Het echte privacyprobleem

Onzichtbaar prikkeldraad

Bedrijven en overheden plukken ongegeneerd gegevens uit onze persoonlijke virtuele domeinen. De meeste burgers kan het niets schelen. Anderen voelen zich aangetast in hun privacy. Het is erger. In de digitale toekomst schuilt een antidemocratisch gevaar.

Medium morozov1

In 1967 verscheen in The Public Interest, destijds een toonaangevend podium voor hoogstaande beleidsdebatten, een provocatief essay van Paul Baran, een van de grondleggers van de datatransmissiemethode die bekend staat als packet switching. Onder de kop ‘The Future Computer Utility’ werd in dit essay voorspeld dat op zekere dag een paar grote, gecentraliseerde computers ‘in informatieverwerkingsprocessen zullen voorzien (…) op dezelfde manier waarop je nu elektriciteit kunt kopen’: ‘Onze thuiscomputer zal worden gebruikt om boodschappen te verzenden en ontvangen – alsof het telegrammen zijn. We zullen kunnen kijken of het plaatselijke warenhuis een bepaald sporthemd in voorraad heeft, in de gewenste kleur en maat. We zullen kunnen vragen wanneer de levering zal plaatsvinden als we dat shirt bestellen. De verstrekte informatie zal tot op de minuut nauwkeurig zijn. We zullen via de computer onze rekeningen kunnen betalen en onze belastingaangifte kunnen doen. We zullen vragen kunnen stellen aan en antwoorden kunnen krijgen van “informatiebanken” – geautomatiseerde versies van de hedendaagse bibliotheken. We zullen zeer nauwgezette informatie over alle radio- en televisieprogramma’s kunnen opvragen (…) De computer zal een boodschap kunnen versturen om ons te herinneren aan een aanstaande verjaardag en ons kunnen behoeden voor de desastreuze gevolgen van de vergeetachtigheid.’

Het heeft jaren geduurd voordat cloud computing het visioen van Baran werkelijkheid zou maken. Maar hij was vooruitziend genoeg om te bedenken dat dit soort computergebruik zijn eigen regelgeving nodig zou hebben. Baran wilde ook beleid dat ‘maximale bescherming zou kunnen bieden aan het behoud van het recht op geheimhouding van informatie’: ‘In veel van de toekomstige systemen zal zeer gevoelige informatie over personen en bedrijven worden opgeslagen (…) Op dit moment staat niets anders dan vertrouwen – of op z’n best een gebrek aan technische vaardigheden – het moedwillig aftappen van die informatie in de weg (…) Vandaag de dag hebben we nog geen mechanismen om adequate bescherming te bieden. Vanwege de problematische herbouw van complexe systemen, zodat we in een later stadium wél kunnen voorzien in de noodzakelijke bescherming, lijkt het wenselijk om hierop vooruit te lopen.’

Dit is een scherpe, van alle opsmuk ontdane analyse: het techno-futurisme is er sindsdien alleen maar op achteruit gegaan.

Als je het essay van Baran leest, besef je dat ons huidige privacyvraagstuk niet louter iets van deze tijd is. Het is niet alleen maar een gevolg van het feit dat Mark Zuckerberg zijn ziel en onze profielen aan de nsa heeft verkocht. Het probleem werd al in een vroeg stadium onderkend, en er werd weinig aan gedaan.

Vrijwel al het door Baran voorziene computergebruik was puur commercieel van aard. Het bestellen van shirts, het betalen van rekeningen, het op zoek gaan naar ontspanning en het tegengaan van vergeetachtigheid: dit is niet het internet van ‘virtuele gemeenschappen’ en ‘netizens’. Baran heeft zich eenvoudigweg voorgesteld dat computernetwerken ons in staat zouden stellen dezelfde dingen te doen die we normaal gesproken ook al doen: winkelen, ontspanning, onderzoek. Maar ook: spionage, controle en voyeurisme.

Als de ‘computerrevolutie’ van Baran niet bepaald revolutionair overkomt, komt dat deels doordat hij niet verwachtte dat de fundamenten van het kapitalisme en van de bureaucratische regeringsvormen die eeuwenlang van kracht waren geweest erdoor zouden worden ondermijnd. Maar in de jaren negentig waren veel digitale enthousiastelingen een andere mening toegedaan; ze waren ervan overtuigd dat de verspreiding van digitale netwerken en de snelle daling van de communicatiekosten een werkelijk nieuwe fase in de menselijke ontwikkeling zouden inluiden. Voor hen waren de controles die na 11 september 2001 werden aangescherpt, en de kolonisatie van de maagdelijke digitale ruimte door Google, Facebook en ‘big data’, aberraties die ongedaan moesten worden gemaakt en waar je je tegen kon verzetten. Als we nu maar het verloren gegane decennium konden wissen en terug konden keren naar het utopia van de jaren tachtig en negentig, door strengere wetten in te voeren, gebruikers meer zeggenschap te geven en betere encryptie-instrumenten te bouwen!

***

Een andere lezing van de recente geschiedenis zou een andere agenda voor de toekomst opleveren. Het wijdverbreide idee van ‘emancipatie door informatie’ dat veel mensen nog steeds aan de jaren negentig toedichten, was waarschijnlijk niets anders dan een langdurige hallucinatie. Zowel het kapitalisme als de bureaucratische regeringsvormen hebben zich met gemak aan het nieuwe digitale regime aangepast; beide draaien op informatiestromen, hoe méér geautomatiseerd des te beter. Wetten, markten of technologieën zullen die honger naar gegevens niet dwarsbomen of een andere wending geven, omdat alle drie juist een rol spelen in de ondersteuning van het kapitalisme en de bureaucratische regeringsvormen. Er is behoefte aan iets anders, aan een politieke benadering.

Laten we ons eerst eens buigen over de symptomen van onze huidige malaise. Ja, commerciële technologiebedrijven en regeringsorganen zijn geïnteresseerd in het vergaren en snel analyseren van gegevens van en over gebruikers. Google en Facebook zien zich daartoe gedwongen om de effectiviteit te bevorderen van de advertenties die ze verkopen. Regeringsorganen hebben behoefte aan diezelfde gegevens ter verwezenlijking van hun eigen programma’s. Veel van deze programma’s hebben te maken met de nationale veiligheid. Maar zulke gegevens lenen zich ook voor gebruik dat de privacy ondermijnt. De Italiaanse regering hanteert bijvoorbeeld een instrument dat de redditometro of inkomstenmeter wordt genoemd, en dat bonnetjes en uitgavenpatronen analyseert om mensen op te sporen die méér blijken te besteden dan ze bij de inkomstenbelasting opgeven. Als een groot deel van alle contante transacties wordt vervangen door mobiele betalingen – met Google en Facebook als intermediair – zullen de gegevens die door deze firma’s worden verzameld onontbeerlijk zijn voor de belastinginspectie.

Op een ander front hopen technocraten als Cass Sunstein, de vroegere beheerder van het Office of Information and Regulatory Affairs in het Witte Huis en een toonaangevende pleitbezorger van de ‘sturende staat’, dat het verzamelen en onmiddellijk analyseren van persoonsgegevens kan helpen problemen als obesitas, klimaatverandering en dronken achter het stuur zitten op te lossen. Dankzij smartphones of Google Glass kunnen we nu gewaarschuwd worden als we dreigen iets ongezonds of onverstandigs te doen. We hoeven niet per se te weten waarom die daden verkeerd zouden zijn: de algoritmen van het systeem maken zelf het ethische rekensommetje wel. Burgers fungeren als informatiemachines die het technisch-bureaucratische complex voeden met hun eigen gegevens. En waarom zouden we dat niet doen als ons wordt beloofd dat we in ruil daarvoor een slankere taille, schonere lucht of een langer (en veiliger) leven krijgen?

Het idee van ‘emancipatie door informatie’ was waarschijnlijk niets anders dan een langdurige hallucinatie

Deze logica van de preventie is niet anders dan die van de nsa in zijn strijd tegen de terreur: laten we proberen problemen te voorkomen in plaats van de gevolgen ervan te moeten opruimen. Zelfs als we de handen van de nsa zouden binden – door een of andere combinatie van beter toezicht, striktere regels over de toegang tot gegevens, of krachtiger en vriendelijker encryptiestrategieën – zou de datahonger van andere staatsinstellingen blijven bestaan. Zij zullen die ook blijven rechtvaardigen. In geval van zaken als obesitas of de klimaatverandering – waarvan beleidsmakers snel zullen zeggen dat we te maken hebben met een tijdbom – zullen ze betogen dat een klein beetje minder democratie geen kwaad kan.

Maar dat kleine beetje minder democratie zou er als volgt uitzien: de nieuwe digitale infrastructuur, draaiend op de real time gegevens van burgers, stelt de technocraten in staat de politieke besluitvorming zelf, met al haar herrie, ruzies en ontevredenheid, uit het politieke proces te tillen. De ondoorzichtige warboel van het smeden van coalities en het voeren van onderhandelingen wordt vervangen door de smetteloosheid en efficiëntie van een cijfermatig geïnformeerd bestuur.

Dit verschijnsel staat ook wel te boek als ‘algoritmisch bestuur’, een term die is bedacht door uitgever Tim O’Reilly uit Silicon Valley. In wezen hebben tot in de puntjes geïnformeerde democratieën een punt bereikt waarop ze publieke problemen willen proberen te verhelpen zonder zichzelf tegenover hun burgers te hoeven rechtvaardigen. In plaats daarvan kunnen ze eenvoudigweg een beroep doen op ons eigenbelang – en ze weten genoeg over ons om een perfecte, zeer persoonlijke en onweerstaanbare prikkel te geven.

Medium morozov2

Nog een waarschuwing uit het verleden. Het jaar was 1985, en Spiros Simitis, Duitslands toonaangevende deskundige op het gebied van de privacy, hield een toespraak op de Law School van de universiteit van Pennsylvania. Zijn lezing ging over hetzelfde onderwerp waarover Baran zich had gebogen: de automatisering van de gegevensverwerking. Maar Simitis verloor de geschiedenis van het kapitalisme en de democratie niet uit het oog, zodat hij de technologische veranderingen in een veel dubbelzinniger licht kon plaatsen.

Hij zag ook in dat privacy geen doel op zichzelf is. Het is een manier om een bepaald ideaal te bereiken van democratische politiek, waarin burgers worden gezien als méér dan louter tevreden leveranciers van informatie aan alziende en alles optimaliserende technocraten. ‘Waar de privacy wordt ontmanteld’, waarschuwde Simitis, ‘verdwijnen zowel de kans op een persoonlijke beoordeling van het politieke proces als de gelegenheid om een bepaalde levensstijl te ontwikkelen en te behouden.’

De analyse van Simitis werd gedragen door drie technologische trends. In de eerste plaats merkte hij ook toen al op dat ieder terrein van de sociale interactie was doordrongen van informatietechnologie – hij waarschuwde voor ‘de intensieve oogst van persoonsgegevens van vrijwel iedere werknemer, belastingbetaler, patiënt, bankcliënt, uitkeringstrekker of autobestuurder’. Als gevolg daarvan was privacy niet langer uitsluitend een probleem van een of andere ongelukkige die onverhoeds in een precaire situatie werd betrapt; het was het probleem van iedereen geworden. In de tweede plaats maakten nieuwe technologieën als smart cards en videotex het niet alleen mogelijk ‘individuele activiteiten tot in het kleinste detail op te slaan en te reconstrueren’, ze zorgden er ook voor dat deze controle normaal werd gevonden en in ons dagelijks leven werd verweven. In de derde plaats stelden de persoonsgegevens die door deze nieuwe technologieën werden opgeslagen sociale instellingen in staat gedragsnormen op te leggen en af te dwingen, waardoor ‘langetermijnstrategieën van manipulatie ontstonden, bedoeld om het gedrag van individuen te kunnen kneden en aanpassen’.

Moderne instellingen zouden hier zeker van kunnen profiteren. Verzekeringsmaatschappijen konden programma’s van kostenbesparing afstemmen op de behoeften en wensen van klanten, ziekenhuizen en de farmaceutische industrie. De politie kon de nieuwe databases en diverse ‘mobiliteitsprofielen’ gebruiken om potentiële misdadigers op te sporen en verdachten te lokaliseren. Uitkeringsinstanties konden plotseling frauduleus gedrag boven water krijgen.

Maar hoe zouden deze technologieën ons als burgers beïnvloeden – als subjecten die deelnemen aan het begrijpen en hervormen van de wereld om ons heen, en niet alleen als consumenten of klanten die er louter baat bij zouden kunnen hebben? Simitis betoogde dat we op een hoop terreinen iets zouden moeten inleveren. In plaats van meer context zouden we juist minder context voor onze besluiten krijgen; in plaats van de logica achter onze bureaucratische systemen te kunnen doorzien en deze meer to the point en minder kafkaësk te maken, zouden we juist met meer verwarring worden geconfronteerd, omdat de besluitvorming zou worden geautomatiseerd en niemand zou weten hoe de algoritmen precies werkten. We zouden een ondoorzichtiger beeld krijgen van wat onze sociale instellingen doet functioneren. Ondanks de belofte van méér individuele aandacht en empowerment, zouden deze interactieve systemen slechts de illusie van meer participatie bieden. Als gevolg daarvan ‘suggereren interactieve systemen (…) individuele activiteit, terwijl er in feite sprake is van niets anders dan stereotiepe reacties’.

Hoe meer informatie we over onszelf prijsgeven, des te dichter het onzichtbare prikkeldraad om ons heen wordt

Als u denkt dat Simitis een toekomst beschreef die nooit werkelijkheid zou worden, kijk dan eens naar een recent rapport over de transparantie van geautomatiseerde voorspellingssystemen, geschreven door Tal Zarsky, een van ’s werelds toonaangevende deskundigen op het gebied van de politiek en ethiek van datamining. Hij merkt op dat ‘datamining naar bepaalde personen en gebeurtenissen zou kunnen wijzen, inclusief gevallen van verhoogd risico, zonder ons te vertellen waarom deze werden geselecteerd’. Toevallig is de mate van interpreteerbaarheid een van de meest gevolgrijke beslissingen die je moet nemen bij het ontwerpen van datamining-systemen. Zarsky ziet op dit punt grote implicaties voor de democratie: ‘Uit een datamining-analyse zou een niet-interpreteerbaar proces kunnen voortvloeien dat niet in menselijke taal kan worden uitgelegd. In dat geval maakt de software zijn selectie op basis van meervoudige variabelen (soms wel duizenden) (…) Het zou voor de regering een moeilijke opgave zijn een gedetailleerd antwoord te moeten geven op de vraag waarom een individu door een geautomatiseerd aanbevelingssysteem werd geselecteerd om een andere behandeling te krijgen. Het meeste wat de regering zou kunnen zeggen is dat dit is waar het algoritme mee voor de dag kwam, op basis van eerdere gevallen.’

Dit is de toekomst waarop we al slaapwandelend afstevenen. Alles lijkt goed te werken, en alles zou zelfs beter kunnen worden – we weten alleen niet precies waarom en hoe.

***

Simitis had gelijk wat de trends aangaat. Vrij van dubieuze veronderstellingen over ‘het internettijdperk’ kwam hij uit op een oorspronkelijke, maar voorzichtige verdediging van de privacy als een cruciaal kenmerk van een zelfkritische democratie – niet de democratie van een of andere abstracte politieke theorie, maar de rommelige, luidruchtige democratie waar we nu in leven, met haar onophoudelijke contradicties. Het meest cruciale inzicht van Simitis is dat de privacy de democratie zowel kan steunen als ondermijnen.

Van oudsher beschouwden wij veranderingen in de geautomatiseerde informatieverwerking als een persoonlijk probleem van de betreffende individuen. Een goed voorbeeld is het invloedrijke artikel ‘The Right to Privacy’ van Louis Brandeis en Samuel Warren uit 1890. Zij zochten een ‘recht om met rust te worden gelaten’ – om een ongestoord leven te leiden, weg van alle indringers. Volgens Simitis gaven zij uitdrukking aan een wens die veel self-made individuen destijds gemeen hadden, ‘om puur voor zichzelf en onder door hen zelf bepaalde omstandigheden te kunnen genieten van de vruchten van hun economische en sociale activiteit’.

Een lovenswaardig streven: zonder een dergelijke wettelijke bescherming van ondernemers had het moderne Amerikaanse kapitalisme wellicht nooit zo robuust kunnen worden. Maar als alle burgers dit recht op privacy ten volle zouden laten gelden, zou de samenleving verstoken blijven van transparante, snel beschikbare gegevens, die niet alleen in het belang zijn van de technocraten, maar ook – en zelfs meer nog – van de burgers zelf, om zaken te kunnen beoordelen, een mening te kunnen vormen en te kunnen debatteren (en soms de technocraten te kunnen ontslaan).

Dit probleem beperkt zich niet tot het recht op privacy. Volgens sommige hedendaagse denkers, zoals de Franse historicus en filosoof Marcel Gauchet, dreigen democratieën ten prooi te vallen aan hun eigen succes. Door een wettelijk regime van rechten tot stand te hebben gebracht dat de burgers in staat stelt hun eigen belangen na te streven zonder zich rekenschap te hoeven geven van wat goed is voor het algemeen belang, lopen ze het risico de bronnen uit te putten die hen tot bloei hebben laten komen.

Als alle burgers hun rechten opeisen, maar zich niet bewust zijn van hun verantwoordelijkheden, verdwijnen de politieke vragen die de democratische orde door de eeuwen heen hebben bepaald (Hoe moeten we samenleven? Wat is in het algemeen belang en hoe breng ik mijn eigen belang daarmee in evenwicht?) naar het juridische, economische of bestuurlijke domein. ‘Het politieke’ en ‘het publieke’ zijn dan geen domein meer; wetten, markten en technologieën nemen de plaats in van debat en strijd, bij wijze van geprefereerde, minder rommelige oplossing.

Maar een democratie zonder betrokken burgers klinkt niet echt als een democratie – en zal misschien ook niet als zodanig overleven. Een samenleving die – zoals Simitis het stelde – gelooft dat de toegang van de burger tot informatie ‘ophoudt waar de burgerlijke claim op privacy begint’, zal geen lang leven als goed functionerende democratie beschoren zijn.

Het evenwicht tussen privacy en transparantie moet dus vooral worden aangepast in tijden van snelle technologische veranderingen. Dit evenwicht is zelf een politieke kwestie par excellence, waarover moet worden beslist via publieke discussies en waarover altijd onderhandeld moet kunnen blijven worden. Die kwestie kan niet voor eens en altijd worden beslecht door een of andere combinatie van theorieën, markten en technologieën. Zoals Simitis heeft gezegd: ‘De privacy lijkt, in plaats van te worden beschouwd als een essentieel onderdeel van een democratische samenleving, te worden gezien als een gedoogde contradictie, waarvan de gevolgen voortdurend opnieuw in overweging moeten worden genomen.’

Mijn besluit om persoonlijke gegevens prijs te geven zal onvermijdelijk gevolgen hebben voor mensen die minder goed af zijn

De afgelopen paar decennia zijn onze instellingen verslaafd geraakt aan een steeds grotere hoeveelheid gegevens. Wij zitten als burgers gevangen in een vreemde positie: wij geven onze gegevens niet prijs omdat we ons zo bekommeren om het algemeen belang. Nee, we doen dat uit eigenbelang, op Google of via allerlei apps. We zijn niet in staat af te zien van gratis diensten die door reclames worden betaald. Of we willen onze fitheid en ons dieet in de gaten houden, waarna we de betreffende gegevens verkopen.

Simitis wist zelfs in 1985 al dat dit onvermijdelijk zou leiden tot het ‘algoritmisch bestuur’ dat vandaag de dag vorm krijgt, naarmate de politiek zich ontwikkelt tot een ‘publiek beheer’ dat op de automatische piloot vertrouwt, zodat de burgers kunnen genieten en zich kunnen ontspannen, om zo nu en dan te worden gewaarschuwd als ze op het punt staan te vergeten om broccoli te kopen: ‘Gewoonten, activiteiten en voorkeuren worden verzameld, geregistreerd en verwerkt om een betere aanpassing te bewerkstelligen, niet om het vermogen van het individu te bevorderen om handelend op te treden en te beslissen. Wat de oorspronkelijke prikkel voor de computerisering ook geweest mag zijn, de informatieverwerking lijkt steeds meer de ideale manier om het individu aan te passen aan een van tevoren bepaald, gestandaardiseerd gedrag dat mikt op de hoogst mogelijke mate van gelijkschakeling van de modelpatiënt, de consument, de belastingbetaler, de werknemer of de burger.’ Wat Simitis hier beschrijft, is de aanleg van wat ik ‘onzichtbaar prikkeldraad’ rondom ons intellectuele en sociale leven noem. Big data, met zijn vele onderling verbonden databases die zich voeden met informatie en algoritmen van dubieuze herkomst, legt stevige beperkingen op aan hoe we politiek en sociaal volwassen kunnen worden. De Duitse filosoof Jürgen Habermas had gelijk toen hij – in 1963 – waarschuwde dat ‘een exclusief technische beschaving (…) het risico loopt (…) mensen in twee klassen in te delen – de sociale ingenieurs en de bewoners van gesloten sociale inrichtingen’.

Het onzichtbare prikkeldraad van big data beperkt onze levens tot een ruimte die er rustig en aantrekkelijk genoeg uitziet, maar geen weerspiegeling is van onze eigen keuzes. We kunnen hem ook niet verbouwen of uitbreiden. Het ergste is dat we dit niet als zodanig onderkennen. Omdat we geloven dat we vrij zijn om te gaan en staan waar we willen, blijft het prikkeldraad onzichtbaar. Erger nog, er is niemand die we de schuld kunnen geven, en zeker niet Google of de nsa. Het is het gevolg van veel verschillende vormen van logica en systemen – van het moderne kapitalisme, van de bureaucratische bestuursvorm, van het risicomanagement – die een extra lading krijgen door de automatisering van de informatieverwerking en de depolitisering van de politiek.

Hoe meer informatie we over onszelf prijsgeven, des te dichter – maar onzichtbaarder – dit prikkeldraad wordt. We verliezen geleidelijk aan ons vermogen om te redeneren en te debatteren; we begrijpen niet langer waarom er dingen met ons gebeuren. Maar niet alles is verloren. We kunnen leren onszelf te zien als gevangenen binnen dit prikkeldraad, en er zelfs doorheen snijden. Privacy is de bron die ons in staat stelt om dit te doen en, als we geluk hebben, zelfs onze ontsnappingsroute te plannen.

Dit is het punt waarop Simitis uitdrukking gaf aan een waarachtig revolutionair inzicht dat verloren is gegaan in de hedendaagse privacy-debatten: hij zei dat er geen vooruitgang kan worden geboekt zolang de bescherming van de privacy ‘min of meer wordt gelijkgesteld met het recht van een individu om te beslissen wanneer welke persoonsgegevens toegankelijk zijn’. De val waarin veel goedbedoelende pleitbezorgers van de privacy trappen, is dat ze denken dat ze als ze het individu maar meer zeggenschap kunnen bieden over zijn of haar gegevens – door sterkere wetten of een robuuster eigendomsregime – het onzichtbare prikkeldraad zichtbaar en kwetsbaar zal worden. Maar dat is niet het geval, althans niet als die gegevens uiteindelijk terechtkomen bij de instellingen die het prikkeldraad om ons heen spannen.

***

Als we privacy aanvaarden als een probleem van en voor de democratie zijn populaire oplossingen ontoereikend. In zijn boek Who Owns the Future? stelt Jaron Lanier bijvoorbeeld voor dat we één aspect – het juridische – negeren en ons op het economische aspect concentreren. ‘Commerciële rechten lenen zich beter voor de veelheid aan kleine merkwaardige situaties die zich in het echte leven voordoen dan nieuwe soorten burgerrechten, langs de lijnen van de digitale privacy’, schrijft hij. Op grond van deze logica kunnen we door onze persoonsgegevens te veranderen in iets wat we kunnen verkopen twee dingen bereiken. In de eerste plaats kunnen we dan controleren wie er toegang toe heeft, en in de tweede plaats kunnen we een deel van de economische verliezen compenseren die zijn veroorzaakt door de ontwrichting van alles wat analoog is.

Het is makkelijk te begrijpen waar een dergelijke redeneertrant ons heen zou brengen. We zouden allemaal op maat gesneden smartphone-apps krijgen die voortdurend de jongste informatie opslaan over de mensen die we ontmoeten, de plaatsen die we bezoeken en de informatie die we bezitten, zodat de prijs van onze portefeuille met persoonsgegevens up to date wordt gehouden. Het zou iets buitengewoon dynamisch opleveren: als je langs een chique sieradenwinkel zou lopen, zou die zaak wellicht bereid zijn méér te betalen om achter de datum van de verjaardag van je vrouw te komen dan als je thuis tv zou zitten te kijken.

Het eigendomsregime kan de privacy inderdaad versterken: als consumenten een goed rendement willen boeken op hun portefeuille met persoonsgegevens, moeten ze ervoor zorgen dat die gegevens niet ook elders verkrijgbaar zijn. Zij ‘verhuren’ hun gegevens dus op dezelfde manier als Netflix films verhuurt, of verkopen ze op voorwaarde dat ze slechts onder strikte beperkingen mogen worden gebruikt of herverkocht. Sommige bedrijven bieden al diensten aan die zulke veilige transacties mogelijk maken.

Ook als je het ‘recht op privacy’ op principiële gronden wilt verdedigen, kan het omzetten van je persoonsgegevens in handelswaar je bezwaren wegnemen. De nsa zou nog steeds kunnen achterhalen wat zij wil hebben; maar als je bezorgd bent dat onze persoonlijke informatie te ongrijpbaar is geworden en dat we de zeggenschap erover zijn kwijtgeraakt, zou een slim businessmodel, gekoppeld aan een sterk beheersregime van de digitale rechten, dit kunnen oplossen. Intussen zouden overheidsorganen die functioneren op basis van de principes van de ‘sturende staat’ deze gegevens ook willen hebben. Misschien zouden ze een klein bedrag moeten betalen of je een belastingvoordeel moeten beloven, in ruil voor het recht om je in een later stadium te mogen waarschuwen of prikkelen – met behulp van de gegevens van je smartphone. Op deze manier zouden de consumenten winnen, evenals de ondernemers en de technocraten. De privacy zou behouden blijven. Wie verliest er dan in deze opzet? Als je Simitis goed hebt gelezen, weet je het antwoord al: de democratie.

We moeten leren hoe we het systeem kunnen saboteren, wellicht door te weigeren onze activiteiten te laten registreren

En dat is niet alleen omdat het onzichtbare prikkeldraad zou blijven. We zouden ons ook zorgen moeten maken over de gevolgen voor de rechtvaardigheid en de gelijkheid. Mijn besluit om persoonlijke informatie prijs te geven, ook al doe ik dat uitsluitend aan mijn verzekeringsmaatschappij, zal bijvoorbeeld onvermijdelijk gevolgen hebben voor andere mensen, van wie velen minder goed af zijn. Mensen die zeggen dat het bijhouden van hun fitheid of het registreren van hun locatie slechts keuzes zijn waarop ze te allen tijde kunnen terugkomen, hebben weinig verstand van de manier waarop instellingen denken. Als er eenmaal genoeg early adopters zijn die aan dit systeem meewerken, zullen de ‘weigeraars’ niet langer worden beschouwd als louter merkwaardige individuen die per se aan hun autonomie willen vasthouden.

Nee, ze zullen worden gezien als mensen die iets te verbergen hebben. Hun verzekeringen zullen duurder worden. Als we dit feit nooit uit het oog verliezen, zal ons besluit om onze fitheid bij te houden niet zo makkelijk terug te brengen zijn tot louter eigenbelang; op een gegeven moment gaan ethische overwegingen misschien ook een rol spelen. Wil ik echt wel mijn persoonsgegevens delen en daardoor voordeel behalen, als dit betekent dat iemand anders die al drie baantjes tegelijk heeft uiteindelijk misschien méér zal moeten betalen? Zulke ethische overwegingen worden irrelevant als we de besluitvorming aan ‘elektronische butlers’ delegeren.

Weinigen van ons hebben ethische bezwaren tegen programma’s rond het delen van persoonsgegevens, maar dat zou kunnen veranderen. Vóórdat het milieu een wereldwijd probleem werd, overwogen weinigen van ons met het openbaar vervoer te reizen als we ook konden autorijden. Vóórdat ethisch consumeren in zwang kwam, zou niemand méér hebben betaald voor koffie met dezelfde smaak maar mét een fairtrade-keurmerk. Neem een goedkoop T-shirt dat je in een winkel ziet liggen. Het kan volledig legitiem zijn om dat te kopen, maar na jaren hard werken door activistische groeperingen zorgt een Made in Bangladesh-label er misschien toch voor dat je er eerst tweemaal over nadenkt. Het zou immers geproduceerd kunnen zijn door kinderen of uitgebuite volwassenen. Of misschien willen we het T-shirt juist kopen omdat we hopen dat dit het werk van een kind kan steunen dat anders tot prostitutie zou worden gedwongen. Wat moet je nu in zo’n geval? We weten het niet – dus we verdiepen ons erin. Dat kan natuurlijk niet met alles wat we kopen, anders zouden we de winkel nooit meer verlaten. Maar de uitwisseling van informatie – de zuurstof van de democratische orde – zou tot nadenken moeten stemmen. Het is niet iets wat je kunt uitbesteden aan een elektronische butler – tenzij we ons leven willen ontdoen van zijn politieke dimensie.

***

We moeten ook bezwaar maken tegen de suggestie dat we het privacyprobleem kunnen terugbrengen naar zijn juridische dimensie. De vraag die we de afgelopen twintig jaar hebben gesteld – hoe kunnen we ervoor zorgen dat we meer zeggenschap krijgen over onze persoonlijke informatie? – mag niet de enige vraag zijn die we stellen. Tenzij we leren en voortdurend blijven leren hoe geautomatiseerde informatieverwerking de democratische orde bevordert en hindert, zou een antwoord op deze vraag van nul en generlei waarde kunnen blijken, vooral als het democratische regime dat nodig is om de antwoorden waarmee we op de proppen komen ten uitvoer te leggen in de tussentijd verloren is gegaan.

In intellectuele zin is duidelijk wat er moet gebeuren: we moeten de vraag niet alleen in economische en juridische zin stellen, maar ook in politieke zin, door de toekomst van de privacy te verbinden met de toekomst van de democratie, op een manier die weigert de privacy over te laten aan de markt of de wet. Maar wat betekent dit filosofische inzicht in de praktijk? In de eerste plaats moeten we het debat over privacy en het delen van persoonlijke informatie politiseren. Het zou een goed begin zijn om het bestaan – en de diepgaande politieke gevolgen – van het onzichtbare prikkeldraad aan de orde te stellen. We moeten het oplossen van problemen met behulp van allerlei methodes die louter op het verzamelen van gegevens zijn gericht grondig onderzoeken en het zo nu en dan antidemocratische karakter hiervan aan de kaak stellen. Soms zullen we meer risico, imperfectie, improvisatie en ondoelmatigheid moeten aanvaarden om de democratische geest levend te houden.

In de tweede plaats moeten we leren hoe we het systeem kunnen saboteren – wellicht door te weigeren onze activiteiten überhaupt te laten registreren. Als de weigering om onze eetgewoonten of onze verblijfplaats te laten vastleggen de enige manier is om beleidsmakers ertoe te bewegen de structurele oorzaken aan te pakken van problemen als obesitas of de klimaatverandering kan een informatieboycot te rechtvaardigen zijn. De weigering om geld te verdienen aan het prijsgeven van je persoonlijke gegevens zou net zo’n politieke daad kunnen zijn als de weigering om auto te rijden of vlees te eten. De privacy kan dan een wedergeboorte beleven als politiek instrument om de geest van de democratie in leven te houden: we willen privacy omdat we nog steeds geloven in ons vermogen om na te denken over de problemen van de wereld en over het vinden van manieren om daar iets aan te doen, en we staan dit vermogen liever niet af aan algoritmen en feedback loops.

In de derde plaats hebben we behoefte aan provocatievere digitale diensten. Op de juiste manier ontworpen zouden websites burgers er niet toe moeten aanzetten hun persoonsgegevens te bewaken of te delen, maar de verborgen politieke dimensies moeten onthullen die vastzitten aan diverse opties van het delen van informatie. We willen geen elektronische butler, we willen een elektronische provocateur. In plaats van wéér een app die ons kan vertellen hoeveel geld we kunnen besparen door onze fitnessroutine in de gaten te houden, hebben we een app nodig die ons kan vertellen hoeveel mensen waarschijnlijk hun gezondheidszorgverzekering zullen verliezen als de verzekeringssector over net zoveel gegevens zou beschikken als de nsa, waarvan het grootste deel ook nog eens is bijgedragen door consumenten zoals wij. Uiteindelijk moeten we zulke dimensies op eigen kracht, zonder technologische hulpmiddelen, kunnen ontwaren.

Ten slotte moeten we onze vastomlijnde ideeën opgeven over de manier waarop onze digitale diensten werken en onderling verbonden zijn. Anders vallen we ten prooi aan dezelfde logica die de verbeelding van zoveel goedbedoelende pleitbezorgers van de privacy heeft dwarsgezeten, die denken dat de verdediging van het ‘recht op privacy’ – en niet de strijd ter bescherming van de democratie – het publieke beleid zou moeten bepalen. Net als op het gebied van de privacy moeten we ons primair richten op het lot van de democratie zelf.

In 1967 was Paul Baran zo gelukkig om niet te weten wat het internet zou worden. Dat heeft hem er niet van weerhouden de voordelen en de gevaren van het toenemende computergebruik te onderkennen. Zet het idee uit je hoofd dat het internet de afgelopen tien jaar zijn glans heeft verloren. Als we ons bevrijden van deze geschiedvervalsing, zullen we beter in staat zijn de antidemocratische gevaren van de digitale toekomst het hoofd te bieden.

Evgeny Morozov is auteur van The Net Delusion: The Dark Side of Internet Freedom en To Save Everything, Click Here: The Folly of Technological Solutionism. Dit essay verscheen oorspronkelijk in MIT Technology Review

Vertaling: Menno Grootveld