‘onzin op stelten’

Michel Korzec, Ik kan alles uitleggen. Uitgeverij Prometheus, 194 blz., \f29,90
‘HET BEGRIP mensenrechten heeft zijn langste tijd gehad: veel van datgene waar het begrip voor stond blijft lovenswaardig en nastrevenswaardig, maar het begrip en de meeste associaties die het begrip oproept zijn meren, zeeen, oceanen, iconen van nonsens.’ Met deze uitspraak wierp de immer polemiserende Leidse politicoloog Michel Korzec vorig jaar een forse steen in de vijver van de vaderlandse mensenrechtenbeweging. Zijn artikelen over dit onderwerp vormen de intellectuele ruggegraat van zijn bundel Ik kan alles uitleggen.

Korzec maakt om te beginnen bezwaar tegen het retorische misbruik van de mensenrechten. Als voorbeeld noemt hij de Nederlandse autoriteiten, die in 1989 het bloedbad in Beijing scherp veroordeelden, maar niettemin bijna alle Chinese studenten uitwezen die in Nederland asiel hadden aangevraagd.
Bovendien pretendeert de mensenrechtenbeweging, volgens Korzec, een samenhangend stelsel van waarden en waarheden te bieden. ‘Onzin op stelten’, meent hij: een tekst als de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens wemelt van de innerlijke tegenspraken. In de eerste plaats zijn de individuele en de collectieve mensenrechten vaak in strijd met elkaar. In de tweede plaats is het uitgangspunt dat de mensenrechten natuurrechten zijn niet langer houdbaar. Die overtuiging is een produkt van de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog en vond zijn weerslag in het feit dat Amnesty het op ging nemen voor gewetensgevangenen in totalitair bestuurde landen. Nu de strijd voor de liberale democratie is gewonnen, geeft elk land zijn eigen invulling aan de mensenrechten: 'Er zijn vele onverenigbare rationaliteiten en vele incompatibele rechtvaardigheden. En dus ook vele strijdige systemen van mensenrechten.’
Verder worden de grootste wreedheden allang niet meer begaan door sterke staten - ook die aanname is een erfenis van voor 1989 - maar door haatdragende bevolkingsgroepen en 'kleine tirannen’ die gedijen dank zij het ontbreken van een krachtig gezag. Samenvattend stelt Korzec dat de mensenrechtenbeweging gebaseerd is op een 'mistige politieke retoriek en een slonzige politieke{ filosofie’. Die uitspraak schoot de Nederlandse afdeling van Amnesty in het verkeerde keelgat. Een interessant debat tussen Korzec en Amnesty-medewerker Daan Bronkhorst is te vinden in Wordt vervolgd van februari 1994.
Ook in de rest van de bundel schopt Korzec met het gemak van de geboren iconoclast tegen gevestigde opvattingen aan. Zijn zeer persoonlijke visie op de ontwikkelingen in het voormalige Oostblok - Korzec is een uitgeweken Poolse jood - staat haaks op de gangbare verhalen in de pers. Omdat hij Chinees heeft gestudeerd en regelmatig China bezoekt, moet de vaak onzinnige Nederlandse berichtgeving over China het eveneens ontgelden.
Ronduit vernietigend is zijn oordeel over Joris Ivens. Hij vergelijkt de cineast met de nazi-propagandiste Leni Riefenstahl. Voorzover ze niet slaapverwekkend waren, dienden Ivens’ films altijd de propagandistische doelen van zijn opdrachtgevers, zoals Stalin, de Chinese nationalisten, Mao Zedong of de Bende van Vier. In zijn autobiografie praatte hij die slaafse houding achteraf nog goed ook. 'Gelukkig voor Ivens zijn de gemartelde overlevenden van zijn opdrachtgevers niet elke week op de televisie te zien. Gelukkig voor Ivens hebben zijn opdrachtgevers nooit een oorlog totaal verloren.’