Onzichtbaar

Met data denken we de logica van de dingen om ons heen te ontsluieren. Maar tussen de data en de dingen zitten talloze verbanden: onze interpretaties.

‘U moet weten’, zei de politieman in de documentaire, ‘dat mannen in dit land zich niet uiten. Ze kroppen alles op en als het misgaat weet niemand van het hoe en waarom en dan hebben we geen idee waar we moeten beginnen.’

Het was een aflevering in een voortreffelijke BBC-serie over vermiste personen. Gefilmd alsof het Scandidrama is, dezelfde sobere muziek, dezelfde verstilde beelden van lege nachtelijke straten onder blauwig maanlicht.

De serie volgt actuele vermissingen en daarvan zijn er veel meer dan je zou denken. Negen per dag alleen al in Crewe – en dat is niet de navel van de wereld. Deze keer ging het om een veertiger, een ex-alcoholist met een beroerde jeugd die zijn baan als inpakker bij een verzendbedrijf was kwijtgeraakt omdat hij te oud en te traag was. ’s Ochtends was hij vertrokken naar het ‘Job Centre’, maar daar kwam hij nooit aan. De plaatselijke politie schaalde hem in als ‘medium risk’, tegen de zin van zijn vrouw en kinderen. Die lieten het er niet bij zitten en begonnen op sociale media en middels A4’tjes op lantaarnpalen hun eigen zoektocht.

De telefoon van de vermiste stond nog aan en hield zich steeds op dezelfde plek op. Die plek kon niet nader worden gedefinieerd, want een zendmast heeft een enorm bereik. De man kon dood zijn, zich verbergen of misschien wel gegijzeld worden. De dochter van de vermiste man vroeg waarom die telefoon niet kon worden ‘gepingd’. De hoofdinspecteur die de zaak onder zich had, zat er mee. Het kon wel, zei hij: ‘Maar mensen hebben het recht om vermist te zijn. Het is geen misdrijf. Er zijn wetten die verhinderen dat we zomaar iedereen tracken.’

Ondertussen was de vermiste vier dagen zoek. Er was een mogelijke indicatie van wat er aan de hand was. Hij was gesignaleerd in een kroeg. Misschien was hij weer gaan drinken.

De zaak kwam op de vijfde dag in een stroomversnelling, toen de politie rapporten kreeg van hulpinstanties waaruit bleek dat de man ooit had gesproken over suïcidale gedachten. De zaak kon worden opgeschaald.

Een politieagent vond hem in de ruïne van de uitgebrande youth club. Hij wilde een einde aan zijn leven maken, zei hij, maar ook weer niet, want hij hield van zijn vrouw.

Een vermiste kan in bed liggen met een geheime liefde, de boel de boel hebben gelaten

In een soort ‘vier maanden later’ uitten zijn vrouw en dochter de hoop dat hij nu zou gaan praten over wat hem kwelde. Ze keken met vertrouwen in de camera. Tussen hen in de man die weg was. Zijn gezicht leeg, de glimlach dun en plichtmatig.

Het recht om te verdwijnen en het verlangen van anderen om te weten waar iemand is. The twain will never meet. Spoor hem op aan de hand van zijn telefoongegevens, zegt de familie. Maar hoe zit dat dan met de bescherming van zijn privacy, zegt de politie. Een vermiste kan in bed liggen met een geheime liefde, de boel de boel hebben gelaten, of gewoon een vrolijk nieuw leven beginnen. Evengoed wordt iemand via de zendmasten opgespoord en zit-ie een tijdje bij een vriend omdat hij gek wordt van het gezeik aan zijn kop.

Technologie kan veel en mag niet alles. En dat is zoals we het willen. Soms willen we dat niet en dan stuiten we op de muur die we zelf hebben opgetrokken.

Mannen in dit land uiten zich niet. Dat sloeg op Groot-Brittannië. Britten denken dat hun land in alles uniek is. Of het nou hun theeconsumptie is, het weer of de neiging om de kaken op elkaar te houden. Maar er wordt in meer landen veel thee gedronken (en betere, als ik zo vrij mag zijn), het weer in Nederland is ook kut en hoewel het best grappig is als John Cleese in A Fish Called Wanda zijn stijfheid verklaart door te zeggen ‘Do you have any idea what it’s like being English?’ lijden alle noordelijke volkeren aan kaakklem als het om emoties gaat. Vooral mannen. Twee keer zo veel mannen als vrouwen maken een einde aan hun leven. Daar kan de techniek ook niets tegen doen.

Jakub Marian, een Tsjechische linguïst, wiskundige en ontwerper, maakte op basis van WHO-gegevens een zelfmoordkaart van Europa (jakubmarian.com). Nederland scoort 8,2 gevallen per 100.000 inwoners per jaar, België 14,2. Italië komt op 4,7 en Spanje op 5,1. Ruwweg zijn de cijfers lager als je zuidelijker komt, maar Portugal is een uitschieter met 8,2. Overal plegen mannen minstens twee keer zo vaak zelfmoord als vrouwen. In Polen zelfs acht keer zo veel.

Wat is het verschil tussen mannen en vrouwen? En waarom komen landen als Spanje, Italië en Griekenland er beter uit? Zouden mediterrane mannen meer over hun gevoel praten? Ligt het aan het weer? Het lijkt mij sterk. Bovendien, het totale cijfer mag in die landen dan lager liggen, de man-vrouwratio is er een stuk ongunstiger, respectievelijk 3,7, 4,0 en 4,8.

Data: mooi, maar de interpretatie is meer exegese dan harde wiskunde. In zo’n kaart als die van Jakub Marian en in die BBC-serie ontmoeten het harde en het zachte elkaar, de feiten en wat wij als hun betekenis zien. Data zijn objectief, hebben we geleerd. Ze ontsluieren wat wij niet kunnen zien. Maar de chaos en het onlogische van het bestaan onttrekken zich aan de wiskunde. En dan rest ons alleen het verhaal dat we van de wereld maken.