de baas is, laten wij van Cosa Nostra wel even zien wie de baas is. En zo kon het gebeuren dat achter de rug van Falcone en Borsellino allerlei onderhandelingen plaatsvonden die de zwaar verscherpte strafmaatregelen tegen veroordeelde maffiosi (de wet 41 bis), het beschermingsprogramma voor maffiosi die wilden samenwerken met justitie, kortom alle dingen waar Falcone voor had gestreden, ongedaan moesten maken.

Hoe die onderhandelingen precies in hun werk gingen is een enorm ingewikkeld verhaal, maar gelukkig heeft de scherpe Sabina Guzzanti (51) er net een docu-fictie over gemaakt. Haar La Trattativa wierp begin september hoge ogen op het filmfestival van Venetië en draait nu in de Italiaanse bioscopen. De waarheid in Italië ligt de afgelopen jaren in handen van cabaretiers. Sabina Guzzanti is een collega van Beppe Grillo, en heeft, net als Grillo, na jarenlang groot landelijk succes als politieke cabaretière, het serieuze pad gekozen. ‘De feiten, niets dan de feiten’, zegt ze zelf over La Trattativa. Het eenvoudig op een rijtje zetten van de feiten leidt tot een onthutsend beeld van hoe het tussen 1992-1994 ongeveer gegaan moet zijn. En je kunt er zelfs in zekere zin nog om lachen, al is het helemaal niet om te lachen dat Falcone en Borsellino cynisch zijn geofferd op het altaar van het ‘algemeen belang’ dat alleen onder een groepje ingewijden bekend was. Zij bepaalden wat het algemeen belang was, de rest van het land had geen idee.

Dat il capo dei capi Totò Riina (83), degene die in 1992 het commando voor de aanslagen heeft gegeven, nog bijna de poorten van het majestueuze Quirinale was komen binnenschrijden om aanwezig te zijn bij de getuigenis van de president van de republiek is geen grap. Het leek er even op. Want vanwege de vierkant kwadraat driedelige splitswortel van het recht mocht Riina daar aanspraak op maken, als ‘betrokken partij’. Maar daar heeft het hof van Assisen van Palermo op het laatste moment een stokje voor gestoken. De wegens een honderdtal moorden – waaronder die op Falcone en Borsellino – tot driemaal levenslang veroordeelde capo dei capi blijft gewoon in zijn gevangenis in Ascoli Piceno.

Allemaal mannen van boven de tachtig: Giorgio Napolitano (89), Nicola Mancino (83) en Totò Riina (83). Het verleden, kortom. Vandaag is de Siciliaanse Cosa Nostra een zieltogende tak van de als nooit tevoren florerende maffia BV Italië. Cosa Nostra is verslagen, en dat kan zeker postuum voor een deel op conto van Falcone en Borsellino worden geschreven. Maar voor het andere – en waarschijnlijk belangrijker – deel is het de ‘verdienste’ van de Calabrese ’Ndrangheta, die de leidinggevende positie glorieus heeft overgenomen.

De omzet van de Italiaanse maffia BV stijgt ieder jaar, altijd. Momenteel wordt hij op 138 miljard geschat. Lastig uit te rekenen, want er wordt uiteraard geen aangifte gedaan. Met de jaarlijkse condono (belastingkwijtschelding) die ook de huidige regering-Renzi weer op het programma heeft staan, net als zijn voorgangers Berlusconi en Monti, zal een nauwkeuriger schatting kunnen worden gemaakt. Miljarden zwart (maffia)kapitaal dat op geheime buitenlandse bankrekeningen staat geparkeerd mag dankzij de condono voor een boterzacht prijsje legaal worden teruggebracht naar eigen land. Witwassen via de staat, wat de maffia uitstekend uitkomt. Want al dat geïnvesteer in het buitenland blijft toch een riskant gedoe. Daar kan de eigenaar van pizzeria Casa di David aan het Amsterdamse Singel van meespreken. De in Rome geboren Marc B. werd op 31 juli van dit jaar op verzoek van de Italiaanse autoriteiten in Amsterdam gearresteerd omdat hij Casa di David als dekmantel voor grootscheeps drugsverkeer met Calabrië zou gebruiken. Samen met Marc B. werden nog vijftien andere ’Ndrangheta-medewerkers verspreid over Nederland en Duitsland gearresteerd.

Probleem is dat niemand meer weet wat er precies gaande is. De ’Ndrangheta is nog veel hermetischer dan Cosa Nostra. Ze zijn stilletjes opgekomen vanuit het niets, schaapherders die telgen van rijke industriële families uit het noorden van Italië vasthielden in grotjes in het Aspromonte-gebergte voor het losgeld. Cosa Nostra lachte daarom, want die zaten al hoog en droog in de internationale drugs- en wapenhandel. Laat die boeren uit Calabrië maar lekker knoeien met hun grotjes. Nu lacht de ’Ndrangheta waarschijnlijk om Cosa Nostra, maar daar kom je niet achter. Er is geen Falcone, geen Borsellino, om mee te praten. De strijd tegen de maffia is gefragmenteerd, uit elkaar gespat, ieder beschermt jaloers zijn eigen gebiedje en probeert op tv te komen om – wie weet – een ministersfunctie te krijgen. Of anders een eigen partijtje op te richten, zoals vele mindere collega’s van Falcone en Borsellino al zonder succes hebben geprobeerd.

De feiten, niets dan de feiten, zijn onomstotelijk. De hardere aanpak van de maffia die onder Falcone en Borsellino tot grote resultaten heeft geleid is de afgelopen 22 jaar geleidelijk, wetje voor wetje, maatregel voor maatregel, teruggedraaid. En de Italiaanse maffia floreert als nooit tevoren met de ’Ndrangheta als machtigste criminele organisatie van Europa. Daar zal het verhoren van president Napolitano niets aan veranderen, als hij zich al iets zal herinneren.


Beeld: (1) Giovanni Falcone en Paolo Borselino, 27 maart 1992, Palermo (tuttoperlascuola.files.wordpress). (2) De weg van het vliegveld naar Palermo na de aanslag op Giovanni Falconi, 24 mei 1992 (Scorcelletini / Gamma / HH).