Menno Hurenkamp

Onzeker over vrijheid

Het was de week van de vrijheid. Zoveel was duidelijk. Maar meer eigenlijk ook niet. Wat we bedoelen met dat begrip, los van 5 mei? Vrijheid, fijn. Zonneschijn, ook niks mis mee. De Amerikaanse president George Bush kwam ons vertellen wat-ie vond over vrijheid. Het is makkelijk om te klagen dat Amerika de hele wereld met geweld zijn vrijheid op wil leggen, een vrijheid die inhoudt dat je wél geweren mag kopen maar dat mannen niet verliefd op elkaar mogen worden, laat staan trouwen. Alsof we in Nederland nu zeker zijn over de betekenis van vrijheid.

Neem de botsing tussen intellectuelen wanneer het over vrijheid gaat. Schrijvers als Geert Mak en Dick Pels veronderstellen een rechtse dreiging. Om ons tegen terroristen en aanvallen van buiten te beschermen moeten we van de conservatieven veel te veel van onze vrijheden inleveren. Schrijvers als Afshin Ellian en Ad Verbrugge zien het gevaar juist van linkse types komen, die te zacht zijn voor iedereen, maar vooral voor moslims. Hun idee is dat de linksen agressors van buiten alle ruimte gunnen, uit naïviteit of uit angst het eigen makkelijke leventje op te moeten geven. Beide partijen zien de dictatuur opdoemen en gaan elkaar te lijf met citaten van Grote Filosofen en verwijzingen naar het Derde Rijk. Maar het drama in deze tegenstelling heeft iets kunstmatigs. Men staat tegenover elkaar en dat praat toevallig wel zo makkelijk. De linkse denkers leggen de nadruk op de rechten van het individu, de rechtsen beklemtonen de westerse cultuur. De veronderstelling dat beide opvattingen niet op allerlei manieren samengaan zou een grote verrassing zijn voor het merendeel van de thans getapte Dode Denkers.

Bovendien gaat onze onzekerheid over vrijheid over meer dan godsdienstverboden of veiligheidsdiensten die hun neus in het privé-leven van burgers steken. Minister van Volksgezondheid Hans Hoogervorst stelde onlangs dat wat hem betreft mensen niet de vrijheid hebben om op algemene kosten een ongezond leven te leiden. Dat was een wonderlijke opvatting voor een liberaal, gaf hij grif toe. Maar hoeveel recht heeft iemand die veertig biertjes per dag drinkt op een levertransplantatie, als zowel de levers als de artsen die de operatie doen schaars zijn? Hoogervorst zet het populaire idee op de tocht dat als mensen maar veel te kiezen hebben – maximaal vrij zijn – iedereen vanzelf gelukkig wordt. Meer dan met de «linkse» jaren zestig en zeventig rekent hij af met de jaren tachtig. Toen gaf Ed Nijpels immers het liberalisme nog inhoud met «gewoon jezelf zijn», wat het startschot leek om onbekommerd om de kosten voor anderen je eigen gang te gaan. Hoogervorst zegt: wie een diploma haalt, werkt, gezond eet, wie normaal doet, die kan bij tegenspoed zaken doen met de overheid. Wie de vrijheid neemt om af te wijken moet bij pech niet gaan zeuren.

Hoogervorst kreeg niet veel weerwerk. Het vervangen van «gewoon jezelf zijn» door «wel een beetje normaal doen» zal – alle onderzoeken die stellen dat Nederlanders graag een zachte samenleving willen ten spijt – nog aan populariteit winnen. Ook onder linkse mensen, die eigenlijk altijd al vonden dat mensen verantwoordelijkheid moesten nemen voor hun omgeving, maar dat naarmate de emancipatie voortschreed steeds ingewikkelder vonden om toe te geven. Wat we de afgelopen decennia vrijheid noemden, heet straks gevaar, overlast of eigen schuld.