‘Landverraad’, ‘dood door schuld’ en ‘massamoord’ – zomaar een aantal kwalificaties die FvD-Kamerlid Gideon van Meijeren eind november verbond aan het huidige coronabeleid. Leden van het kabinet zouden ‘verdachten’ van deze ‘misdrijven’ zijn. De rechter moest daar een oordeel over vellen, stelde hij bij de behandeling van de justitiebegroting. Een week eerder wilde zijn FvD-collega Pepijn van Houwelingen juist nog de bestaande rechtsorde opzijschuiven ten behoeve van speciale corona-‘tribunalen’.

pvv-Kamerlid Gidi Markuszower kon het niet laten om in te haken op deze nieuwe extreem-rechtse fantasie. Ook hij wilde een ‘tribunaal’, meldde hij in het justitiedebat, maar dan voor het migratiebeleid, als ‘grote misdaad tegen het Nederlandse volk’. Nederlanders worden ‘vertrapt’, ‘gelukszoekers’ uit ‘achterlijke Midden-Oosterse zandbaklanden’ worden ‘vertroeteld’, aldus de pvv’er.

Na de ‘tribunalen’-uitspraak van Van Houwelingen dook in enkele commentaren de discussie over het partijverbod weer op. Van Meijeren ging er expliciet op in: ‘Dit soort paniekerige reacties en pogingen om ons te raken, maken ons alleen maar sterker. Wij zullen nooit zwichten voor tirannen. Wij zullen nooit zwijgen.’ Om daar nog uitdrukkelijker aan toe te voegen: ‘Een politieke partij kan misschien verboden worden, maar een beweging en haar ideeën niet. En onze beweging is niet meer te stoppen.’

Een nogal onzeker gesternte om een debat over de grenzen van de democratie te voeren – de partijen die deze grenzen zo nadrukkelijk tarten roeren zich reeds in het parlement. Toch is dat precies de klus die het nieuwe kabinet na de formatie wacht. Een Wet op de politieke partijen, inclusief nieuwe verbodsgrond voor politieke partijen, is in voorbereiding op het ministerie van Binnenlandse Zaken; de parlementaire behandeling is aan het nieuwe kabinet. Hans Goslinga constateerde in Trouw al terecht dat die nieuwe regeling een nogal lange aanloop kent. De discussie gaat terug tot een motie van Pieter Heerma (cda) uit 2014 waarin hij de regering tot actie maande ten aanzien van antidemocratische ‘groeperingen’, niet uitsluitend politieke partijen dus. Een motie die uitgelegd kon worden als: is onze verbodsregeling op orde?

‘Een politieke partij kan misschien verboden worden, een beweging en haar ideeën niet’

De wedervraag was destijds nogal eens: ‘Maar wélke partijen dan?’ Dat heb ik altijd een wat eigenaardige vraag gevonden. Het vraagstuk van weerbare democratie gaat over een systeemeigenschap. Een tijdloze kwestie, want de democratie draagt per definitie de mogelijkheid van zelfdestructie in zich. Ze geeft immers ook haar uitdagers gelijke democratische rechten – en die kunnen misbruikt worden. De kunst is om het onderhoud aan je systeem te plegen op het moment dat de vraag nog niet urgent is. Anders dreigt de discussie over de grenzen van de democratie voortdurend in de sleutel van specifieke partijen geplaatst te worden, zowel door voor- als tegenstanders. Dat gebeurde in Spanje. De Spaanse Wet op de politieke partijen uit 2002 werd breed gezien als een wet specifiek gericht tegen één politieke partij, een ‘anti-Batasuna-wet’ dus. De Baskische afscheidingsbeweging werd kort daarna inderdaad op basis van die wet verboden.

Zo’n gemankeerd debat lijkt in Nederland inmiddels ook moeilijk te voorkomen. Juist nu Forum voor Democratie en de pvv zich steeds radicaler manifesteren, vindt er in Den Haag een stevige herziening plaats van de grenzen van het politieke speelveld. De eerste etappe is redelijk geruisloos afgerond. Deze zomer stemde de Eerste Kamer in met een nieuwe verbodsgrond voor rechtspersonen in artikel 20 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij moet vooral worden gedacht aan verenigingen, zoals criminele motorclubs en politieke actieclubs. Maar niet aan politieke partijen, die werden van de nieuwe regeling uitgezonderd, in afwachting van de nieuwe Wet op de politieke partijen.

Dat haalde de angel wel uit het debat. De opzet van de nieuwe verbodsgrond voor rechtspersonen zal daar ook aan bijgedragen hebben. De mogelijke gronden voor een verbod werden zo veel mogelijk bijeengezocht uit bestaande regelingen, zoals bedreiging van de ‘internationale rechtsorde’ (artikel 90 van de grondwet), ‘geweld’ (verschillende strafbepalingen) en het ‘aanzetten tot haat of discriminatie’ (artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht). De boodschap: we introduceren niet (echt) iets nieuws. Niettemin stemden de pvv en Forum voor Democratie tegen, net als de Partij voor de Dieren.

Voor die opzet zal waarschijnlijk ook gekozen worden bij de nieuwe verbodsgrond in de Wet op de politieke partijen. Maar het is onwaarschijnlijk dat die strategie ook de angel uit dít debat kan halen. Daar komt nog bij dat de Hoge Raad dit jaar in de tweede zaak-Geert Wilders de inzet verhoogde. De hoogste rechter liet de veroordeling van Wilders voor groepsbelediging in stand. Relevant, want zo’n veroordeling van een politicus kan, binnen de huidige verbodsregeling, bijdragen aan een verbod van zijn of haar partij. De extreem-rechtse partij CP’86 werd in 1998 mede op basis van zulke veroordelingen verboden. Wilders heeft er nu al één binnen.

Geen kalme wateren om in te navigeren. Na de vorige formatie kreeg minister Kajsa Ollongren de ondankbare taak om, uitgerekend als d66-minister, zo snel mogelijk de referendumwet af te schaffen. De nieuwe minister van Binnenlandse Zaken, ongeacht van welke politieke huize, wacht een nauwelijks gemakkelijkere taak.