En wat nu als het allemaal toch geen zin kan hebben? Dat was de vraag die bij mij bleef hangen nadat ik voor het eerste feuilleton verslag deed van het gesprek tussen oud-politicus Jan Pronk en Aniek Moonen, voorzitter van de Jonge Klimaatbeweging. Dat was niet in de laatste plaats vanwege een licht schuldgevoel. Ik wilde dit feuilleton hoopvol beginnen en daarom had ik maar even weggemoffeld dat Pronk ervan overtuigd zei te zijn dat we als mensen de natuur, de beschaving en dus onszelf te gronde zullen richten.

Het kwaad van het wegmoffelen strafte zich meteen. Ik had de eerste aflevering van dit feuilleton nog niet af of ik ontving per mail een nieuwsbrief van Vrij Nederland met de allerminst opwekkende kop ‘De zesde grote uitstervingsgolf is al aan de gang’. Journalist Ed Croonenberg gaat in dat stuk op zoek naar een aantal wetenschappers die in 2016 pessimistisch waren over het vermogen de opwarming van de aarde en alle andere ecologische rampen te keren. Deze waren sindsdien alleen nog maar pessimistischer geworden. Dezelfde dag hoorde ik op de radio dat de vleesconsumptie per hoofd van de bevolking was gegroeid en de files inmiddels langer zijn dan voor de coronapandemie. Op het Journaal zag ik een item over Duitsland dat haast ging maken met het openen van een bruinkoolmijn.

Wat bij mij na het lezen van het artikel vooral bleef hangen waren de uitspraken van de paleontoloog Peter Ward, verbonden aan de universiteit van Seattle. De kern van het probleem is dat de groei van een soort de biosfeer kan ontwrichten, vertelde hij. Die soort is nu de mens. In principe hebben we alle mogelijkheden in handen om de planeet te redden, zo bood hij nog wel een sprankje hoop. Maar, voegde hij er helaas aan toe: ‘Waarschijnlijk zijn we niet intelligent genoeg om er gebruik van te maken.’ Die twijfel moet je ook hebben over de vraag of het mogelijk is te werken aan een wereld waarin wij allen er ook in andere opzichten toe doen. Zou het ons ooit echt lukken de ongelijkheid te verkleinen? Wat dat betreft wijzen alle tekenen eveneens in de verkeerde richting en Ward zal waarschijnlijk vinden dat we ook voor het rechtvaardig verdelen van rijkdom als mensheid niet slim genoeg zijn.

Ik heb Pronk natuurlijk wel gevraagd hoe hij aan de ene kant zo pessimistisch kon zijn en aan de andere kant kon pleiten voor hervormingen. Zijn antwoord was dat juist pessimisme je tot actie aanzet. Hij heeft daarom niet zo veel met begrippen als hoop en optimisme. ‘Want die dwingen tot niets. Als je denkt dat het wel goed komt, hoef je er niet tegenaan te gaan. Terwijl we dat juist wel moeten doen, zelfs als we denken dat de kansen op de door ons gewenste uitkomsten niet zo groot zijn.’ De opdracht die we ons als mens dus moesten stellen was om te proberen onze ondergang een dag uit te stellen. Die dag moeten we volgens de oud-politicus gebruiken om te hervormen, zodat we het menselijk bestaan nog een extra dag konden rekken, en zo verder. Die dag was overigens slechts een metafoor, lichtte hij toe. Het kan dus ook een decennium, een eeuw of nog langer duren voor we als mensheid naar de verdommenis gaan.

Die nuancering vond ik onvoldoende geruststellend. Kon dat pessimisme niet net zo goed een reden zijn om de moed op te geven? Je dus mee laten slepen door het gevoel dat de zangeres Froukje in het nummer Groter dan ik bezingt: ‘De wereld staat in de fik/ En ik zou willen blussen/ Maar het vuur is groter dan ik.’ Kon je met andere woorden wel zonder de zekerheid dat al onze inspanningen om elkaar te redden iets uithalen? Het leek me een vraag die ik het beste aan psychologen kon stellen. Ik vond de website [klimaatpsychologie.com](www.klimaatpsychologie.com), van een groep psychologen die met hun vakkennis een bijdrage proberen te leveren aan de oplossing van het klimaatprobleem. De twee initiatiefneemsters, Sara Helmink en Sara Wortelboer, wilden me in een online-sessie adviseren hoe je met die vraag moet omgaan.

Een nieuw Plan van de Arbeid

Nederland lijkt voortdurend in een crisisstand te staan. Van klimaatcrisis tot migratiecrisis, biodiversiteitscrisis tot wooncrisis. Is het daarom geen tijd voor een samenhangend plan dat de weg voor de komende tientallen jaren uitzet? En kunnen we ons daarbij laten inspireren door het legendarische Plan van de Arbeid uit 1935? In dit feuilleton gaat Michiel Zonneveld de komende maanden op zoek naar antwoorden op deze vragen. Daarvoor praat hij met wetenschappers, kunstenaars, mensen uit de praktijk, activisten, oud-politici en mensen die uit eigen ervaring putten. Suggesties voor deze rubriek? Mail naar zonneveld@groene.nl

Het eerste advies krijg ik van Helmink, die als online acceptence and committent therapeut werkt. ‘Je moet om te beginnen accepteren dat onzekerheid nu eenmaal bij het menszijn hoort en dat we die dus moeten leren verdragen. Net als pijn en bezorgdheid.’ Haar collega Wortelboer, die als veranderingspsycholoog onder meer gemeenten adviseert, vult haar aan: ‘Zo is het met alles wat we in het leven aanpakken. Je weet eigenlijk nooit zeker of iets gaat lukken of achteraf zinnig zal blijken.’

‘En dat hoeft dus niet tot verlamming te leiden. Integendeel’, geeft Helmink de oud-politicus Pronk gelijk. Ze trekt een parallel met de ervaringen in de therapiekamer. ‘Mensen willen pas veranderen als de lijdensdruk van bijvoorbeeld een angststoornis te hoog wordt. Het moet dus erg genoeg zijn’. Het gaat dan niet alleen om de concrete manieren waarop we bijvoorbeeld met de effecten van klimaatverandering te maken krijgen, legt ze uit. Bij dat lijden hoort bijvoorbeeld ook de bezorgdheid dat het niet goed komt. Helmink: ‘Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt bezorgdheid een belangrijke reden om in actie te komen.’

Volgens Wortelboer wordt de somberheid en het pessimisme bovendien vanzelf minder als we in actie komen. ‘Dat geeft het gevoel dat je zelf de regie kunt hebben’, zegt ze. Volgens haar zijn er wat dat betreft voldoende hoopvolle ontwikkelingen. ‘Kijk maar naar alle initiatieven die al worden genomen. Er is een gigantische onderstroom.’ Ze laat zich daarom niet van de wijs brengen door de bewering van paleontoloog Ward dat de mensheid niet intelligent genoeg is om zichzelf te redden. Wortelboer gelooft meer in het idee van de Rotterdamse hoogleraar transitiekunde Jan Rotmans: dat je voor grote veranderingen genoeg hebt aan de actieve steun van een kwart – of zelfs een kleiner deel – van de bevolking.

De somberheid moet natuurlijk ook een aanleiding kunnen zijn een Plan te maken waarin de koers voor de komende tientallen jaren wordt uiteengezet, zegt Wortelboer aan het einde van het gesprek. 'Het helpt echt als mensen weten dat er een Plan of een langetermijnperspectief klaarligt.’ Dat zou volgens haar ook het vertrouwen in de regering vergroten. 'Er zijn nu zo veel crises. Dat ondermijnt natuurlijk het gevoel dat de overheid de zaken onder controle heeft.’

Maar wat nu als het voor zo’n plan dan al te laat is, vraag ik nog. Wat nu als we de cyclus die ons bedreigt al niet meer kunnen omdraaien?

'Dat is dus de onzekerheid waarmee we moeten leren leven’, herhaalt Helmink. ‘Ik kan het niet leuker maken dan het is.’

Wilt u ook in klimaattherapie? Ga naar klimaatpsychologie.com