Hoe schrijvers denken over kunst

Onzichtbare kunstenaars

In de literatuur worden al eeuwenlang beeldend kunstenaars opgevoerd. Het geeft een antwoord op de vraag hoe schrijvers denken over kunst.

In Herinneringen van een engelbewaarder creëerde W.F. Hermans de beeldend kunstenaar Rense Alberegt, «een van de meest ambitieuze kunstenaars uit het vooroorlogse Nederland, maar helaas zonder erkenning gebleven». Zelfs de familie van Alberegt haalde vertwijfeld de schouders op bij het zien van zijn werken. Alberegt was daarom genoodzaakt zijn brood te verdienen met het geven van tekenles. Ondanks dit gebrek aan succes raakte de kunstenaar, gewapend met een rotsvast geloof in het maatschappelijk belang van zijn werk, «vaak heftig geëmotioneerd als hij over zijn schilderijen sprak, de tranen rolden hem meermaals over de wangen».
De citaten komen niet uit Hermans’ Engelbewaarder, maar uit Encyclopedie van fictieve kunstenaars: Van 1605 tot heden. Een wonderlijk boek, met daarin tweehonderdvijftig korte biografieën van kunstenaars van wie nergens werk is te zien en wier levensverhalen zijn gedestilleerd uit één bron, de roman waarin ze figureren. Een lexicon dus, niet van feiten en personen, maar van personages uit de westerse literatuur. Ze zijn bijeengebracht door Koen Brams, de directeur van de Maastrichtse Jan van Eyck-academie, die ooit zelf onder de schrijversnaam Linda Warmoes enkele kunstenaars creëerde, onder wie de «radicaal conceptueel» kunstenaar Henry Morton, die zijn werk al stappend maakte.
Meer bekende fictieve kunstenaars zijn Nescio’s Bavink, Oscar Wildes Basil Hallward (de portrettist van Dorian Gray), Gerard Reves Bullie van der K uit Nader tot u, Chaim Potoks Asher Lev, de ik-persoon uit Jan Wolkers’ Turks fruit en Zwagermans pillenslikkende en cocaïnesnuivende Walter van Raamsdonk uit Gimmick!


Wat voor zin heeft een encyclopedie vol verzinsels? Behalve de hoge curiositeitswaarde en het komische effect dat het behandelen van verbeelding als waarachtige historie heeft, geeft de encyclopedie een antwoord op de vraag hoe schrijvers denken over beeldend kunstenaars. Daarmee verkrijgt dit naslagwerk welhaast literatuur wetenschappelijke en kunsthistorische betekenis. Want er blijkt zelfs een ontwikkeling te bestaan in het kunstbeeld van schrijvers.
De levensschets van Rense Alberegt kan goed tot voorbeeld dienen van het huidige beeld. Zowel bij Hermans als in de encyclopedie valt over deze weinig getalenteerde, maar tot de verbeelding sprekende kunstenaar te lezen dat hij in de loop van de jaren dertig «brak met de tot dan toe vigerende figuratieve en zelfs abstracte kunst». Hij schilderde of bewerkte nog slechts egale oppervlakken, aanvankelijk met blauwe verf, in Alberegts zogeheten blauwe periode, en daarna met roze verf, in Alberegts roze periode. Zo maakte hij honderdtwintig «Azur rensen» en tachtig «Renseroses». «Zijn techniek was eenvoudig; hij doopte op houten plankjes gemonteerde sponzen in de verf en ging er dan tegenaan, tot het doek vol was. (…) De kritiek dat iedereen zijn werk kon maken, weerlegde hij niet, voor hem lag juist daar de essentie.» Ware kunst is bereikbaar voor de gehele mensheid. Genieën waren volgens Alberegt slechts door het kapitalisme voortgebrachte misbaksels.
De fictieve kunstenaars uit de negentiende eeuw worden door hun scheppers nog geassocieerd met het Romantisch Kunst zinnige; zij staan voor het intuïtieve, voor het «andere» leven, zoals Duco van der Staal in Couperus’ Langs lijnen der geleidelijkheid. Zij zijn naïef, maar kunnen rekenen op sympathie van de schrijver.
Na de intrede van het abstracte in de kunst aan het begin van de vorige eeuw verdwijnt die sympathie onder bijna alle literatoren. Zij maken markante karikaturen van hun kunstenaars. De encyclopedie telt meer dan twintig moderne kunstenaars met «een blauwe periode», bijna allen voelen zich miskend en velen hebben meer opvattingen over hun bijzondere maatschappelijke positie dan over de kunst. En als ze al over kunst denken, dan doen ze dat op zo'n uitvergrote, bizarre manier dat het opwekken van woede of hilariteit bij de lezer wel het doel van hun scheppers moet zijn geweest.
Charlatans zijn het. Zelfs Stedelijk-Museumvriend Harry Mulisch laat in Archibald Strohalm de kunstenaar Boris Bronislaw doeken besmeuren met koeienstront, confituur en erwtensoep, en beplakken met toiletpapier en oude schoenen. Ook is deze Bronislaw een van de oprichters van het «zomarisme», een beweging waarin «het experiment wordt gepropageerd om het experiment» en die de «anale fase» vormt van de Cobra-beweging. Mulisch laat Bronislaw uiteindelijk de experimentele schilderkunst afzweren ten gunste van een vitalistisch amateurisme dat de voormalige zomarist het alibi verschafte onder meer Picasso te kopiëren. Voorts verkondigde Bronislaw zich meer te zullen inlaten met poëzie, die helaas niet door de encyclopediemedewerkers is achterhaald. Ook Harry Mulisch, gevraagd naar een reactie, zei niet te weten tot welke resultaten Bronislaws voornemen heeft geleid.
De scepsis ten aanzien van de beeldende kunst dringt zelfs door in het werk van schrijvers die zelf de kwast hanteerden. Behalve bij Jan Wolkers en Chaim Potok zijn ook hun creaties allen charlatans, neuroten, opscheppers of kwaaktaalsprekende mislukkelingen. Dubbeltalent Brakman haalde zijn gram op de hedendaagse kunst in acht (!) in de encyclopedie opgenomen kunstenaars. De «moedeloos accurate» schilderijen van een van hen, Ellen Kok, getuigen van «veel inzet en een uiterst gering talent». Een ander, W. Pop, schopt het van talentloos vervalser tot postmodern kunstenaar, door de kunstkritiek vooral geprezen om zijn handtekening, «plomp en goed vetgehouden neergezet». Het werk van weer een andere Brakman-kunstenaar, Meekes genaamd, «boerenkoolt eindeloos door»; en Brakmans creatie Jan Oud uit Kind in de buurt vergaarde binnen de kunstwereld grote roem met het Dinkel -project. Uit de encyclopedie: «Hij liet polyester objecten zoals bollen, piramiden, kubussen, diabolo’s en sferoïden het riviertje de Dinkel afdrijven. Als snel schoven al deze objecten naar de kant en bleven daar liggen, maar, zo lichtte hij toe, dat was ook de opzet van het project: ‹dat omspelen van het bedoelde, die spanning tussen voorstelling en concrete aanwezigheid en natuurlijk ook dat samen bezig zijn›.»



De beroemdste fictieve kunstenaar leed niet onder de scepsis van twintigste-eeuwse literatoren. Hij komt uit vroeger werk, van voor de verwijdering tussen schrijvers en schilders. Het is Frenhofer, hoofdpersoon in Honoré de Balzacs Chef d'oeuvre inconnu, uit 1831. Cézan ne beschouwde Frenhofer als een voorloper en Picasso noemde zichzelf een bewonderaar. Zelfs in zijn kunstopvattingen praatte Cézanne Frenhofer na en Picasso maakte zelfs een aantal etsen die zijn gebaseerd op Frenhofers meesterwerk, een naaktstudie van de grande courtisane Catherine Lescoualt, bijgenaamd La belle noiseuse.
De historische figuren Picasso, Cézanne en zelfs Cézannes biograaf spelen een rol in de levensschets van Frenhofer. Door de kunstenaars als waarachtig levend op te vatten is het daarentegen onmogelijk duidelijk te maken op welke bestaande personen de schilderende romanpersonages zijn terug te voeren. Zie Rense Alberegt. Deze meelijwekkende kunstenaar pleegde zelfmoord omdat hij — ten onrechte — vermoedde dat zijn naam prijkte op een lijst van de Gestapo, met namen van personen die na de bezetting onmiddellijk tegen de muur moesten. Hij was zich al te zeer bewust dat hij «ontaarde kunst» maakte, maar hij vluchtte niet omdat hij zijn oeuvre niet in de steek wilde laten. Kort na de capitulatie verhing hij zich.
Het kan geen lezer van de Engelbewaarder ontgaan zijn: Alberegt is gemodelleerd naar de volgens Hermans overschatte Menno ter Braak. De lezer van de encyclopedie moet dat maar weten; je vindt het nergens.
Dit lijkt een nadeel. Maar door de kunstenaars te beschrijven alsof ze echt hebben geleefd, krijgen de lemma’s vaak een weldadig komische werking. Prachtige leugens ontstaan, zoals de stellige bewering waarmee het biografietje van Belcampo’s creatie Isaac van Asselt opent. Deze kunstenaar zou vermeld staan bij Houbraken, Immerzeel, Kramm, Wurzbach en Thiem Beckers. Van Isaac was lange tijd slechts bekend dat hij betrokken was bij het «conste-genootschap» Sint-Lucas te Dordrecht in 1632. De encyclopedie vermeldt ook dat midden jaren zestig «bij toeval een werk van deze meester bij Christie’s in Londen opdook, aan de hand waarvan meerdere werken en biografische gegevens konden worden opgespoord». Allemaal leugens, maar feiten in Belcampo’s De ideale dahlia — en alleen daarin.


Encyclopedie van fictieve kunstenaars: Van 1605 tot heden. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 454 blz., ƒ65,-