Media

Onzichtbare oorlog

Nog voor Big Brother, de reality shows, de doorbraak van het web en digitale persoonsdossiers voorspelden cultuurcritici en filosofen al het oplossen van traditionele scheidslijnen tussen publiek en privé. Niets zou meer aan het oog van de buitenwereld ontsnappen. Volledige transparantie lag in het verschiet.
Nauwelijks een paar jaar later, in 1990, werd duidelijk wat deze voorspelling waard was. In de Eerste Golfoorlog creëerden de Amerikanen met succes een beeld van een ‘schone oorlog’, beheerst door 'slimme bommen’ en ander hightech wapentuig, zonder het gebruikelijke bloedvergieten. Dat hele Iraakse divisies onder het woestijnzand verdwenen, met twintig- tot dertigduizend militaire slachtoffers tot gevolg, zag de wereld nooit.
Veel veranderd is er niet. Niet alleen in het traditioneel terughoudende Amerika, ook in Nederland is het beeld dat kijkers en lezers voorgeschoteld krijgen van de militaire acties in Afghanistan goeddeels ontdaan van alles wat zou kunnen herinneren aan de wreedheden van het oorlogsbedrijf. De camera’s laten woestijngele beelden zien, bevolkt door mannen en vrouwen in een soort Michelinpakken, nu eens op patrouille, dan op jeeps of tanks of rustig in gesprek, of aan de maaltijd in Kamp Holland. Zeker in deze tijd van het jaar, rond de feestdagen, is de sfeer bijna huiselijk: soldaten onder de kerstboom groeten het thuisfront en andersom.
Van slachtoffers geen spoor, geen doorzeefde lichamen van Taliban of geallieerde militairen, geen verminkte burgerslachtoffers, geen beelden van het werkelijke strijdtoneel in Uruzgan of andere delen van Afghanistan. Toch zijn er meer dan tienduizend doden gevallen, alleen al als direct gevolg van militaire handelingen; een veelvoud bezweek aan de indirecte gevolgen van de oorlog.
Zowel in beeld als op papier en het web lijken de Nederlandse media zich gevoegd te hebben naar de zachtgekleurde voorstelling die de geallieerden sinds 2003 van de oorlog hebben uitgedragen. Zo heeft de term 'vredesmissie’ breed ingang gevonden, van het NOS Journaal tot NRC Handelsblad en de Stentor. Formeel is dat juist: de vervanging van de term 'oorlog’ door 'vredesactie’ gebeurde in 2003 op gezag van de Veiligheidsraad, bij de oprichting van de ISAF, de strijdkracht die de veiligheid en stabiliteit van de Afghaanse interimregering moest garanderen. De leiding werd evenwel opgedragen aan dezelfde machten die Afghanistan in september 2001 de oorlog hadden verklaard.
Dat realistische oorlogsbeelden ontbreken in de Nederlandse media kan niet alleen maar verklaard worden uit de effectiviteit van de militaire voorlichtingsdiensten, gebaseerd op een combinatie van controle en dienstverlening aan embedded journalisten en programmamakers. Blijkbaar wil ook het publiek liever niet weten dat Nederland is verwikkeld in een oorlog waarin doden en gewonden vallen - en zien al helemaal niet. En de journalistiek past zich daar, zoals gewoonlijk, aan aan.
Deze afkeer van gruwelijke scènes is niet nieuw en beperkt zich evenmin tot Nederland: er loopt een spoor van ontkenning door de geschiedenis, van de Eerste Wereldoorlog tot Irak. Slechts zelden dringen realistische beelden tot in de huiskamers door, zoals in 1994, tijdens de burgeroorlog in Rwanda, toen de Volkskrant een afbeelding van afgehakte hoofden groot op de voorpagina zette, tot verontwaardiging van veel lezers. Om zulke reacties te voorkomen - of, naar eigen zeggen, uit piëteit voor de doden - besloten veel kranten losgerukte lichaamsdelen op foto’s van de bomaanslagen in Madrid weg te retoucheren.
De motieven om gruwelijke oorlogsbeelden niet te laten zien mogen dan verschillen - manipulatie of piëteit, nationale eer of angst om kijkers en lezers kwijt te raken - het resultaat is identiek: een fundamentele asymmetrie met ingrijpende politieke implicaties. Tegenover de telkens herhaalde expliciete beelden van 9/11, Londen en Madrid, of de gasoorlog van Saddam tegen zijn eigen bevolking, staat immers een niet-aflatende stroom van ingetogen plaatjes van soldaten op vredesmissie. De oorlog in Vietnam heeft geleerd wat er gebeurt als de asymmetrie wordt verbroken: de naakte kinderen op de vlucht voor een napalmbombardement en al die andere gruwelijke en angstwekkende beelden luidden het einde in van de steun aan de Amerikaanse missie.
De Nederlandse media houden met hun terughoudende verslaggeving over de oorlog in Afghanistan en Irak die asymmetrie in stand, terwijl de politieke implicaties daarvan worden ontkend of over het hoofd gezien. Daarmee worden niet alleen wij tekortgedaan, maar ook de bijna twintigduizend Nederlandse militairen die in Afghanistan dienden. Een flink aantal van hen kampt met psychische moeilijkheden en vraagt om maatschappelijke erkenning daarvan. De kans daarop lijkt niet groot zolang de gezamenlijke media deze oorlog blijven voorstellen als een soort militaire oefening, zij het niet gewoon in ’t Harde, maar in de woestijn, ver van vriend, moeder en kind.

Frank van Vree is hoogleraar journalistiek en cultuur aan de Universiteit van Amsterdam