VOC-jubileum

Onzichtbare erfenis

Het VOC-jaar 2002 staat voornamelijk in het teken van de overzeese sporen van onze koloniale expansie. Zelden wordt de omgekeerde vraag gesteld: wat heeft de exploitatie van de archipel ons in economische, politieke en menselijke termen opgeleverd?

Op een doordeweekse winterdag lijkt Hoorn verder dan ooit verwijderd van de tropen. De gure westenwind rukt aan bomen en masten, in de buitenhaven deint een roestige trawler op de golven van het Markermeer. Diep weggedoken in zijn jas wijst Carel de Jong, conservator van het Westfries Museum, op de voorgevel van een gerestaureerd pakhuis van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. «Kijk, daar zit het peperzakje.» Warempel, boven de deur prijkt een houtsnede van een zeventiende-eeuwse peperzak, glanzend onder drie lagen Histor buitenlak. «In heel Hoorn is dit het enige ornament dat naar de Indische archipel verwijst. Ook op de gevels van regentenhuizen vind je geen Aziatische symbolen. Alleen klassieke motieven zoals wijnranken, rozetten en reliëfs met handelsschepen, de handelsgod Hermes of Poseidon.»

Het is bijna onvoorstelbaar: aan de buitenkant te zien heeft Hoorn, een van de oudste en meest bloeiende VOC-steden, nimmer een bijzondere band met Azië gehad. En dat terwijl de VOC in Hoorn dominanter was dan in Amsterdam of Middelburg, waar de West-Indische Compagnie en andere handelsmaatschappijen sterker vertegenwoordigd waren. Uitgerekend in deze binnenstad, sinds de zeventiende eeuw vrijwel intact gebleven, zou je tekenen van een wederzijdse beïnvloeding van Oost en West verwachten. En juist hier is geen spoor van kruisbestuiving te bekennen. Ook in de zeventiende- en achttiende-eeuwse interieurs van Hoornse regentenhuizen zijn geen verwijzingen naar Indonesië te vinden, wel naar andere Aziatische landen.

De Jong: «In de achttiende eeuw tref je oosterse kamerschermen aan, Chinese vazen en porselein. De vrouwen droegen soms Indiase rokken en gebruikten gebloemde stoffen afkomstig van Malacca of Ceylon, maar geen batikstof.» Op een schilderij van de Hoornse VOC-bewindhebbers uit 1682 van de hand van Johan de Baenis is een van de heren afgebeeld in kimono. «Dat is de enige verwijzing naar Azië op het hele schilderij», zegt De Jong. «En het is alweer geen Indo nesisch kledingstuk. Het gebruik van oosterse kleding en motieven in die tijd had dan ook niets met Indonesië te maken. Het waren de hoogtijdagen van de chinoiserie, een Europese mode waaraan de Hollandse regenten omwille van het prestige meededen. Dat zouden ze ongetwijfeld ook hebben gedaan als ze geen enkel belang in Indië hadden gehad.»

Intussen maakten veel Hoornse regenten wel hun fortuin in de Oost, evenals hun vennoten en concurrenten in andere Nederlandse handelssteden. De VOC, ontstaan in 1602 uit een bundeling van koopmansbelangen onder auspiciën van raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt, was de eerste multina tional ter wereld. De onderneming maakte de belanghebbenden en hun nazaten tot in de derde graad schatrijk, terwijl de Nederlandse staat in de negentiende en twintigste eeuw enorme voordelen uit het bezit van Nederlands-Indië haalde. Het gros van de publicaties, overzichtstentoonstellingen en braderieën in het VOC-jaar 2002 staat in het teken van de overzeese sporen van onze koloniale expansie. Zelden wordt de omgekeerde vraag gesteld: wat heeft de koloniale ervaring in Nederlands-Indië voor Nederland betekend? Wat heeft de exploitatie van de archipel ons in economische, politieke en menselijke termen opgeleverd?

De voornaamste Indische erfenis van ons land is, heel eenvoudig, onze maatschappelijke rijkdom. Net als in Hoorn is die erfenis in heel Nederland onzichtbaar en tegelijk alomtegenwoordig, zoals verwoord door Indonesië-kenner Nico Schulte Nordholt. Tijdens het kroonprinselijk huwelijk op 2 februari gaf hij commentaar voor de Indonesische Wereldomroep. Schulte Nordholt: «Ik vertelde dat de Gouden Koets is gemaakt uit jatihout. Daar keken de Indonesiërs van op. Ze vroegen: ‘Is hier nog meer van ons bij?’ Ik wees om me heen: 'Jawel, de hele Amsterdamse binnenstad.'»

Niet alleen de zeventiende-eeuwse koopmansrijkdom, ook de industrialisatie van ons land is grotendeels te danken aan Nederlands-Indië, met name aan het negentiende-eeuwse Cultuurstelsel waartegen Multatuli zo heftig protesteerde. Van 1830 tot 1870 werden de Javaanse boeren gedwongen een vijfde van hun grond te bebouwen voor de Nederlandse overheid. Die verkocht de suiker, koffie en indigo voor eigen rekening op de wereldmarkt. De opbrengst werd gebruikt voor de aanleg van de eerste Nederlandse spoorwegen, moderne havens en tal van andere openbare werken die de industriële take off van het moederland mogelijk maakten.

Op het hoogtepunt van het Cultuurstelsel maakten de Indische baten dertig procent uit van de Nederlandse staatsbegroting. In 1913 schreef de Leidse indoloog Van Vollenhoven: «Het is telkens weer Indië geweest dat ons uit een ziektecrisis ophaalde, zoals het de Republiek heeft helpen grootmaken, de val in de achttiende eeuw heeft helpen breken, met honderden miljoenen eerst onze heerschappij over België heeft bekostigd, later ons aan sporen en kanalen geholpen, het afschaffen van de slavernij in de West betaald, onze scheepvaart en scheepsbouw op gang gebracht, onze geestelijke gezichtskring honderdvoudig verruimd.»

De brute wijze waarop die opbrengsten waren verkregen, werd gemakshalve vergeten. «We lieten ons voorstaan op onze vlijt, ons initiatief, ons wetenschappelijke en morele overwicht op de inlandse bevolking, maar het overgrote deel van die opbrengsten werd verkregen door harde dwang», zegt auteur Ewald Vanvugt, die een serie studies en romans over de Nederlandse koloniale geschiedenis schreef. «In de eerste eeuwen van koloniale expansie had Europa geen enkele beschavingsvoorsprong, afgezien van één doorslaggevend bezit: het buskruit. De hypocrisie omtrent de uitbuiting van Nederlands-Indië — en trouwens ook van andere koloniën — is tot op de dag van vandaag ten hemelschreiend.»

In Wettig opium (1985) deed Vanvugt een boekje open over de woekerwinsten die Nederland van 1613 tot 1942 behaalde uit het monopolie op de Indische opiumhandel. In zijn voorwoord benadrukte professor Wertheim hoezeer de opiumpolitiek model stond voor de onbeschaamde inhaligheid van de hele Indische koloniale onderneming: «Al in de negentiende eeuw werd er voortdurend gezocht naar morele motiveringen voor elke verandering in het door de regering gevoerde opiumbeleid. Werd de prijs van opium verlaagd, dan was het doel, het gebruik door de bevolking van gesmokkelde opium te beperken. Werd de prijs verhoogd, dan was het doel precies hetzelfde! Maar in feite was de 'ethische jas’ niet anders dan een vermomming: het beleid werd bepaald door het financiële belang van de staat.»

Tijdgenoten hebben het hiermee altijd moeilijk gehad. De koloniale uitbuiting was niet te rijmen met christelijke, liberale of sociaal-democratische beginselen, tenzij men de inlanders als mindere mensen beschouwde wier «verheffing» afhankelijk was van een welwillend Europees bestuur. Deze «ethische» benadering was de meest gekozen uitweg uit het dilemma, zelfs bij de sociaal-democraten. Een van de Twaalf Apostelen die in 1894 de SDAP oprichtten was Hendricus van Kol, die van meet af aan de toon zette voor het Indië-beleid van de partij.

Van Kol was in goeden doen dankzij zijn aanzienlijke deelname in een Javaanse koffieplantage, een feit dat door de kameraden angstvallig werd verzwegen. De SDAP voelde zich verplicht de koloniale uitbuiting als uitwas van het kapitalisme aan de kaak te stellen, maar voorzag een «catastrofe» indien Indië «te snel» onafhankelijk werd. De SDAP bleef tot na de Tweede Wereldoorlog tegenstander van het «onmiddellijk-los» en initieerde uiteindelijk zelfs de politionele acties.

Van het batig saldo van Indië werd dus in de eerste plaats hier, in Nederland, iets groots verricht. Niet alleen in economisch opzicht. «Indië maakte goed wat Nederland miste», schrijft J.A.A. van Doorn in zijn Indische lessen (1995): «Een ruimte die vrijheid bood en onbeperkte vergezichten, een vreemde wereld vol uitdagingen, een kolossaal arbeidsveld, open voor ieder initiatief. Door Indië kon Nederland een correctie aanbrengen op het beeld van de boeren- en vissers natie, het land van klompen en windmolens. Het was óók een natie die een imperium beheerde, een land van koloniale bestuurders, planters, soldaten en zendelingen.»

Zoals de Leidse historicus Martin Bossenbroek schrijft in zijn baanbrekende studie Holland op zijn breedst (1996) ontleende Nederland aan het einde van de negentiende eeuw aan het bezit van Indië zelfs een nieuw nationaal zelfbewustzijn. Terwijl het Nederlands-Indische gouvernement begon met de zogenaamde pacificatie (lees: verovering) van buitengewesten als Lombok en Atjeh die het Nederlandse gezag niet erkenden, maakte zich van Nederland een ongekende godsdienstige zendingsdrang meester.

Uit die tijd dateren de prototypen van de dominee en de koloniale soldaat, twee gestalten die hun invloed ook deden gelden binnen de Nederlandse grenzen. Wederom is die invloed grotendeels aan het oog onttrokken door propaganda, hypocrisie en niet te vergeten een dikke laag vergetelheid. De kerstening van Indië was sinds de zeventiende eeuw een droom van menige Nederlandse christen, maar het effect werd sterk overdreven. Er waren nooit meer dan een paar honderd zendelingen in Indië actief, schrijft Bossenbroek, en het aantal bekeringen stemde tot bescheidenheid. Achteraf bezien trokken de zusters en broeders in de Here, de missionarissen van Rome, de artsen, juristen en antropologen die de inlander wilden «verheffen» meer sporen door de Nederlandse ziel dan de Indonesische. Hun nalatenschap is onze huidige kijk op niet-westerse culturen, zowel binnen Nederland als daarbuiten.

Hetzelfde paternalisme waarmee de inlander destijds onder het juk van de christelijke moraal werd gedwongen terwijl zijn Europese meesters er financieel garen bij sponnen, is nu uitgangspunt van onze ontwikkelingshulp. Voor het weinige dat we daadwerkelijk geven (vergeleken bij de rijkdom die Nederland jaarlijks aan arme landen onttrekt) eisen we de onderwerping van de ontvangers aan onze laatste humanitaire mode.

Azië-kenner Jan Bremen schreef in 1994 in Socialisme en democratie: «In een poging doelstellingen van de Nederlandse politiek te verwezenlijken zijn voortdurend nieuwe toetsingscriteria ingevoerd — armoede bestrijding, vrouwvriendelijke ontwikkeling, milieubescherming — uitlopende op een bemoeizucht die met recht neokoloniaal kan worden genoemd. Achter de façade van goede bedoelingen gaat het economische en politieke eigenbelang van de hulpverleners nauwelijks verscholen.» En ons minder hedenbeleid («integratie met behoud van taal en cultuur») is rechtstreeks geënt op het adatstelsel, de culturele verdeel- en heers politiek waarmee het gouvernement destijds de Indische volken eronder hield.

De pacificatieoorlogen waren het werk terrein van dat andere type, de «bloedjas», waarvan Nederland er sinds de beginjaren van de VOC zoveel heeft gehad: van de zestiende-eeuwse stichter van Batavia, Jan Pieterszoon Coen, via de generaal Joannes van Heutsz (de «pacificator van Indië») tot de romantische duisterling Raymond Westerling, die in 1946 als commandant van de Speciale Troepen op Celebes buitengewoon hardhandig het Nederlands bestuur herstelde en in 1950, vlak na de onafhankelijkheid, zelfs een poging tot staatsgreep tegen de kersverse president Soekarno ondernam. Nederland wierf dan ook niet het edelste slag mensen voor zijn koloniale oorlogen. Het Koloniale Depot in Harderwijk, waar de troepen voor het koloniale leger werden opgeleid, stond bekend als het «gootgat van Europa».

Degenen die de expedities overleefden, vormden een slag apart. Politici waren in hun optiek duf, laf en gezapig; democratie was een excuus voor nonvaleurs, een dekmantel voor plichtsverzuim, agitatie en zelfs landverraad. Ook zij beïnvloedden de vaderlandse politiek tot ver in de twintigste eeuw. Heel Nederland heeft altijd weet gehad van hun «excessen» (die eerder regel dan uitzondering waren). Het was een obsceen geheim, publiekelijk ontkend en binnenskamers met volle teugen genoten. Sinds de eerste jaren van de VOC zijn er felle aanklachten tegen geschreven. De «nestbevuilers» werden weggehoond, maar dezelfde schandverhalen werden dankbaar verslonden als ze uit de mond of pen van oud-militairen kwamen. Een voorbeeld uit talloze: het geïllustreerde weekblad Buiten bevatte in 1917 een «Oostersch schetsje» van een ex-militair die verslag doet van een gruwelijke moordpartij onder inlanders als betrof het een theekransje.

De voorman van deze ijzervreters was Hendricus Colijn, een gereformeerde jongen uit de Haarlemmermeer die zich opwerkte in het Nederlands-Indische leger, het vervolgens schopte tot directeur van de Bataafsche Petroleum Maatschappij en ten slotte in de jaren dertig de Nederlandse politiek domineerde. Colijn was de «koloniale christenstrijder» bij uitstek, schrijft Bossenbroek: «Een figuur die aansprak, spontaan en hartstochtelijk bij Emma en Wilhelmina, geleidelijk aan bij liberalen, aarzelend ook bij katholieken, ja zelfs, na veel gehakketak, althans gedeeltelijk, bij sociaal-democraten.» Volgens Colijn-biograaf Herman Langeveld dankte hij zijn greep op de politiek vooral aan de onmacht van de Roomskatholieke Staatspartij, wier leiders Colijn geen weerwerk boden. Langeveld: «Dat neemt niet weg dat hij in brede kring gezag afdwong. Zoals een voormalige ambtenaar die hem nog heeft meegemaakt het uitdrukte: 'Wanneer Colijn binnenkwam, vulde hij de hele kamer.'»

De koloniale hiërarchie maakte de Nederlands-Indische bevolking autoriteitsgevoelig, zoals ook blijkt uit de populariteit van de Indische NSB. Mussert werd in de jaren dertig tweemaal gastvrij in Batavia ontvangen door de gouverneur-generaal, de plaatselijke pers schreef lovend over hem. In Nederland mochten militairen geen NSB-bijeenkomsten bijwonen, terwijl ambtenaren geen lid van de partij mochten zijn. Overzee was dat wel toegestaan, met als gevolg dat nogal wat Indische militairen grote belangstelling voor de beweging aan de dag legden. De weerslag op Nederland kwam na de oorlog, toen het overgrote deel van de Nederlands-Indiërs noodgedwongen werd gerepatrieerd.

«Hun komst betekende onder meer een aanvulling voor de extreem rechtse gelederen», zegt onderzoeker Jaap van Donselaar, die zijn proefschrift schreef over de extreem rechtse partijvorming in ons land na de Tweede Wereldoorlog. «Rond 1956 was de reactionaire Indische component duidelijk aanwezig in de Nationale Oppositie Unie waarin boer Koekoek zijn debuut maakte. En uit BVD-bronnen weten we dat Raymond Westerling in de jaren vijftig Ambon wilde 'bevrijden’ met hulp van oud-SS'ers.»

Sinds 1945 is in ons land tenminste driemaal een plan voor een staatsgreep uitgebroed en telkens speelden oud-Indië-gasten een hoofdrol. In 1947 was het ex-premier Gerbrandy die als leider van het Comité Handhaving Rijkseenheid geestverwanten benaderde met het plan de regering omver te werpen wegens haar te slappe optreden in Indië. In 1951 was het de Haagse commissaris Gualtherie van Weezel die de Tweede Kamer op stelten zette. En in 1965 kwam het plan van enkele officieren om buitenlandminister Luns tot «sterke man» uit te roepen uit de koker van cavaleriegeneraal J.H.A.K. («Hakkie») Hollertt, die zijn vuurdoop had gekregen tijdens de politionele acties. «Bij Hollertt moet je denken aan rinkelende sporen», zei een kennis van hem in Het Parool. In weerwil van de Hollandse gezapigheid heeft ons land wel degelijk zijn «Wilde Westen» gehad, met dien verstande dat het in de Oost lag.

Tegelijk was Indië de eerste plek waar Nederlanders zich op grote schaal vermengden met verre volken. Dat is misschien wel de meest hoopvolle erfenis, en ook die is onzichtbaar en alomtegenwoordig. Ewald Vanvugt: «Onze multiculturele samenleving is daar ontstaan, niet in Nederland. Die twee samenlevingen bleven strikt gescheiden, alsof men in ons land niets wilde weten van de vermenging die overzee plaatsvond. Zelfs de negentiende-eeuwse oriëntalist Christiaan Snouck Hungronje, die getrouwd was met een Indonesische, verbood zijn kinderen hem te schrijven gedurende de perioden dat hij in Nederland verbleef.» Niettemin was de Nederlands-Indische samenleving aan het begin van de twintigste eeuw al voor de helft gemengd; van de 250.000 naoorlogse repatrianten was zestig procent gemengdbloedig.

De mythe van Tempo Doeloe ( het «Gouden Tijdperk» van Nederlands-Indië rond 1900) berustte onmiskenbaar op de erotische aantrekkingskracht van Indië. De verhalen over gewillige en seksueel bedreven oosterse vrouwen zijn even oud als de ontmoeting tussen Oost en West. De belofte van promiscuïteit, mannelijke almacht en moreel zelfverlies heeft zijn uitwerking op menige stijf-christelijk opgevoede Hollandse jongen niet gemist.

Koloniale soldaten namen in Indië een baboe, terwijl veel plantersvrouwen moesten vrezen dat hun man meer bevrediging vond bij een inlandse. Een auteur die onverbloemd en met veel inzicht over de seksuele drijfveer van de kolonisatie schreef was een vrouw, Madelon Székely-Lulofs. In haar roman Rubber (1931) overpeinst de hoofdpersoon met genoegen zijn Indische jeugdjaren: «Hij dacht aan de huishoudsters die hij gehad had. De volmaaktheid van hun bruine lichamen, hun coquette vrouwelijkheid, hun uitdagende cocotterie en tenslotte het geheel heer en meester zijn over deze oosterse vrouwen had hem bekoord, een tijdje gevangen gehouden, na de te strenge tucht van zijn jongensjaren.»

De erotiek werd zorgvuldig ingekapseld in raciale en wetenschappelijke stereotypen. Dat is goed te zien op de gevel van het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam, gebouwd aan het begin van de vorige eeuw en naar de geest van die tijd overladen met koloniale symboliek. Op de hoektoren aan de zijde van het Oosterpark bevinden zich acht steenreliëfs van beeldhouwer Louis Vreugde. Op zijn voorstellingen van het «onschuldige» tropische landleven zijn de inlanders afgebeeld in toenemende staat van ontkleding. De laatste taferelen tonen onder meer de rijstcultuur. Die wordt weergegeven door drie inlandse vrouwen met ontbloot bovenlijf van wie twee zich voor over buigen om rijst te planten terwijl de derde, ingetogen en onbeschaamd als een ware maagd van Insulinde, een korf vruchten aanbiedt. Zij moet menige mannelijke beschouwer tot het inzicht hebben gebracht dat de natuurgodsdienst zijn voordelen had.

«Tot ver in de vorige eeuw mochten blote borsten en billen in ons land niet openlijk worden getoond, behalve als ze waren ontleend aan de klassieke Oudheid of aan Indië», zegt Vanvugt. «De onderhuidse fascinatie was enorm. Al in 1919 signaleert een artikel in De Gids de overweldigende aandacht in Nederlandse wetenschappelijke publicaties voor de seksuele zeden van de inlanders. De vrouwelijke besnijdenis, menstruatie, huwelijksgebruiken, het jus primae noctis en andere pikanterieën werden met de grootste zorg beschreven en uitgediept. Later verschuift de aandacht naar collecties en fotoboeken van 'vrouwen bij natuurvolken’. Vaak waren dat helemaal geen inlandse vrouwen maar prostituees die voor de gelegenheid naakt of halfnaakt poseerden. Er werd heel openlijk over geschreven, bijvoorbeeld in het katholieke blad Eigen Haard. Dat was oerburgerlijk en toch, of daarom, bevatte het veel verborgen erotiek. Foto’s van naakte inlanders, zowel mannen als vrouwen, veel tekst over het seksuele aspect. Het resultaat zien we vandaag: ruim een half miljoen allochtonen met Indische achtergrond. Of liever: we zien het niet meer, omdat we zo gewend zijn geraakt aan Indische gelaatstrekken om ons heen dat ze ons puur Nederlands voorkomen.»