De wankele relatie tussen China en de VS

Onzinkbaar vliegdekschip

Voor elf september leken de spanningen tussen China en de Verenigde Staten de belangrijkste bedreiging voor de wereldvrede. De parlementsverkiezingen van 1 december op Taiwan zouden die relatie verder kunnen verslechteren.

«Daar ligt China.»

«Waar?»

«Daar, recht voor je neus. Kijk dan, naast die vissershuisjes wappert de Chinese vlag.»

Zo dichtbij? Het meisje kan haar vader nauwelijks geloven. In het voormalig militaire observatorium Mashan, op het eilandje Kinmen, turen Taiwanese toeristen door een spleet in het decimeters dikke gewapende beton. Het Chinese moederland — de grote, kwade draak die de kleine, onschuldige Taiwanese tijger al meer dan vijftig jaar dreigt te verzwelgen — ligt hier zo dichtbij dat je erheen zou kunnen zwemmen. Zojuist is weer een buslading Taiwanese toeristen het observatorium binnengestroomd, en de oh’s! en ah’s! galmen door de bunker. Nergens ligt China dichter bij Taiwan dan hier. Nergens raken Taiwanezen sterker vervuld van heimwee en haat, trots en angst.

Hsu Yung-mien, docent Engels op een middelbare school op Kinmen, moet altijd glimlachen om de kinderlijke verbazing van de toeristen. «Er gaat geen dag voorbij of een Taiwanees denkt aan oorlog met China, maar dat Taiwan en China zo dicht bij elkaar liggen, dat beseffen ze niet.» Hsu rijdt ons rond op Kinmen — een eiland zo groot als Texel — waar hij z’n hele leven heeft gewoond. Hij laat de stranden zien waar in 1949 de bloedige veldslag tussen het communistische Volksleger en de nationalistische troepen van Tsjang K’ai-sjek plaatsvond. Hij vertelt over de bombardementen tussen 1958 en 1978, waarbij op even dagen het Taiwanese kanonsvuur luidde en op oneven dagen het Chinese, met zondag als rustdag. Hsu: «De ene dag gingen we naar school, de andere dag schuilden we. Het was een angstige tijd. Ons huis is verschillende keren geraakt.»

Hoewel Kinmen tegenwoordig nauwelijks strategische waarde heeft — aan de Chinese kust staan naar Amerikaanse schattingen minstens driehonderd langeafstandsraketten die binnen zeven minuten Taipei kunnen raken, en elke week komt er een nieuwe bij — wemelt het op het eiland nog steeds van de soldaten. Straten en landwegen zijn bezaaid met schuttersputjes en op elk kruispunt staat een bemande bunker. Schreeuwende soldaten schieten te voorschijn bij het zien van een fotocamera.

Is Hsu bang voor de Chinezen? «Niet echt. De handelsbetrekkingen tussen China en Taiwan zijn te sterk. En Amerika zal een aanval op Taiwan nooit toestaan.» Maar al die militaire activiteit dan? Hsu: «Zoals wij Taiwanezen zeggen: met China weet je nooit wat bedrieglijker is, de angst voor oorlog of de hoop op vrede.»

Het rommelt weer in de Straat van Taiwan. Zaterdag 1 december vinden op Taiwan historische parlementsverkiezingen plaats die grote gevolgen kunnen hebben voor de relatie met aartsvijand China. In 1949 verjoegen Mao’s communisten de legers van Tsjang K’ai-sjeks nationalistische partij, de Kwo-min-tang. Sindsdien beschouwt China Taiwan als afvallige provincie die koste wat het kost in de Chinese moederschoot teruggebracht moet worden. Met de Kwo-min-tang — die Taiwan meer dan vijftig jaar met ijzeren hand regeerde — wist China wat het in huis had: de Kwo-min-tang verafschuwt het communisme, maar wil uiteindelijk hereniging met een democratisch en welvarend China. De langste dagen van de Kwo-min-tang lijken nu geteld. Tot China’s woede dreigen na de verkiezingen van 1 december onafhankelijkheidsgezindten op Taiwan de vrije hand te krijgen. China heeft zijn stemadvies voor het Taiwanese electoraat de afgelopen weken niet onder stoelen of banken gestoken: wie voor onafhankelijkheid stemt, stemt voor oorlog.

Maar komt er ook oorlog in de Straat van Taiwan? Of is een herhaling denkbaar van de rakettencrisis in ’95 en ’96, toen China onafhankelijkheidsaspiraties strafte met raketten die op 25 kilometer afstand van de Taiwanese kust in zee plonsden? De kansen op een gewelddadige escalatie lijken klein, waarmee Taiwans zorgen echter niet zijn weggenomen.

Wie wil onafhankelijkheid? Voor de meeste Taiwanezen doet het er ironisch genoeg niet zo veel toe. Vrijwel alle Taiwanezen zijn het erover eens dat Taiwan de facto al meer dan vijftig jaar onafhankelijk is en zo goed als alle Taiwanezen willen dat vooral zo houden. Wie in hoofdstad Taipei, provinciesteden of plattelandsdorpjes met Taiwanezen praat, hoort vaak dezelfde zinsnede: «Als Taiwan onafhankelijkheid wil, moet het vooral niet de onafhankelijkheid uitroepen». Met als belangrijkste argument dat een stabiele, vreedzame relatie met China essentieel is voor de economie. En wie wil dat op het spel zetten voor de jure onafhankelijkheid?

Idealisten als Linda Gail Arrigo willen dat. De van oorsprong Amerikaanse leeft al decennia lang op Taiwan en is behalve vooraanstaand lid van de Groene Partij een van de boegbeelden van de onafhankelijkheidsbeweging. Arrigo organiseert een poëzieavond in haar krappe, Spartaans ingerichte appartement. Een huis als zovele, gelegen in de grauwe, schier eindeloze buitenwijken van Taipei, waar de vormloze flatgebouwen in het gelid staan met aan hun voeten de achtbaans snelwegen, de dampende drie-gulden-noedelstalletjes en de knipperende neonborden van de talloze kruideniertjes.

Slechts een handjevol gasten komt vanavond bij Arrigo langs. Prominent aanwezig is de bejaarde heer Sun Chiu-yuan, die wegens zijn onafhankelijkheidsstreven door de Kwo-min-tang tien jaar in de gevangenis is gezet. En Chen Zhao-cheng, die overdag taxichauffeur is en ’s avonds dichter.

Arrigo pakt een recent, fraai uitgegeven geschiedenisboek uit de kast. Ze toont een foto van de oude Sun met Hsiu-lien Annette Lu, momenteel vice-president en eveneens oud-politiek gevangene. Taiwan was tot de eerste hervormingen eind jaren tachtig een harde, kapitalistische dictatuur. De Kwo-min-tang had twee vijanden: het communistische China en de Taiwanese onafhankelijkheidsstrevers. Wie onafhankelijkheid predikte, verzette zich tegen het officiële gedachtegoed van de Kwo-min-tang dat gericht was op hereniging met het van communisme bevrijde China. Jarenlange gevangenisstraf kon het gevolg zijn, zoals de oude Sun aan den lijve ondervond.

«En hier zie je een foto van meneer Sun en president Chen, die toen nog advocaat was voor politieke dissidenten», zegt Arrigo, wijzend op de huidige Taiwanese president. De oude Sun zucht. «Die Chen. Tegenwoordig vaart hij een koers waarvoor ik onder de Kwo-min-tang niet eens in de gevangenis belandde.»

Gelach alom. President Chen, vinden de aanwezigen, verkwanselt Taiwan. Chen komt voort uit de onafhankelijkheidsbeweging en is lid van een partij die onafhankelijkheid wil. Maar in zijn inaugurele toespraak verklaarde Chen geen onafhankelijkheid uit te roepen zolang China geen geweld gebruikt. Ondanks China’s weigering ook maar een woord met president Chen te wisselen — China en zijn staatspers hebben Chens naam nog nooit genoemd — doet de Taiwanese president er alles aan om de relatie met China te stabiliseren. Dat vinden de aanwezigen een slappe houding. Maar is het dan geen gekkenwerk om met de grommende en sissende moloch China op nog geen tweehonderd kilometer afstand de onafhankelijkheid uit te roepen?

Sun zoekt zorgvuldig naar de juiste woorden: «Wij weigeren ons door China te laten dicteren. Als China een probleem heeft met de werkelijkheid — namelijk dat Taiwan al lang en breed onafhankelijk is — is het logisch noch rechtvaardig dat wij ons daaraan moeten aanpassen. Unificatie betekent annexatie. China zal ons uitbuiten. Mijn hele leven heb ik geweigerd te zwichten voor onrecht, dus nu ook.»

Voor China is het onuitstaanbaar dat het kleine Taiwan de Chinese almacht tart. «Eenheid, centralisering, controle en, na kortere of langere periodes van verdeeldheid, hereniging zijn de dominerende thema’s in de Chinese geschiedenis geweest», schrijft China-kenner Willem van Kemenade in China, Hongkong, Taiwan Inc., het internationaal vermaarde standaardwerk over de Chinese herenigingspolitiek. «De ondeelbaarheid van China is (…) een in graniet gegraveerd axioma.» Hongkong en Macau zijn al terug in de moederschoot en Taiwan zal ontegenzeggelijk volgen. Taiwan is een baken voor andere Chinese provincies die streven naar afscheiding (Tibet, Xinjiang), en dient daarom in het gareel te worden gebracht. Daarnaast geeft de combinatie van de Taiwanese hightech industrie, het financiële centrum van Hongkong en de gigantische arbeids- en consumptiecapaciteit op het vasteland, ongekende mogelijkheden. Eindelijk zal het vijfduizend jaar oude Rijk van het Midden de plaats krijgen die het verdient: ’s werelds machtigste land.

De redenatie maakt op de dichter Chen Zhao-cheng weinig indruk: «Het idee dat eenheid voor alles gaat, is een Chinese gedachte. Taiwanezen zijn een ander volk. Nog maar anderhalf jaar hebben we het juk van de Chinese Kwo-min-tang van ons afgeworpen, en moeten we ons dan nu onderwerpen aan de Chinese communisten? We spreken een andere taal en we hebben een eigen geschiedenis en cultuur.»

Aan het eind van de avond zingt Chen Zhao-cheng een van zijn gedichten. De bloem opent zich, heet het. Het verhaalt over een mijlpaal in de Taiwanese geschiedenis: 28 februari 1947, de dag waarop rellen uitbraken tegen de Kwo-min-tang. Tienduizenden lieten het leven, jaren van gewelddadige repressie volgden. Krachtig zet Chen Zhao-cheng het slotakkoord in: «Angst weerhoudt ons niet.»

Met enkele procentpunten verschil won Chen Sui-bian — van huis uit pro-onafhankelijkheid — de presidentsverkiezingen van mei 2000. Echter, de afgelopen anderhalf jaar was president Chen vleugellam doordat de Kwo-min-tang een meerderheid had in het parlement. Elke beleidswijziging die de president of zijn regering voorstelde, sneuvelde in het parlement. Die laatste politieke machtsbasis zal de Kwo-min-tang volgende week zaterdag vrijwel zeker verliezen. Maar na zaterdag 1 december wacht president Chen een allesbehalve zonnige toekomst. Want als zijn grootste plaaggeest, de Kwo-min-tang, de meerderheid in het parlement heeft verloren, betekent dat nog niet dat zijn Democratische Progressieve Partij (DPP) die overneemt. Integendeel: voor het eerst in zijn geschiedenis zal het uiterst gepolariseerde Taiwan een regeringscoalitie moeten sluiten.

Die coalitie belooft als een kruiwagen vol kikkers te zijn. Het verschil tussen de DPP en de andere grote politieke partijen is te groot om een stabiele coalitie te vormen. De jonge Taiwanese democratie drijft op corruptie en het kopen van stemmen. Op verkiezingsbijeenkomsten worden niet zelden rode enveloppen uitgedeeld met duizend Taiwanese dollars (zo’n 66 gulden). Wie een parlementszetel wil, moet een sterke kongsi van bedrijven achter zich hebben staan, die eigen belangen belangrijker vindt dan een partij-ideologie. Chang Mau-kuei, hoogleraar sociologie: «De Taiwanese politiek zal instabiel blijven. Er zullen geen duidelijke keuzes worden gemaakt. We hebben gedurfde en creatieve voorstellen nodig om de impasse met China te doorbreken. Zolang we geen binnenlandse overeenstemming hebben, blijven we een zwakke partij voor China.»

De onzekere politieke toekomst is niet iets waar de gemiddelde Taiwanees zich over opwindt. In de immense, protserige karaoketempels hoef je er niet over te beginnen. Ook niet in de internetkelders waar tientallen jongeren zich voor een habbekrats urenlang lusteloos laven aan groteske oorlogsspelletjes. Of in de wijk Shi Men Ding, waar de trendgevoelige Taiwanees zich ongans koopt aan alles wat een Japanse techno-uitstraling heeft, en waar schoolmeisjes in de McDonald’s met hun leeftijdgenoten een materialistische competitie spelen. Politiek? Dat is iets voor mensen die zich vervelen. In de onstuimige 24-uursmaatschappij van Taiwan zijn andere zaken belangrijker.

De economie, daar draait het om. Voor het eerst in vijftig jaar beleeft Taiwan een recessie. Het is een cultuurschok voor de Taiwanezen. De afgelopen vier decennia groeide de economie met op z’n minst zes procent, maar nu wordt voor dit jaar een inkrimping van twee procent verwacht. De werkloosheid heeft een recordhoogte van vijf procent behaald. De globale depressie is een belangrijke oorzaak (een kwart van de Taiwanese handel gaat naar de VS) en met name het barsten van de internetluchtbel heeft de voor Taiwan zeer belangrijke chipindustrie geraakt. Structureel van aard is de stijgende Taiwanese levensstandaard van de afgelopen decennia, waardoor Taiwan geen lagelonenland meer is. Taiwan maakt geen made in Taiwan-rommel meer. En het lagelonenland bij uitstek ligt voor de deur: China.

De investeringen stromen naar de andere kant van de Straat van Taiwan. Extreem lage lonen, een groeiend aantal hoogopgeleide, kapitalistisch georiënteerde managers en aantrekkelijke belastingmaatregelen oefenen enorme aantrekkingskracht uit op de internationale én Taiwanese ondernemer. De cijfers zijn indrukwekkend. Een gangbare schatting is dat het Taiwanese zakenleven voor minstens zestig miljard Amerikaanse dollars in de Chinese kustprovincies heeft geïnvesteerd. Dit bedrag zou elk jaar met dertig procent toenemen. Drie miljoen Chinezen zijn direct in dienst van Taiwanezen en 73 procent van de Chinese computerproductie is in handen van Taiwanese bedrijven. De toetreding van China en Taiwan tot de Wereldhandelsorganisatie zal een aanjagend effect hebben. China verwelkomt de investeerders met open armen. In de eerste plaats om met de broodnodige cash and knowhow China in de vaart der volkeren te laten opstomen, en in de tweede plaats om China en Taiwan met elkaar te laten vervlechten. In de woorden van een medewerker van een West-Europese handelsmissie: «Economisch gezien is de hereniging met het Chinese vasteland al lang in gang gezet.»

«Vastelandskoorts» heet deze ontwikkeling op Taiwan. De koorts is zelfs zo hoog opgelopen dat de Taiwanese regering zich afgelopen zomer genoodzaakt zag de stroom investeringen te reguleren. Taiwanese investeringen in China boven de vijftig miljoen dollar waren niet toegestaan, maar via Hongkong was dat verbod gemakkelijk te omzeilen. Het officiële credo «geen haast, wees geduldig» is vervangen door «active opening, effective management». Volgens The Economist een «waterscheiding» in de Taiwan-China-relaties.

Hsiao Hsin-huang, lid van de presidentiële adviesgroep betreffende vastelandszaken, is er niet gerust op. Gevraagd en ongevraagd stuurt Hsiao president Chen faxen die hij soms met hem bespreekt tijdens diners of lunches.

In zijn ruime werkkamer schenkt Hsiao zijn gast thee in. Nauwkeurig beschrijft hij het speciale karakter ervan — Taiwanezen zijn bereid kapitalen aan de meest exquise thee te besteden, en deze dient dan ook met zorg gedronken te worden. Hsiao komt ter zake: «Ik juich het credo active opening, effective management in principe toe omdat ik denk dat handel ook voor China een stimulans is om naar vrede te streven. Maar hoe verstandig is dat beleid op de langere termijn?» Hsiao haalt een boek uit de kast: The Coming Collapse of China. Hsiao: «Ik ben niet zo pessimistisch als deze Amerikaanse auteurs, maar het is op z’n minst een reële mogelijkheid dat de gigantische hervormingen die China momenteel ondergaat, uitmonden in destructieve sociale onrust. De Chinese economie is allesbehalve stabiel, en Taiwanese zakenlieden lopen het risico in een maalstroom te worden meegezogen.» Bovendien, zo stelt Hsiao, is het onverstandig om economische motieven de relatie met China te laten domineren. Hsiao: «Hoe meer Taiwanese fabrieken naar China verhuizen, hoe meer grip China krijgt op onze economie. Handel en vrije investeringen mogen de nationale veiligheid niet bedreigen.»

En daar is niet alleen Taiwan of China bij gebaat. «De Straat van Taiwan is een van de weinige plaatsen ter wereld waar de Amerikaanse krijgsmacht in een grootschalig conflict gesleurd kan worden, at a moments notice», stelde het gezaghebbende Foreign Affairs in het laatste nummer dat voor elf september verscheen. «De Chinees-Taiwanese relatie is structureel onstabiel en in potentie explosief», schreef het aan Harvard gelieerde International Security.

Taiwan bestaat dankzij de Verenigde Staten. Na het uitbreken van de Koreaanse Oorlog verhinderde de Amerikaanse Zevende Vloot Mao Taiwan met een overweldigende troepenmacht aan te vallen. Sindsdien zijn de VS Taiwans beschermheer. Tijdens de rakettencrisis van ’95-’96 was het dezelfde Zevende Vloot die de gemoederen suste. Taiwan is dan ook essentieel voor de VS, en niet alleen om economische redenen. De grootste Chinese patriot en de felste Amerikaanse havik zijn het erover eens: de komende eeuw is van China. In de Amerikaanse indammingspolitiek, die de ontwakende Chinese reus klein moet houden en Amerikaanse belangen in de Pacific veilig moet stellen, is Taiwan een essentiële steunpilaar. Parris Chang, namens de DPP voorzitter van de parlementaire commissie Buitenlandse Zaken: «De VS zullen ons nooit laten vallen. Taiwan is hun onzinkbare vliegdekschip.»

Maar voor Lin Chong-pin is dat niet genoeg. Lin is vice-voorzitter van de Raad voor Vastelandszaken (Taiwan kent een gecompliceerd staatsrechtelijk stelsel; in Nederland zou Lin onderminister van China-zaken heten). Ingewijden zien Lin — mede vanwege zijn lange staat van dienst — als een van de meest invloedrijken op het Taiwanese China-beleid.

«De kern van Taiwans probleem is dat we weer in dialoog moeten zien te komen met Beijing», zegt Lin met een perfect Amerikaans accent, dat hij als zovele leden van de Taiwanese elite overhield aan zijn Amerikaanse universiteitsjaren. In 1992 spraken China en Taiwan met elkaar via stichtingen, en kwamen overeen dat er slechts «één China» bestaat. Beide landen agreed to disagree over wat één China precies inhoudt. Sinds 1995, het jaar van de rakettencrisis, wordt er niet meer gesproken. Lin: «Wij willen graag praten. Maar, zoals president Chen zeer terecht zegt: er kan alleen gesproken worden als de keuze van de 23 miljoen Taiwanezen wordt gerespecteerd, er op basis van gelijkheid tussen Beijing en Taipei wordt gesproken en als er geen dreiging van geweld is. De bal ligt bij China. Wij staan met onze rug tegen de muur.» Lin glimlacht: «Of beter: wij staan met onze hakken in de Grote Oceaan.»

Maar is de kern van het probleem niet dat China helemaal geen reden heeft om de problemen met Taiwan snel op te lossen? Immers, waar Taiwan lijdt, profiteert China. Lin glimlacht opnieuw en ontvouwt een theorie die je vaker hoort op Taiwan: «China verandert. Op het zestiende partijcongres, najaar 2002, zal China’s huidige president Jiang Zemin naar verwachting zijn functie als secretaris-generaal neerleggen. De grondwet dwingt Jiang om in 2003 af te treden als president. Maar Jiang wil aan de macht blijven en hij wil een van China’s machtigste functies: voorzitter van de Centrale Militaire Commissie. Dat betekent dat Jiang, en zijn achterban, punten moet scoren. De problemen met de Chinese hervormingen zijn groot genoeg, en een succes betreffende Taiwan zal hem goed uitkomen. Ook in China zien ze dat er de afgelopen vijf jaar nauwelijks vooruitgang is geboekt. Voor Chinezen ligt de kwestie Taiwan zeer gevoelig. China weet dat Taiwanezen steeds minder om China geven en dat een nieuwe generatie leiders voor de deur staat die geen enkele binding heeft met ‹moederland› China. Zo veel tijd heeft China niet.»

De tijd zal het leren. Misschien geldt het omgekeerde en zijn de komende machtswisseling en de ingrijpende hervormingen voor China een reden om juist niet de handen te branden aan de netelige kwestie Taiwan.

In het dorpje Chiunglin, op het eiland Kinmen dat zo dicht bij China ligt, zitten enkele bejaarde mannen met elkaar te praten. Elke dag komen ze bijeen in een soort tempel waar de voorouders worden geëerd. In China heeft de Culturele Revolutie dit soort gebouwen voorgoed verwoest, hier staan ze er blakend bij. Aan de muren prijken wijze spreuken op antieke, goudkleurige borden. De felrode pilaren schitteren in de zon. Het ruikt er naar wierook.

De 76-jarige Yeh Dai-sheng kwam in 1949 met de Kwo-min-tang naar Taiwan. Zijn vriend Tsai Kin-huan heeft altijd op Taiwan gewoond. Als elke dag discussiëren ze over China, Taiwan en de toekomst. «Taiwan moet sterk zijn en zich niet door China de les laten lezen!» zegt Tsai. Zijn vriend lacht: «Je lijkt wel een politicus. Natuurlijk moeten we sterk zijn — zolang we China maar niet boos maken.»